Was Lukas een betrouwbaar historicus?

1999-04-02
  • Jaargang 43
  • nummer 7
We zullen onze voorbeelden uitsluitend aan Handelingen 13-28 ontlenen, die Paulus’ reizen betreffen, en zich lenen voor veronderstelling dat Lukas intieme kennis van plaatselijke omstandigheden bezat. We zullen opmerken dat bewijsmateriaal sterk aanwezig is in de zgn. ’wij-passages’, maar ook daarbuiten aanwezig is. In een aantal gevallen moet specifieke bekendheid met plaatselijke omstandigheden die door sommige geleerden voor de schrijver van Handelingen opgeëist wordt, echter ontkend worden.”
Colin Hemer1

Op grond van correct vermelde plaatselijke bestuurs-titulatuur moet men Lukas een ’betrouwbare getuige’ achten, betoogde ik in het vorige artikel.
Dat lijkt me ook het geval met beschrijving van plaatselijke situaties, kennis van de terreingesteldheid en topografie van de plaatsen die Paulus en zijn reisgezelschap bezochten, etc. Daarvan zeg ik niet dat we alleen op grond van dit soort gegevens de Schrift betrouwbaar moeten achten, maar meen dat het toch goed is om dat te constateren.
In dit artikel ga ik vooral in op de uitbundige hoeveelheid gegevens die we in het werk van de Brit dr. Colin Hemer aantreffen. Deze al weer tien jaar geleden overleden geleerde heeft zich zeer nauwgezet beziggehouden met vragen van aardrijkskundige, politieke en culturele, religieuze aard. Wat weten we van de situatie in het Romeinse Rijk, de Hellenistische religies, politieke ordening, etc.? Honderden pagina’s lang houdt z’n The Book of ACTS in the Setting of Hellenistic History zich daarmee bezig. Vooral de ’wij passages’ (vanaf Handelingen 16:10, waar dat woord ’wij’ het eerst opduikt 3) suggereren kennis die alleen ter plekke verkregen kan zijn, tenzij men aan heel ingewikkelde redenaties de voorkeur geeft om tot alternatieve duidingen te komen.

Philemon en Baucis
Voordat ik een aantal notities van hem overneem eerst echter een interessant, en in de Oudheid bekend, verhaal over een uitermate trouw echtpaar Philemon en Baucis, die in heidense termen waren wat Zacharias en Elizabeth in Joodse termen waren: „ze leefden naar alle geboden en eisen, onberispelijk”.
„Op de heuvels van Phrygië staat een eik dichtbij een linde. Niet ver hiervandaan ligt een moerassig gebied waar vroeger mensen woonden, maar nu slechts duikertjes en waterhoentjes leven. Eens bezocht Jupiter in menselijke gedaante dit land, in gezelschap van Mercurius. Bij wel duizend huizen klopten ze vergeefs aan voor onderdak.
Slechts één schamele hut, bedekt met strohalmen en moerasriet, was bereid hen op te nemen. In dit huis waren Philemon en Baucis samen oud geworden, in bittere armoede, maar omdat ze daar eerlijk voor uit durfden te komen, was het hun niet zwaar gevallen die te dragen. Toen de goden gebukt door de deur naar binnen waren gegaan, schoof de oude man onmiddellijk een stoel aan, waarover heen zijn vrouw Baucis nog vlug een kleedje spreidde. Het haardvuur werd aangewakkerd met droge bladeren en boomschors en door blazen tot vlammen gebracht. Groenten uit eigen tuin werden in een koperen ketel boven het vuur gekookt. Met een gaffel haalde Baucis een zwartgeblakerde varkensrug, die aan een balk hing, naar beneden en sneed een stukje van het zorgvuldig bewaarde vlees af en liet het meekoken in het water. Intussen ontspon zich een levendig gesprek. De matrassen, gevuld met zeegras, werden alvast opgeschud en op het bed van wilgehout gelegd. De dekens, die alleen op feestdagen werden gebruikt, kwamen nu te voorschijn. De goden gingen aan tafel. De derde poot was ongelijk; met een potscherf was het euvel gauw verholpen. Baucis veegde de tafel af met kruizemunttakjes. Tweekleurige vijgen werden erop gezet en herfstkornoeljes, bereid in wijnmoer.
Andijvie, radijs, zachte kaas, eieren verwarmd in as, alles opgediend in aarden potten. Ook een mengvat van hetzelfde soort zilver en bekers van beukehout werden op tafel gezet. Weldra was de maaltijd boven het vuur gereed.
Jonge wijn dronk men erbij en tenslotte volgde zelfs een nagerecht. Noten, vijgen, dadels, appels en peren, druiven en honing werden aangeboden.
Opeens merkten Philemon en Baucis dat het mengvat zich vanzelf weer vulde. De wijn groeide uit eigen kracht aan! De oudjes waren verbijsterd en formuleerden gebeden.
Ze vroegen uit angst vergeving voor de sobere maaltijd. Ter bewaking van hun huisjes was er een enkele gans, die ze voor de gasten wilden slachten. Het beest was de twee ouden te vlug af en wist telkens te ontkomen. Toen grepen de hemelbewoners in en zeiden: „Wij zijn goden, de harteloze buren zullen hun verdiende straf krijgen, maar jullie zal geen haar gekrenkt worden. Gaat met ons mee naar buiten de bergen in.” Beiden gehoorzamen en steunend op hun stok beklimmen ze moeizaam de heuvelrug.
Toen ze nog een pijlschot afstand van de top verwijderd waren, draaiden ze zich om en zagen dat alles beneden onder water was gelopen; slechts hun eigen huisje was overeind blijven staan, maar veranderde plotseling in een tempel. Daarop sprak Jupiter: „Zegt wat jullie wensen, het zal je gegeven worden.” Philemon overlegde even met Baucis en sprak vervolgens: „Wij willen priesters zijn in jullie tempel en omdat wij altijd in harmonie hebben geleefd, willen wij in hetzelfde uur sterven, opdat ik nooit het graf van mijn vrouw hoef te zien noch door haar begraven zal worden.” Hun wensen gingen in vervulling, want toen ze in de tempeldienst stokoud waren geworden, kregen ze tegelijk bladeren en takken.
Tot op de huidige dag toont men in dat land twee bomen die vlak naast elkaar staan.” Zo staat te lezen in een bekend boek uit de Oudheid, de Metamorphoses (Gedaanteverwisselingen) van Ovidius.
2 Het gaat dus om goden die in mensengedaante op aarde gekomen waren; in de door hen gekozen vermomming worden Zeus en Hermes (in Latijn Jupiter en Mercurius) niet herkend en alleen door godvrezende mensen als Philemon en Baucis fatsoenlijk ontvangen.
Ook Lot en de engelen die Sodom bezoeken krijgen hier een heidense parallel.
Zeer interessant is daarom het relaas in Handelingen 14:1-18, waaruit blijkt dat de provinciale types (die alleen Lykaonisch spreken en door de anderen niet verstaan worden) bang zijn voor een nieuw bezoek van de goden, die zij opnieuw verkeerd zouden behandelen. Ze komen met hun loeiende en bekranste vee aan op de plaats waar Paulus en Barnabas verkeren; dezen raken van dat religieuze gedoe enigszins in paniek, lijkt het wel.
Het is een aardige illustratie van een religieuze cultuur die ’betrouwbaar overkomt’.

Juiste aardrijkskundige weergave
Ik volg Hemer op enkele van zijn paden, meest in mijn woorden, overigens.
13:4,5 Een natuurlijke overtocht van correct aangegeven havens wordt gemeld. De berg Casius, die ten Zuiden van Seleucië ligt, is binnen gezichtsbereik van Cyprus.
Ook in 20:14-15 is de volgorde van plaatsen geheel correct.
21:3 Ooggetuigenverslagen maken melding van deze route over open zee ten Zuiden van Cyprus, ongetwijfeld door de gestaag waaiende Noordwestelijke winden bevoordeeld.
16:11 Samothrace vormt een opvallend markeringspunt voor zeelui (”sailors landmark”) met zijn hoog uitstekende berg van 1500 m.
16:11 In goed seizoen had je, vanwege gunstige winden, voor de reis van Troas naar Macedonië slechts twee dagen nodig; voor de terugweg naar het Zuiden had je de wind tegen, dus duurde die zeereis vijf dagen (20:6).
21:5 Het woord aigialos (strand) beschrijft correct het gladde karakter van de kust bij Tyrus, als tegengesteld aan aktè, dat voor een rotsachtige kust gebruikt wordt.
Dat de Olijfberg op een sabbatsreis afstand van Jeruzalem ligt (1:13) is correct.
21:31 Er is een verwijzing naar een permanente stationering van een Romeins cohort (tagma) in de burcht Antonia, met specifieke verantwoordelijkheid om enige ordeverstoring ten tijd op tijd op het spoor te komen en te onderdrukken. Zie Flavius Josefus: De Joodse Oorlog. De trap die door de militairen gebruikt wordt (Handelingen 21:35,40) komt specifiek bij Josefus voor.
16:1 Derbe en Lystra worden in de juiste volgorde vermeld, als men deze steden over land benadert, via de Cilische Poort; dat is ook de meest waarschijnlijke route is die Paulus gevolgd is.
14:6 Iconium zou niet in Lykaonië gelegen hebben, terwijl door geleerden vaak is gesteld (op grond van bronnenmateriaal dat grenswijziging en verandering in omstandigheden in een andere periode beschrijft) dat die weergave van Lukas onjuist is. De invoeging ervan bij het volk van de Frygiërs (en niet van de Lykaoniërs) wordt nu bevestigd door de geografische verspreiding van Neo-Frygische teksten.
14:6 ”De bizarre (grammaticale) verbuiging van de naam Lystra (de accusativus enkelvoud ’Lustran’ in Handelingen 14:6,21; 16:1en de dativus meervoud ’Lustrois’ in 14:8; 16:2; 2 Tim.3:11) wordt in het Latijn van de documenten weerspiegeld.” (Hemer maakt daarbij wel een filologisch voorbehoud, p. 110) 14:11 In Lystra werd Lykaonisch gesproken, een taal die Paulus en Barnabas kennelijk niet verstonden; ze bleken zeer verrast door de wending die de gebeurtenissen daar namen!
Het gebruik van een inheemse taal was ongebruikelijk in de kosmopolitische Hellenistische samenleving, waarin Paulus zich bewoog. Als een Romeinse kolonie in een minder ontwikkeld deel van Anatolië behield deze stad echter kennelijk de eigen taal (het bestaan van die taal is elders alleen opgetekend in een gloss van een zekere Stefanius van Byzantium.)
16:8vv. geven terecht aan dat Troas in het communicatienetwerk een belangrijke rol speelde.
In 16:11 wordt Troas genoemd als een plaats waar men op schepen naar vele verdere reismogelijkheden kon ’overstappen’. Troas was een spil in ’t Romeinse communicatienetwerk.
Oponthoud alsook plotseling uitvaren had direct te maken met verandering van al-of-niet ongunstige wind. In de lotgevallen (rond het jaar 110) van de martelaar Ignatius van Antiochië is een soortgelijke situatie het geval geweest.
Filippi wordt in 16:12 terecht beschreven als Romeinse kolonie, zoals overvloedig bevestigd wordt in voornamelijk Latijnse inscripties, met de expliciete titels en magistraturen van een kolonie.
Na de belangrijke slag bij Filippi van 42 v.Chr. waren speciale voorrechten door Octavianus (later keizer Augustus) aan de stad verleend. De erbij horende haven wordt correct ’Nea Polis’ genoemd, wat in de beste handschriften eveneens met twee woorden geschreven wordt. Het huidige Kavala heette vroeger dus ’Nieuwe Stad’, zoals vele andere steden in het Romeinse Rijk.
De uitleg van de term meris (’deel’) in 16:12 is nogal moeilijk vanwege uiteenlopende manuscript-versies; in elk geval werd de ’verdeling’ van Macedonië (de streek waartoe Filippi behoorde) door dit specifieke woord aangegeven. Het behoorde tot de ’eerste’ van de vier merides, wat precies aansluit bij de Griekse woorden prootès meridos...” Dat Thyatira een centrum van verfindustrie was (16:14) blijkt uit ten minste zeven inscripties, die in die stad gevonden zijn. Volgens Hemer, die uitzonderlijk veel detailkennis over de meest uiteenlopende zaken bijeen heeft gebracht werd het purper in Thyatira gewonnen uit een meekrapwortel en niet van de in zee levende purperslak.
Het gebruik van deze verfstof in die streek is tot in onze eigen eeuw gedocumenteerd.
(114) Zo gaat Hemer maar door, honderden pagina’s lang, vrucht van uiterst nauwgezet onderzoek dat de laatste opgravingsgegevens wil integreren in het verstaan van tijd en plaats; soms zijn de zaken wel definitief beslist, meestal in het voordeel van Lukas maar sommige zaken staan nog uit en weer andere blijven om de een of andere reden problematisch. Die laatste categorie lijkt me een kleine groep teksten.
is

En dus...
Wat blijft er dan over? De gedachte dat de historiciteit van ’t boek Handelingen m.i. zeer hoog moet worden aangeslagen!
Dat is niet hetzelfde als Lukas’ historische betrouwbaarheid tav zijn Evangelie (is een apart onderwerp), laat staan betrouwbaarheid van de hele Bijbel! Dat is totaal ander thema, van gigantische proporties. Daarover kan ik (leek als ik ben) heel weinig zinnigs zeggen. Over dat ene kleine onderwerp Handelingen, dat me zo aan het hart ligt, meen ik echter wel te kunnen zeggen: mensen, laat je door allerhande kritische benadering niet te gauw je vrijmoedigheid afnemen. Wie weet valt het wel érg mee. Dat denk ik, en daarom heb ik dat maar eens opgeschreven.

Noten:
1. Colin Hemer, The Book of ACTS in the Setting of Hellenistic History; J.C.B. Mohr, Tübingen; 1989; pp. 108, 109.
2. Boek VIII van Ovidius. Metamorfoses.
naverteld door dr. G.M.A. Pepermans; Het Spectrum, Utrecht; 1978 (Prisma 1823); pp. 90-92 3. De zgn. ’Westerse tekst’ heeft ook nog een ’wij’-passage in 11:28; de indruk wordt gewekt dat de schrijver in Antiochië ook bij de gebeurtenissen aanwezig was en misschien uit die stad afkomstig was. In een versie in het Armeens, opgenomen in een oud commentaar van Efrem de Syriër, staat te lezen: „Maar ik, Lukas en die bij mij waren, scheepten ons in”. Zie F.F.Bruce, The Book of the Acts; boek over Handelingen in de serie ’The New International Commentary on the New Testament’; Eerdmans, 1988; p. 385 (noot 31).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief