Geestelijke verlatingen

1998-06-12
  • Jaargang 42
  • nummer 12
De uitdrukking ’Godsverduistering’ is tegenwoordig in om de geestelijke toestand van de Westerse cultuur te beschrijven die door de secularisatie is heengegaan. Laatst las ik een boekje van J.G. Woelderink, Uit de practijk der godzaligheid (1956), waarin hij de geestelijke verlatingen bespreekt die een christen ten deel kunnen vallen.

Ik heb de indruk dat wat hij daarover schrijft, van toepassing is op wat dan tegenwoordig Godsverduistering wordt genoemd. Het verschil is de omvang van het verschijnsel. Beschrijft hij wat christenen individueel kan overkomen, en wat in bevindelijke kringen wèl bekend is, met de term Godsverduistering wordt de situatie van een hele cultuur, de Westerse, geduid. Maar de overeenkomsten zijn frappant. Is er werkelijk iets nieuws onder de zon?

Een paar citaten
Woelderink onderscheidt tussen geestelijke verlatingen en aanvechtingen van ons geloof door satan; daartegen kunnen we ons verzetten; Paulus schrijft in dat verband over de strijd die we hebben te voeren niet tegen vlees en bloed maar tegen geestelijke machten van satanische oorsprong, en waarom we dan ook de wapenrusting van God moeten aantrekken. Aanvechtingen van ons geloof kunnen er ook komen, wanneer God zijn aangezicht voor ons verbergt in toorn over onze zonden. God is dan niet afwezig maar Hij is juist in zijn toornende verberging aanwezig. Bekering en hernieuwde toewending tot God in Christus is dan het antwoord. De weg tot God blijft open. In geestelijke verlatingen „kan men niet meer bidden (–), want men kan God niet meer vinden; men krijgt zijn gebed weer terug, gelijk een onbestelbare brief” (p 197). Vergeleken met het dreunende onweer van Gods toorn kan een geestelijke verlating gezien worden als „een verschrikkelijke droogte, waardoor alles verdort en het leven in de natuur schijnt te versterven, terwijl de hemel elke dag als van koper is en zich niet schijnt te bekommeren om het lijden, dat de hitte der zon veroorzaakt.” Woelderink denkt aan mensen die de genade geproefd hebben, maar aan wie het weer ontvallen is. Ze lijken kwijtgeraakt te zijn, wat ze eerst in Christus ontvangen hadden. Hij meent dat dit de andere kant is van Gods oordeel over de zonde: Gods toorn over de zonde en het gevoel van God verlaten te zijn, houdt hij bijeen. Het is niet iets wat ons zo maar overkomt, als bij toeval. Hij verwijst naar iemand als koning Saul, die een immense verlatenheid heeft ondergaan maar dat ging niet buiten zijn eigen schuld om. Maar zo kan het zijns inziens ook christenen overkomen. Aan de ene kant kunnen ze niet meer bidden; die komen onbestelbaar terug. Aan de andere kant heeft de Geest der gebeden en der genade hen zozeer verlaten, dat ze niet meer weten te bidden, gelijk het behoort (p. 198). Het is alsof ze nooit christen zijn geweest, alsof waar ze vroeger zich in verheugden, een droom was, die voorbij ging.
Toch is er verschil tussen de verlating die iemand als Job onderging en iemand als Saul. Het dreef Saul tot zelfmoord, terwijl Job zich bleef vastklampen aan God, hoop tegen hoop.
Kunnen verlatingen vrucht zijn van menselijke schuld, Woelderink meent dat ook God in zijn vrijmacht ze kan veroorzaken „in de leiding der zijnen” – een gedachte waar we wel wat moeite mee zullen hebben. Het zou een mens moeten leiden tot een zich volledig toevertrouwen aan de genade van God en zo tot een afzien van elk zelfvertrouwen in zaken van het geloof. Zo zouden geestelijke verlatingen een louterende werking kunnen hebben. Woelderink meent overigens dat niet iedereen zo’n ervaring van Godverlatenheid zal kennen. Het is ook niet een kwestie van aanleg of men zulke ervaringen wel of niet overkomt. Het hangt aan de ene kant samen met oordeel van God en aan de andere kant met leiding van God. Systematisering is juist hier uit de boze.

Als conclusie
Wij zijn in onze kerken niet zo gewend om na te denken over geestelijke verlatingen; dat laten we graag aan bevindelijk-gereformeerden over. Maar Godsverduistering: ja, daar kunnen we over mee praten. Het boekje van Wim Rietkerk, Ik wou dat ik kon geloven, heeft al vijf drukken beleefd, en wordt ook onder ons intensief gelezen. Maar wat Woelderink beschreef, beleven we vandaag grootschaals op het vlak van onze westerse cultuur. Het verband tussen persoonlijke schuld en geestelijke verlating leggen wij niet zo makkelijk vandaag als Woelderink destijds deed, al kan dat verband er wel terdege zijn. Ik heb de indruk dat wij in onze cultuur te maken hebben met een boven-persoonlijke schuld; de Westerse cultuur als geheel heeft zich van God afgekeerd, en deel uitmakend van die cultuur hebben we deel aan de geestelijke verlating die wij tegenwoordig Godsverduistering noemen. Er is lang niet altijd een directe lijn te trekken tussen persoonlijke zonde en de ervaring van geestelijke dorte en droogte; maar de van God verlaten Westerse cultuur laat ons niet onberoerd. We ervaren de vruchten van die cultuur in ons eigen geestelijk leven. De Godsverduistering is dan ook niet als een persoonlijke schuld aan te rekenen; dat kan het worden, als wij eraan toegeven en niet als Job – of nog beter als Christus aan het kruis – ons vastklampen aan de beloften van Gods nabijheid. Nochtans – ondanks de totale afwezigheid van enige ervaring van Gods nabijheid – houden we ons vast aan Gods beloften die in Christus vast verankerd liggen.
In de woestijn van de geestelijke verlating waar onze cultuur onder zucht, zijn er trouwens wel oases, waarbij ik vooral denk aan de gemeenschap der heiligen, zoals die in het bijzonder gestalte krijgt in de zondagse eredienst. Maar daar niet alleen! Maar christenen hebben elkaar nodig om de lange nacht van de geestelijke verlating van het Westen door te komen. En er is licht, want de Heer is opgestaan, en de Geest is ons gegeven, of we dat nu ervaren of niet. We geloven het tegen alle verlatingen in. De ervaringen worden ons dan geschonken – God geeft het zijn beminden als in de slaap.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief