Persschouw
1999-03-19
Vuur en Vlam- Jaargang 43
- nummer 6
Op 24 november verscheen het boek Vuur en Vlam, deel 2, waarin door jonge historici een kritisch beeld wordt gegeven van de geschiedenis van een aantal van de eigen, Gereformeerd Vrijgemaakte organisaties. In Opbouw van 11 december stond er al een recensie over, van de hand van ds J. Bouma. In de slotzin van zijn artikel typeerde hij het als een opzienbarend boek.
Reacties vanuit Vrijgemaakte hoek hebben wat langer op zich laten wachten.
Maar vorige maand was het dan zover: zowel De Reformatie als Nader Bekeken hebben er uitgebreid aandacht aan besteed.
In De Reformatie wijdt drs G.J. van Middelkoop drie lange artikelen aan dit boek; ik citeer een aantal passages uit wat hij schrijft: ”Vuur en vlam” biedt veel interessant materiaal, maar de wijze van presenteren roept nogal wat vragen op. Moeten we dit echt als de betere geschiedschrijving zien? Die vraag gaat nog meer klemmen als je moet vaststellen, dat motieven en drijfveren volstrekt onvoldoende uit de verf komen. Doe je dan het verleden recht? Het ontstaan van de eigen Gereformeerd Vrijgemaakte organisaties plaatst hij vervolgens in het raam van hun tijd: in de jaren vijftig waren in brede kerkelijke kring de panelen aan het schuiven: Synthese, doorbraak, inclusief denken, oecumenische openheid gingen de toon zetten. () De vrijgemaakte kerken mochten met veel gekreupel door Gods genade op gereformeerd spoor blijven. En organisaties oprichten die dienstig waren aan echt gereformeerde, radicaal christelijke bezinning en actie. En hoeveel vragen dat ook opriep en met hoeveel beschamende moeiten dat ook gepaard is gegaan, er is alle reden om God dankbaar te zijn voor het vele goede dat Hij daarin en daardoor heeft gegeven.
Maar is het dan niet waar, zoals ”Vuur en vlam” stelt, dat de doorgaande reformatie, de beweging achter de oprichting van zo vele Vrijgemaakte organisaties, ook één van de redenen geweest is van de kerkscheuring rond 1967? Van Middelkoop: Ik denk, dat een onwijs omgaan met de vragen rond de doorgaande reformatie daarbij wel vertroebelend heeft gewerkt.
Maar de óórzaak van de moeiten lag dáár niet. Die lag in het streven van sommigen in de kerk om de breuk met de synodaal Gereformeerde Kerken weer ongedaan te maken - desnoods ’koste wat kost’. En in een streven naar minder strakke confessionele en kerkrechtelijke bindingen. De vraag was toen vooral: hoe willen wij een gereformeerde kerk zijn? Vandaag is er een hele hoop anders dan toen: Als kinderen van onze tijd hebben we vaak te weinig historisch besef. Weten wij genoeg van onze kerkgeschiedenis?
Stáán wij vandaag nog voor de Vrijmaking? Is ons kerkelijk besef niet aan het verzwakken, zodat je de Gereformeerde Kerken ziet als een van de varianten van gereformeerde kerken die er vandaag zijn? Of gaat het nog verder, en zien we de waarde van het gereformeerd-zijn niet meer zo scherp?
Dr. G. Harinck heeft ervoor gepleit om ”met begrip en mededogen” om te gaan met het eigen Vrijgemaakte verleden. Van Middelkoop is het daar ten dele mee eens: Als onze schets juist is, is er alle reden voor begrip. Of liever: voor een echt begrijpen, een besef van diepe geestelijke verwantschap met wat hen bezielde. En mededogen? Voor het menselijke, al te menselijke wel; voor hun principiële activiteiten zeker niet. Het is te hopen, dat ook jongeren vandaag het kunnen en willen opbrengen zich bij het kijken naar ons verleden eerst los te maken van de probleemstellingen die vandaag gelden. En zonder die bagage in onbevangenheid zich een zuiver beeld willen vormen van de opvattingen en motieven van toen.
Mij dunkt dat er wel wat te zeggen valt voor de benadering van Van Middelkoop. Er blijven voor mij wel twee vragen over: 1. Kun je de ontsporingen uit het verleden zo gemakkelijk loskoppelen van de principiële keuzen waar die ontsporingen toch minstens mee samenhingen, zo niet uit voortkwamen? Anders gezegd: is de ”doorgaande reformatie” verkrijgbaar zonder excessen?
2. Als je deze benadering toepast op het eigen verleden, is het dan niet fair om dat ook bij anderen te doen? Mag je dan niet ook begrip verwachten voor de opvattingen en motieven van hen die - net zo principieel - bezwaren hadden tegen de doorgaande reformatie? En is het terecht hen telkens opnieuw motieven toe te schrijven (bijv. koste wat kost de breuk met de GKN ongedaan willen maken), tegen het uitdrukkelijk getuigenis van de betrokkenen in?
Tot zover n.a.v. De Reformatie. Dan ook nog iets uit Nader Bekeken, een veel geharnaster (maand)blad binnen de Vrijgemaakte kerken. Zoals te verwachten is het oordeel over ”Vuur en vlam 2” hier heel wat ondubbelzinniger. A. Capellen beëindigt zijn artikel met het pleidooi van James Kennedy voor wat meer ironie in het omgaan met het eigen verleden: want Gods gedachten zijn niet onze gedachten, noch Zijn wegen onze wegen. Op deze manier zou je, volgens Kennedy, minder krampachtig met het verleden kunnen omgaan. Capellen moet daar niets van hebben: Het is moeilijk in te zien hoe ironie je kan helpen rustig te blijven als je er getuige van bent dat organisaties, die in het geloof zijn opgebouwd, worden afgebroken. Wie kan er met droge ogen kijken als zijn eigen huis in vlammen opgaat? En wie zou niet verontwaardigd zijn als hij tot de ontdekking kwam dat de brand door een van zijn eigen huisgenoten is aangestoken? Is het in zo’n situatie gepast een pleidooi te houden voor het gebruik van ironie?
Inderdaad: vuur en vlam...
M.H.T. Biewenga, Emmeloord