Kwalijke onderduikpraktijken

1998-06-26
  • Jaargang 42
  • nummer 13
„Daden die het daglicht niet kunnen verdragen” – een bekende uitdrukking. Iemand, die in het volle licht werkt, zal ervoor zorgen, dat zijn werk de ’toets van het licht’ kan verdragen.
Iemand, die het criminele pad opgaat, zal de nacht en de duisternis tot zijn domein maken. Zo spreekt de Here ook tot Nicodemus: „Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen, maar wie de waarheid doet, gaat tot het licht, opdat van zijn werken blijke, dat zij in God verricht zijn.” (Joh. 3:20-21).

De dag en de Dag
Ook Paulus ontleent wat hij hier zegt duidelijk aan de werkelijkheid van mensen die in het daglicht werken.
Maar tegelijk zien we, dat die heel gewone dag en dat heel gewone daglicht heel soepel overgaan in de grote Dag, waarop de Here komt om ook hetgeen in de duisternis verborgen is aan het licht te brengen (1 Kor. 4:5).
Het gaat er Paulus om, dat de Thessalonicenzen er bij al hun handelen aan denken, dat hun werken in het licht van die Dag zullen worden gesteld. Ze behoren immers toe aan de dag en aan de Dag! Ze zijn uit de wereld van het ongeloof geroepen tot de gemeenschap met Christus door het geloof.
Daarmee zijn ze overgebracht „in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde” (Kol. 1:15). Het licht van de komende Dag bestraalt hen reeds, ook bij hun leven in déze wereld. Hun werk moet de toets van dat licht kunnen doorstaan!

Nuchter zijn
Het trekt de aandacht, dat Paulus zijn bevel tot een leven bij en in het licht op deze wijze formuleert: Laten we nuchter zijn! Nuchter betekent toch zoveel als: Vrij van dronkenschap en roes, vrij van het verkeren in een onwerkelijke droomwereld, vrij van de narcose die men zichzelf kan aandoen. Waarom deze merkwaardige formulering?
Ik denk, dat we hier iets kunnen opsteken van een gebeuren in Paulus’ eigen levensgeschiedenis. Ik bedoel zijn ontmoeting met stadhouder Felix (Hand. 24). Pauls gaat in zijn apostolische ijver van de verdediging over in de aanval, als hij spreekt over Jezus Christus en daarbij ook over „rechtvaardigheid, ingetogenheid en het toekomstig oordeel” (vers 25). Felix is onder de indruk. Eigenlijk komt hier het licht van de Dag van Christus in zijn leven binnen! De Dag die alles aan het licht zal brengen! En dat terwijl rechtvaardigheid en ingetogenheid woorden en zaken zijn die in Felix’ woordenboek en leven niet voorkomen!
Felix wordt bevreesd! Goed zo, Felix! Nu nog even verder! Maar helaas, in zijn vrees stuurt Felix Paulus weg ... tot een volgende keer! Ziet u wat hier gebeurt? Felix ondergaat de claim van het licht van Christus’ Dag, de claim van het daglicht! En wat doet hij? Hij vlucht haastig terug.
In de duisternis. In het donker van zijn leven, in het donker van zijn ongerechtigheid en zijn grenzenloze levensgenieting! Hij ’verdooft’ zichzelf en zijn oren voor de boodschap van het licht. Simpel door Paulus tot zwijgen te brengen en hem weg te sturen! Hij haat het licht en gaat niet tot het licht. Hij draait zich om en gaat terug naar zijn duisternis! Akelig gemakkelijk! Ik denk ook aan wat Petrus zegt in het derde hoofdstuk van zijn tweede brief. Er zullen spotters komen, zegt Petrus. Zeer gevaarlijke spotters! Want ze spreken de ’tale Kanaäns’. Ze gedragen zich als mensen, die tevergeefs naar de Dag van Christus hebben uitgezien, maar die nu niet meer kunnen geloven, dat Hij komen zal (vers 3-4). De werkelijkheid is echter, at zij die komst van Christus helemaal niet willen. Zij kiezen voor een leven van zonde en van begeerte. En ze MOETEN dan ook wel afrekenen met de komst van Christus en met het toekomstig oordeel! Net als Felix. Maar gevaarlijker! Wolven met de huid van teleurgestelde schapen om zich heen!
Petrus zegt: Hoe kunnen ze denken, dat het oordeel niet komen zal? Hoe kunnen ze denken, dat de Here niet komt? Zou God, die – wat we allemaal weten – de oude wereld door de Zondvloed geoordeeld heeft, niet bij machte zijn nu te komen met het vuur van het laatste oordeel? Hoe komt het, dat die spotters dat niet inzien?
Op die vraag een onthutsend antwoord! „Willens en wetens ontgaat het hun...” (vers 5-7). Ze zien het niet, omdat ze het niet willen zien! De door zonde beheerste wil is een geweldige en dodelijke macht, een macht tot zelfverdoving, een macht tot zelf-narcose, een macht om de werkelijkheid van de werken van God en van Christus te ontvluchten! Nuchter zijn is: Weerstand bieden aan de zuigkracht van begeerte en zonde, aan de macht van de verleiding. Laat je je door die macht meeslepen, dan ga je de weg van Felix en van de spotters! Als een dronkeman, die in zijn roes de werkelijkheid niet meer ziet en is weggevlucht in zijn onwerkelijke duistere wereld! Voor dat kwaad waarschuwt Paulus. Wij behoren aan het licht toe! Daarom: Weerstand bieden aan de machten die je terug willen trekken in het duister, die de zonde weer op de troon van je leven willen zetten, die je blind maken en doof. Als een dronkeman. Als een drugsverslaafde!

Actualiteit
Het gevaar dreigt, dat we de Thessalonicenzen en Felix en de spotters van Petrus beschouwen als grootheden, die ’ver van ons bed’ gesitueerd zijn! Dat is helemaal onjuist! Ik herinner me verscheidene gesprekken, waarin de eerste spreker zijn overtuiging omtrent de spoedige komst van Christus naar voren bracht, waarin vervolgens een tweede spreker aanvoerde, dat men die spoedige komst in de geschiedenis al zo vaak had verondersteld – in het jaar 1000, in het jaar 12000... – en dat daar niets van uitgekomen was. En toen deed het feit zich voor, dat de klem en de claim, die de eerste spreker op het gezelschap had gelegd, door het gezegde van de tweede spreker weer gebroken bleek te zijn en men ’opgelucht’ herademde! Was dat laatste eigenlijk niet een eerste stap op de weg van Felix en de spotters, een eerste stap op een weg die wel ’nuchter’ leek maar in werkelijkheid toch terugleidde naar duisternis en verdoving? Zijn ook wij soms opgelucht als we ons kunnen afmaken van de claim van Christus’ Dag?
Meerdere malen heb ik aan het einde van een vermaangesprek een ’Felixantwoord’ ontvangen: Dominee, ik zal er ernstig over denken! Een verzoek om voor dit maal maar heen te gaan!
Misschien voelen we ons wel veilig, omdat we geen excessen in de zin hebben. Geen moord, echtbreuk, diefstal!
Maar waarom dan toch die neiging de Dag van Christus op een afstand te houden? Waarom dan toch vaak die eerste stap op de narcose-weg? Is het misschien onze zonde, dat we de reis naar het beloofde land niet willen volbrengen, omdat de palmbomen en de bronnen in de woestijn-oase (Elim – Ex. 15:27) ons vasthouden? Houden we in een krampachtig begeren vast wat God de Here ons gegeven heeft als ’reisgeld’ voor de tocht naar het volkomen Koninkrijk? Ons ingraven in wat we nú hebben, nú krijgen kunnen! Niet willen opbreken!
De Dag toch niet willen toebehoren! „Och, ze hebben altijd al gedacht, dat die Dag eraan kwam!” Zelf-verdoving voor Gods werkelijkheid! Maar we behoren toch wél aan die Dag toe? Laten we dus nuchter zijn...!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief