Wérking en (onbewuste) tégenwerking van de Geest

1998-06-26
  • Jaargang 42
  • nummer 13
De Pinksterbeweging is voor de kerken weer voorbij, en in dank hebben wij de belofte van onze Heiland weer herdacht: „Ik zal u niet als wezen achterlaten, maar de Trooster zenden, Die u in alle waarheid leiden zal!” En ook nu mogen wij die werking van die Geest weer zien en ervaren.

Werking van de Geest
Immers, wanneer wij in de pers: (OPBOUW en de Dagbladen) lezen hoe men als kerken naar elkaar „verlangt” en „bewogen” moet uitspreken dat samengaan (nog) niet kán, dan spreekt uit dit ’verlangen’ en ’bewogen’ zijn toch de werking van de Geest! Het is toch de boze niet die deze gesteldheid in het hart van Gods volk werkt?! We mogen toch aannemen dat zulk ’verlangen’ en ’bewogen’ zijn geen loze lippentaal is, maar een oprechte met liefde gelade mening! En wanneer onze Heiland bidt: „Opdat zij allen één zijn”, dan kunnen wij die eenheid (van gevoelen) daarin dankbaar constateren. Maar zou onze Heiland als de Koning der Kerk niet méér gewild hebben dan alléén dit ’gevoelen’? Zou Hij niet willen dat dit gevóélen werd omgezet in dáden?
’Eénheid’, opdat de wereld gelove dat de Vader Zijn Zoon in deze wereld gezonden heeft, om Zich een gemeente ten eeuwigen leven te vergaderen. Zou God geen groter eer van de wereld ontvangen, als deze zou opmerken: „Ziet hoe lief zij elkaar hebben”, in plaats van te schampen: „is dát een houding, de Kerk waardig?” O, mocht de gesteldheid van verlangen náár en bewogen zijn mét de gescheidenheid gestalte krijgen in een heerlijk samengaan tot eer van de Heer en Bouwmeester der Kerk!

Zwakheid door twijfels en angst
Ik begin met te erkennen dat al ons doen en laten met zonde en zwakheden gepaard gaan.
Het verlangen naar eenheid en de bewogenheid daartoe te komen, is ook aan die zwakheid onderworpen. Wanneer Christus u vrijgemaakt heeft, waarom zijn wij als kerken dan zo beducht voor die vrijheid? Het is toch voor iedereen die de Kerk liefheeft zo overduidelijk, dat in de kleine oecumene, zoals men de G.K.V., de C.G.K. en de N.G.K. wel aanduidt, de pijn over de gescheidenheid overheerst?
Waarom doen wij allen dan de deur voor een samen optrekken steeds weer op slot? Wij willen toch niets liever dan de heling van de geslagen breuk? Uit de eerder genoemde emotionele gesteldheid concluderen wij toch een broederband, ja sterker nog, een band aan onze Heer? En die band mag toch door geen twijfel of angst doorbroken worden? Waarom wordt steeds opnieuw door wantrouwen de toenaderingsdeur tot elkaar afgegrendeld? Want met alle verschillen die er zijn, en die ook in álle kerken van de kleine oecumene zich manifesteren zoals: gebrek aan principialiteit, veronderstelde afwijkingen van de belijdenis, de openstelling van het ambt voor de vrouw, liturgische vrijheden enz., kan en mag men elkaar niet beschuldigen van het Evangélie af te wijken. En dát is het toch waar het om gaat?! „Niets anders te weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd”.
Kan dan iemand van de genoemde kerken de kracht opbrengen om die ene stap naar de ander toe te wagen?! Laat ieder kerkgenootschap als hierin genoemd zichzelf eens beproeven of haar houding, hoe goed ook bedoeld, het werk van de Geest niet belemmert, en wij de grote Bouwmeester en Heer van de Kerk niet voor de voeten lopen!

Tegenwerken van de Geest
Neen, onze twijfels en angsten mogen nooit de oorzaak zijn van het zich voor elkaar afsluiten. En als wij zeggen dat ons gescheiden optrekken ons pijn doet, dat er ook een sterk en biddend verlangen in ieder van onze kerken leeft om de eenheid in Christus te belijden en beleven, dan kan dat niet anders zijn dan dat de Geest in onze kerken aan het werk is. Maar dan moeten wij ook die Geest aan het werk láten.
Onze twijfels en angsten, onze vooroordelen moeten wij loslaten en tot dáden overgaan. Waarom is het nog steeds zo moeilijk, om die éne stap met onze broeder- of zusterkerk te gaan? En waarom wordt er nog zo vaak gezegd: Ook die ander moet nu maar eens een stap naar óns toe doen? Het is toch niet ónze Kerk?
Zongen we het vroeger niet al: „’t Is Uwe zaak o Hoofd en Heer, de zaak waarvoor wij staan”. O zeker, het is Zíjn Kerk, Zíjn gemeente maar Hij werkt door middel van ménsen. Laten wij dus elkaar niet opnieuw gaan bínden, want waar de Geest des Heren is, daar is vríjheid en liefde tot elkaar. In die van Christus ons geworden vrijheid past geen zelfhandhaving, geen twijfel of angst. Laten wij dus als door de Here verantwoordelijk (gestelde) mensen, door Hem met een ambt bekleed, niet alleen bídden om, maar ook wérken naar de door Christus zo begeerde eenheid. Misschien zal de Koning der Kerk, als wij oprecht bidden én werken, Zélf de deuren die wij zo krampachtig gesloten houden, tot Zijn eer en tot vreugde van al de Zijnen ontsluiten. God geve het.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief