Reacties op: kinderen en de kerkdienst

1998-06-26
  • Jaargang 42
  • nummer 13
Het thema van het congres van het (vrijgemaakt-) Gereformeerd vormingsinstituut GVI was: Kind en eredienst. Op de achtergrond speelde de vraag: apart of samen? Moeten de kinderen de hele kerkdienst meemaken of kunnen ze een deel van de dienst naar een bijbelklas? In dit nummer van Opbouw wordt ingegaan op enkele reacties naar aanleiding van de serie over de plaats van kinderen in de eredienst1.

Veel discussies binnen de plaatselijke Nederlands Gereformeerde kerken gingen over de vraag of de kindernevendienst een aanvaardbare keus is. Een aantal kerken binnen ons kerkverband heeft gekozen voor de vorm van de kindernevendienst. De kinderen zijn tijdens (een gedeelte van) de kerkdienst in een andere ruimte. In andere gemeenten heeft men op principiële gronden bezwaar tegen het apart ’zetten’ van de kinderen. En er zijn ook gemeenten waar men nauwelijks heeft nagedacht over dit thema. Dat laatste is zeer betreurenswaardig. De tijden zijn veranderd; we worden wel gedwongen om ons te bezinnen op dit thema. Wie nu nog denkt dat er niets behoeft de worden veranderd aan de vormgeving van de eredienst vaart – om de terminologie van Dr. R.R. Ganzevoort op de Ontmoetingsdag 1996 te hanteren – super de luxe op de Titanic. We hebben het gezellig, de dominee preekt bijbelgetrouw, maar ondertussen varen we onze ondergang tegemoet.

Apart of sámen?
Een Opbouw-lezer schreef naar aanleiding van de serie dat ze bezwaar heeft tegen het apart aandacht geven aan de kinderen. Ze vroeg zich af of er niet een ander probleem speelt in onze kerken: het gebrek aan eerbied voor Gods Woord. En dat gebrek aan eerbied komt ook tot uiting in de onrust tijdens de dienst, het opsteken van een sigaret voordat je het kerkgebouw uit bent, in het dragen van een rafelig T-shirt met de naam van een café bij het aangaan aan het Heilig Avondmaal. Bovendien zo suggereert deze schrijfster, zou er wel eens een verband kunnen bestaan tussen het houden van kindernevendiensten en de latere kerkverlating. De kinderen wennen namelijk niet meer aan de ’gewone’ kerkdienst.
In veel Nederlands Hervormde en Gereformeerde Kerken was de kindernevendienst in de jaren ’60 gemeengoed geworden. Juist in de kring van die kerken verschenen in de jaren ’80 echter weer publicaties die een pleidooi vormden om de kinderen bij de ’gewone’ kerkdienst te betrekken2, 3. Wel zou de liturgie dan beter op de behoeften van de kinderen moeten inspelen. Het betoog van drs. De Bruyne op het GVIcongres bewoog zich ook in deze richting. Vanuit het oogpunt van de godsdienstsocialisatie (het leren meedoen) is dat ook een zeer te verdedigen visie. Vooral de Joods-orthodoxe traditie heeft op dit punt zijn sporen verdiend: betrek de kinderen maar van jongs af aan bij de godsdienstige tradities, thuis, onderweg en in de Synagoge. Maar: om zover te komen zullen we de kinderen moeten inschakelen in plaats van hen uit te schakelen. Want dat is waar mevrouw R. Vrijmoeth-de Jong naar verwijst4. De kinderen leren om niet te luisteren. De preek begint en je ziet aan de zithouding vaak al dat de gedachten van kinderen en jongeren op dat moment weg dwalen. Trouwens: niet alleen van het jonge deel van de gemeente.... Moeten we eindeloze discussies voeren over de keus: apart of sámen? Naar mijn mening is dat niet de belangrijkste vraag. Waar alles om draait is de vraag: hoe betrekken we onze jonge leden bij datgene wat we zelf als het allerbelangrijkste zien in ons leven? Er zijn pedagogische en theologische overwegingen om te zeggen: de kinderen horen bij de (hele) kerkdienst.
Er zijn didactische overwegingen voor de stelling dat we kinderen beter bij het geloof betrekken als ze een deel van de dienst apart aandacht krijgen. Er bestaat niet één oplossing die altijd het beste is.

Eerbied
Bij het christelijk geloof past een heilige eerbied voor onze hemelse Vader. Dat mag in onze kleding en in onze houding tot uiting komen. Maar: het is tegelijkertijd ook de buitenkant. Kinderen voelen heel goed aan hoe ouders van binnen uit tegenover het geloof staan. Als er bij de ouders geen sprake is van een diep doorleefd geloof, heeft dat invloed op kinderen. En als we het thuis alleen maar hebben over de slechte preek, over het gedrag van zuster Van Dam, over het aantal liederen dat weer moest worden gezongen, laat dat sporen bij de kinderen na. We hebben het over een blij evangelie, met als kern de vergeving, maar daaronder ligt een laag van gespannen verhoudingen.... Laat iedereen op dit punt „zijn eigen hart beproeven”.
Waar gaat het nu werkelijk om in ons leven? We mogen ons dus niet blind staren op de buitenkant van mensen.
Wat de onrust tijdens de kerkdienst betreft: als we kiezen voor het betrekken van de kinderen bij de dienst zal het inderdaad tijdens de dienst onrustiger zijn. Sommige kinderen kunnen goed stil zitten; er is ook een groeiende groep kinderen met concentratiestoornissen: zij zijn niet in staat om lang stil te zitten en te luisteren. Voor wie rust wil is de meest ’veilige’ oplossing: hou de kinderen buiten de kerkdienst. Maar dat is een ’oplossing’ waar hopelijk niemand op zit te wachten. Tegelijkertijd kan in deze vraagstelling het spanningsveld worden geproefd tussen een gemeenteleden die vinden dat de kerkdienst vooral bedoeld is als ontmoetingsplaats tussen gemeenteleden en broeders en zusters die vinden dat de kerkdienst vooral eerbied moet laten zien voor een heilig God. Wie meer de nadruk legt op de onderlinge ontmoeting zal zich meestal niet zo gauw storen aan onderlinge gesprekken voor de dienst of aan spontane gebeurtenissen tijdens de dienst. Of er een verband bestaat tussen kindernevendiensten en latere kerkverlating?
Dat lijkt mij een te boude stelling. Het antwoord op de vraag waarom jongeren de kerk verlaten is veel complexer dan deze vraag suggereert.

Geen concrete handvatten
Een gemeentelid dat nauw betrokken is bij kindernevendiensten was van mening dat de serie onder de maat is, omdat er geen concrete handvatten worden gegeven. Dat klopt, want de serie is vooral bedoeld om een denkrichting door te geven (wel zullen er in het volgende nummer enkele aspecten nader worden toegelicht). Laten we alles bij het oude, omdat we dat zo gewend zijn? Of stellen we ons de vraag of we nog wel op deze oude voet verder kunnen gaan, met het oog op de toekomst van de jongere leden van de gemeente? Zelf ben ik overigens beducht voor het geven van al te concrete handvatten. Niet alleen omdat ik daarvoor niet de meest aangewezen persoon ben, maar vooral omdat die handvatten ons denken te gemakkelijk af kunnen leiden. We gaan het dan meer over de vorm dan over de inhoud hebben. In dezelfde richting beweegt zich een bijdrage van Ds. G. de Lange in het Nederlands Dagblad. Hij ontdekte, naar aanleiding van een preek over Marcus 7 (God dienen met een rein hart) dat de gemeenteleden geen verbinding wisten te leggen tussen de inhoud van de preek en wat je als mens denkt, doet en voelt. Vervolgens gaat hij in op de liturgische vormen binnen de kerkdienst.
Daar kun je je als gemeentelid veilig bij voelen, maar „deze vormen kunnen ook een wollige en warme deken zijn die verstikkend werkt voor het levend geloof”. De Lange schrijft in zijn bijdrage over een nieuwe vrijgemaakt-Gereformeerde bijdrage over de liturgie, waar hij zeer kritisch tegenover staat, omdat deze liturgie kan leiden tot een passief aanhoren van formules5. Mijn zorg ten aanzien van het zoeken naar nieuwe vormen van de eredienst (ook voor de kinderen) is in feite uit dezelfde achtergrond geboren: je kunt zó bezig zijn met de vorm, dat de inhoud vergeten wordt. Daarbij staat slechts één vraag centraal: hoe brengen we als gemeente de grote en de kleine schapen van de kudde dichter bij de Goede Herder? Iedereen zal in zijn of haar eigen gemeente moeten zoeken naar een manier die het beste bij die plaatselijke gemeente past.
In een gemeente als De Hoeksteen in Amsterdam Noord (met allochtone kinderen in de kerkdienst) zal die vorm anders zijn dan in een dorp met alleen ’eigen’ kinderen.


Het actief betrokken worden in de eredienst, het mogen optreden, het toekennen van een actieve plaats in wat voor vorm dan ook, stimuleert bij de kinderen het gevoel erbij te horen. Het is van groot belang voor de toekomst van onze kinderen. Zij moeten de kerkdienst kunnen ervaren als een levendige en levende gemeenschapsoefening. Negatieve ervaringen in de kerk en een gebrek aan verbondenheid met de kerk vormen voor kinderen de basis voor het later slechts individualistisch geloven, voor een kerkelijke ik-cultuur. Wie ertoe wil bijdragen dat kinderen zich ook daadwerkelijk inzetten voor de kerkelijke gemeenschap zal hen al jong de ruimte moeten bieden om spontaan, gemotiveerd en actief bezig te kunnen zijn.

Uit: Dr. G. de Lange, Leren wandelen aan Vaders Hand, blz. 185 en 186 (Buijten & Schipperheijn, 1997).


Moet de predikant alles (alleen) doen?
Een voorganger voelde zich aangesproken door de oproep tot verandering in de vorm van de eredienst. Hij zei graag van alles te willen veranderen, maar hier in sterk geremd te worden door de weerstand vanuit de gemeente. Voor alle duidelijkheid: het is nooit mijn bedoeling geweest om de predikant tot het zwarte schaap te maken. In het 2e deel van deze serie heb ik er op gewezen dat er op dit punt manco’s zitten in de opleiding tot predikant. Men moet de voorganger op dit punt dan ook niet overvragen. Bovendien is het erg belangrijk dat de predikant (of het gemeentelid) authentiek is. Daarmee wordt bedoeld: past de vorm wel bij de persoon? Waar het mij echter vooral om gaat is dat de gaven die God aan de gemeente gegeven heeft, ingezet kunnen worden. Als een predikant het moeilijk vindt om iets aan de kinderen te vertellen, vraag dan een gemeentelid.
Een predikant faalt niet als hij hulp van anderen vraagt. Als de predikant alles zelf wil doen is dát eerder een reden voor ongerustheid.
Natuurlijk is het belangrijk om te proberen om aan te sluiten bij het denken van de gemeente. Wie opeens van alles verandert zonder dat er voldoende voedingsbodem is, stuit ook op veel weerstand. Een nieuwe predikant, die direct van alles wil veranderen, loopt gemakkelijk vast; eerst zal hij zijn aandacht moeten richten op de relaties binnen zijn gemeente. De aandacht die (terecht) gegroeid is op de (vrijgemaakt-) Gereformeerde Theologische Universiteit in Kampen brengt zo’n risico met zich mee: goed opgeleide predikanten gaan met veel frisse ideeën een gemeente in die absoluut nog ’zo ver niet is’.
Wat de weerstand binnen de kerkelijke gemeente betreft: helaas zitten we soms zó vast aan de bekende rituelen, aan vaste patronen, dat we de kern uit het oog zijn verloren. Naar aanleiding van dit gegeven schreven evangelisatiepredikanten ooit dat het gebod dat in de kerken het meest wordt gehoorzaamd het 11e gebod is: „Gij zult niets veranderen” 6. Ze voegen daar aan toe: „De regels kunnen een eigen leven gaan leiden en ze staan je in de weg bij het leggen van contacten met mensen. Door die regels zie je de Regel soms niet eens meer.” Veranderingen zijn niet heilig, regels ook niet. Steeds moeten we terug naar de bron: waar gaat het nu wérkelijk om? Wat is de kern van ons geloofsleven?

Pubers en ouderen
De laatste reacties van Opbouw-lezers gingen over de verschillende levensfasen binnen de gemeente. Laten we de oudere broeders en zusters niet in de kou staan als we zoveel veranderen met het oog op kinderen en jongeren? Inderdaad: de gemeente is één kudde en die kudde moet in zijn geheel dezelfde kant uit: naar de Here Jezus. Daarom moeten we ook oog hebben voor elkaar. Er zijn weerstanden; als we altijd gewend zijn om op een bepaalde manier de kerkdienst in te richten, is het voor sommigen even slikken als er zoveel verandert. „Deden we het vroeger dan niet goed?” Toch denk ik dat er op dit punt niet persé een tegenstelling tussen oud en jong hoeft te zijn. Als ouderen ervaren dat jongeren dichter bij de Here Jezus gebracht worden, zouden ze daar dan niet blij mee zijn? (zie de reactie van de grootmoeder in Opbouw 42/9).
Ook hier komen we weer terug op het centrale thema: alles draait uiteindelijk om de relaties. De relaties binnen de gemeente en de Relatie met de Here Jezus. Ouderen en jongeren zouden binnen die christelijke gemeente veel met meer elkaar in gesprek moeten gaan: we kunnen van elkaar leren. Maar misschien is dat een thema waar een Opbouw-lezer nog eens nader op wil reageren.
De laatste scribent mist een thema in de serie: de omgang met pubers. Er zijn kerken waar veel aandacht aan de jonge kinderen wordt gegeven. Toch haken diezelfde kinderen, ondanks alle aandacht die ze als kind hebben gekregen, als puber af. „We hebben dus een brug gebouwd, maar we zijn de pijlers vergeten”, aldus deze predikant. Ter geruststelling aan deze schrijver: het thema is niet vergeten. We zijn er nog niet aan toe gekomen. Het is de bedoeling dat het eerste nummer van oktober uitgebreid aandacht zal geven aan dit onderwerp.
Voorlopig is mijn reactie op deze schrijver: het zaad dat op jonge leeftijd wordt gezaaid niet tevergeefs is. Daarom is het belangrijk dat jonge kinderen zich thuis kunnen voelen in onze eredienst.
Maar: opgroeiende kinderen stellen ook andere vragen aan de ouders, aan de ouderlingen, aan de predikant. Opmerkelijk vond ik de reactie van een EHstudent (een kerkelijk zeer betrokken gedeelte van onze jongeren7 dat het contact met de ouderlingen moeizaam verloopt vanwege het verschil in leefwereld. Je spreekt elkaar misschien één maal per jaar. Daardoor hebben de ambtsdragers, zo is het idee van deze jongere, geen enkel idee hoe de leefwereld van de hedendaagse jongere eruit ziet. Hoe we deze kloof zouden moeten overbruggen, is mij nog niet helemaal duidelijk. Wel worden de contouren zichtbaar van de vraag die gesteld wordt door jongeren: de vraag naar communicatie, letterlijk vertaald: het samen delen. Misschien hebben we de pijlers al wel gebouwd, maar zijn we aan de overbrugging nog niet toe gekomen....


Noten:
1 Opbouw, 42/7, 42/8, 42/9. Zie ook: nrs. 41/16 en 41/17
2 Wim Jansen: Voor het preken de kerk uit (Boekencentrum, 1989)
3 In het tijdschrift ’De eerste dag’ worden per tekstgedeelte zowel suggesties voor de predikant tijdens de kerkdienst, als voor de leiding van de kindernevendienst gegeven (uitgave: Boekencentrum, 1998)
4 Opbouw, 42/9
5 Dr. G. de Lange, Nederlands Dagblad, 11 juni 1998
6 George Brucks en Piet van Midden: Ik zie je zitten (Kok, 1989)
7 Opbouw, 42/5

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief