Geloven in wetenschap en techniek

1999-03-19
  • Jaargang 43
  • nummer 6
Omstreeks oktober van het vorige jaar verscheen het boek ’Geloven in wetenschap en techniek, hoop voor de toekomst’ van prof. dr. ir. E. Schuurman.
Prof. Schuurman is o.a. bijzonder hoogleraar Reformatorische Wijsbegeerte aan de Technische Universiteiten van Delft en Eindhoven en aan de Landbouwuniversiteit van Wageningen, en sinds enige tijd voorzitter van het Instituut voor Cultuurethiek.

In zijn meest recente boek gaat prof. Schuurman in op wat hij in zijn voorwoord noemt: ’geloof en wetenschap binnen de context van onze technische cultuur’. Het resultaat is een werk dat èn de geestelijke en wijsgerige achtergronden van onze huidige cultuur aan het licht brengt èn praktisch is in het pogen een uitweg te vinden uit een te ver doorgevoerde wetenschappelijk-technische cultuur. Want tijdens het lezen van dit boek wordt wel heel duidelijk dat we met zijn allen in deze cultuur leven.

’Oplossingen’ uit de geschiedenis
In het eerste hoofdstuk begint Schuurman met het uiteenzetten waarom de gelovige, de christen, van vandaag moeite heeft zijn of haar geloof een plaats te geven in de cultuur en de wetenschap. Het blijkt dat de betekenis van het Koninkrijk van God meer en meer wordt buitengesloten in ons denken en doen; we leven in een godloze cultuur en werken met een godloze wetenschap. Vervolgens confronteert Schuurman deze constatering met het christelijk geloof, zodat onderstreept wordt dat niet het denken het ’zijn’ bepaalt, zoals in de wetenschap nogal eens wordt gesuggereerd.
Interessant is de beschrijving van een aantal oplossingen die in de geschiedenis van het christendom zijn ontstaan voor de verhouding tussen geloof en wetenschap. Eén van de oudste oplossingen is die van de ’bekroningsleer’; het concept van Thomas van Aquino waarin het terrein van de natuur (filosofie en wetenschap) wordt aangevuld (bekroond) met het terrein van de genade (het geloof). Het nadeel is dat er spanning blijft bestaan binnen de voorgestelde synthese, want ook aan wetenschap kan een geloof ten grondslag liggen.
Een tweede oplossing, die veel op de vorige lijkt, is die van een boedelscheiding tussen geloof en wetenschap.
Hierbij wordt niet geprobeerd het één het ander te laten aanvullen, maar om geloof en wetenschap apart naast elkaar te laten bestaan. De gespletenheid die inherent aan deze oplossing is, is meteen het grote nadeel van deze oplossing. Tenslotte noemt Schuurman de ’fundamentenleer’, waarin het wetenschappelijk bouwwerk gefundeerd wordt op christelijke beginselen.

Geloof reguleert het denken
Na deze historische uiteenzetting bespreekt Schuurman een andere oplossing: het geloof reguleert het denken.
Dus niet het denken is het centrum van de mens, maar het hart, want vanuit het hart zijn de uitgangen van het leven (Spr. 4: 23). Het geloven werkt op de achtergrond van alles wat we doen, dus ontsluit (en begrenst!) het ook ons wetenschappelijk denken en handelen en geeft wetenschap ook haar zin (het tonen van de almacht en wijsheid van God).
Aan het eind van het hoofdstuk wordt ook nog stilgestaan bij de verhouding wonder-natuurwetenschappen. Volgens prof. Schuurman herkennen we in het wonder de oorspronkelijk bedoelde orde of wet van het Koninkrijk van God, wat de geslotenheid van het wetenschappelijk wereldbeeld doorbreekt.

Technische heilsverwachting
In de hoofdstukken 2 tot en met 5 bespreekt prof. Schuurman de invloed van het technische denken op ons westerse denken, dat eigenlijk een beheersingsdenken is. We vinden dit bijvoorbeeld terug in de opvattingen van zowel evolutionisten als creationisten; beide kampen pretenderen de geschiedenis van de werkelijkheid in één model te kunnen weergeven. Schuurman kiest in dit debat dan ook voor de ’wijze onwetendheid’, je mag best een aantal vraagtekens laten staan. Volgens hem geldt iets dergelijks ook voor de (christelijke) filosofie. De filosofie kan geen antwoord geven op grondvragen (bijv. wat is leven of tijd?) en geen oplossing geven voor grensproblemen (zoals scheiding en samenhang van het unieke en het universele).
Dat de moderne techniek een synoniem wordt voor de beheersing is versneld met de intrede van de scheiding tussen ontwerpen en technisch vormen. Het ontwerpen werd (en wordt) steeds meer bepaald door de wetenschappelijke ontwerpmethode, die eigenlijk een beheersmethode is. Maar juist dankzij deze methode heeft de ontwikkeling van de moderne techniek ook een geweldige dynamiek doorgemaakt, waardoor de techniek ook andere cultuursectoren is gaan beïnvloeden, denk bijvoorbeeld aan de economie.
Dit hele proces van steeds verder gaande invloed van de techniek wordt technicisme genoemd. Technicisme is volgens Schuurman: de pretentie van de mens om als heer en meester met de wetenschappelijk-technische beheersmethode heel de werkelijkheid naar zijn hand te zetten om alle problemen, oude en nieuwe, op te lossen en om en groeiende materiële welvaart, dus vooruitgang, te garanderen. Vaak vormt het technicisme een siamese tweeling met het economisme. Je zou dus kunnen spreken van techniek als religie, een technische heilsverwachting dus.

Abstractie
Opvallend is dat Schuurman veel aandacht besteedt aan de rol van de abstractie binnen de wetenschappelijke (ontwerp-)methode. Bij abstractie bestaat namelijk het gevaar dat afgezien wordt van de samenhang en het onderhevig zijn aan verandering van onze ervaringswerkelijkheid en dat dus door de abstractie greep op de werkelijkheid gekregen kan worden en we haar naar onze hand kunnen zetten.
Een voorbeeld van het door het technicisme ingegeven beheersingsideaal is de vertechnisering van de menselijke voortplanting. Daarnaast zijn andere voorbeelden: het menselijk denken (zullen computers gaan denken?) en de maatschappij (cyberspace en virtual reality). Kenmerkend voor deze drie voorbeelden is de reductie van de mens en zijn samenleving tot een technisch, en dus beheersbaar, systeem.

Wijsgerige bezinning
Hoofdstuk 6 bevat een wijsgerige bezinning; er wordt een aantal moderne wijsgerige stromingen behandeld met hun visie op de voor- dan wel nadelen van de moderne techniek.
De voordelen vinden we vooral terug bij de positivistisch-pragmatisten (’techniek als motor van de vooruitgang van de cultuur’), de orthodox-marxisten (’de mens vindt zijn ware bestemming, de vrijheid, in de techniek’) en de systeemdenkers (techniek juist gebruiken om reductionisme tegen te gaan).
De existentialisten hebben vooral oog voor de nadelen van de moderne techniek.
Ze zien wetenschap en techniek als autonome, anonieme machten. Ook de neo-marxisten verzetten zich (revolutionair) tegen de ideologie van de technocratie.
Bekend zijn ook de aanhangers van de tegencultuur (fundamentele wijziging van het wetenschappelijk-technische wereldbeeld). Daarnaast kunnen postmodernisten (aanvaarden geen verantwoordelijkheid voor de gevolgen van de techniek), New-Agedenkers (afstand nemen van wetenschap en techniek, richten op de natuur) en naturalisten (natuur in plaats van technisch-wetenschappelijke cultuur) genoemd worden.
Kortom: een zeer pluriform gezelschap.
De conclusie is dat onze cultuur wordt gekenmerkt door de spanning tussen het vrijheidsideaal en het wetenschapsideaal.
Dit veroorzaakt een uitzichtloze, onderlinge verdeeldheid waarvan geen cultuurvernieuwing te verwachten is.

Is het christendom schuldig?
Is het christendom schuldig aan de zojuist geschetste invloed van technicisme op onze cultuur? Deze vraag wordt met een volmondig ’ja’ beantwoord door de meeste van de besproken moderne wijsgerige stromingen. In hoofdstuk 7 maakt Schuurman ons duidelijk dat het christendom in ieder geval mede schuldig is. Hiervoor hoeven we alleen maar naar onze eigen reformatorische traditie te kijken: de technische ontwikkeling is lange tijd en vrij algemeen, bijna kritiekloos geaccepteerd.
Zelfs Abraham Kuyper beschouwde in zijn Pro Rege de mogelijkheden van de techniek zelfs als grotere wonderen dan de wonderen van Jezus (sic!). Ook Kuyper vergat dus de bijbelse waarschuwing tegen het gevaar van de hoogmoed van de mens.
Gelukkig zien christenen tegenwoordig steeds meer in dat de huidige technische ontwikkeling samen met de economie ’het materialisme voedt, de christelijke spiritualiteit bedreigt en het (cultuur-) leven kortzichtig en oppervlakkig maakt’.

Hoop voor de toekomst
Is er een uitweg uit de macht van een ’verzwegen’ ideologie als het technicisme?
Prof. Schuurman wijst ons op het bevrijdende perspectief van het Koninkrijk van God. Heeft onze Heer Jezus Christus niet alle macht en komt Hem niet alle macht toe? Hij heeft immers over alle machten, dus ook over de cultuurmachten, gezegevierd aan het kruis. Hoe gaan we dan met dit in het achterhoofd aan het werk? Hoofdstuk 8 biedt daarvoor enige aanknopingspunten.
We zullen moeten zoeken naar nieuwe motieven; niet langer mag het streven naar macht het centrale motief zijn, maar de liefde. Concreet betekent dit dat het in de wetenschap om het groeien in wijsheid hoort te gaan, in de techniek om bouwen èn bewaren, in de landbouw om oogsten èn hoeden en verzorgen, in de economie om het rentmeesterschap en in de politiek om het dienen en bevorderen van recht en publieke gerechtigheid.
Vervolgens stipt Schuurman een aantal praktische ideeën aan, zoals het toepassen van ecologische landbouw. Ook besteedt hij aandacht de betekenis van het geloof als integrerende kracht in de cultuur.
Tenslotte, wat is dan onze hoop voor de toekomst? Laten we prof. Schuurman zelf aan het woord laten: ”Wij zullen evenwel de cultuur niet kunnen redden en heel maken. Dat doet God Zelf als Hij op de jongste dag intervenieert en alles nieuw maakt. Dan zal op een voor ons verrassende wijze blijken dat ook dàt werk, die wetenschap en techniek, in het herschapen heelal zal zijn opgenomen voor zover ze aan de zin van de schepping -het Rijk van God- beantwoorden.
Dat geeft hoop voor de toekomst!”

Conclusie
’Geloven in wetenschap en techniek’ is een boeiend boek over een actueel thema, waar ook in onze kerken eigenlijk meer aandacht aan besteed zou moeten worden. Het mooie van dit boek is dat het niet alleen blijft steken in een wijsgerige analyse, maar dat het ook een aantal praktische gevolgtrekkingen bespreekt.
Met name die hoofdstukken waarin de wijsgerige achtergronden en stromingen besproken worden (hoofdstukken 1 en 6) kunnen lastig zijn, maar mogen voor de primaire doelgroep, de techniekstudenten, eigenlijk geen probleem zijn.
Ook voor niet-technici is dit boek een aanrader!

Naar aanleiding van: Prof. Dr. Ir. E.
Schuurman: Geloven in wetenschap en techniek - hoop voor de toekomst; Buijten & Schipperheijn, fl. 35,95

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief