De Mechelse kei
1998-06-26
Er ligt een kei in de vensterbank van mijn werkkamer. Af en toe pak ik hem weer eens even beet. Een paar maanden geleden lag hij nog in Limburg, waar ik hem vond tijdens een wandeling. Het is een heel gewone steen; zo een waarvan er duizenden liggen, maar voor mij is het er één uit duizenden.- Jaargang 42
- nummer 13
Ik liep daar op een zaterdagmiddag in februari; het landschap dat me zo bekoort: heuvels, bos, weiden en de Geul. De wind blies mijn hoofd schoon. In de verte zag ik een vuur branden en hoorde ik een kerkklok luiden.
En op het moment dat ik me realiseerde ’nu ben ik gelukkig’ en ’ik wil dit gave moment vasthouden’, bukte ik en raapte een van de stenen op die er in dat karrenspoor lagen.
Een gevoel kun je niet vastpakken – je kunt ervan genieten en het door je heen laten zinderen – je kunt het al helemaal niet blijven vasthouden. Een steen wel. Ik kneep eens goed in die kei. Lekker stevig voelt dat. En ik stopte hem in mijn jaszak. Een eindje verderop haalde ik hem er nog eens uit en bekeek hem wat beter: deels afgerond, deels ruw. Ben ik ook zo?
Het is twee jaar vóór deze wandeling. Eind januari 1996, zelfde plek, zelfde huisje. Vanuit onze woonplaats zakken we af naar het zuiden. Bij Weert begint het te sneeuwen: dat wordt stapvoets rijden. En als we in Mechelen arriveren, ligt er inmiddels een flink pak sneeuw. Een cadeau uit de hemel, manna voor zwervers door de woestijn van het leven.
We worden hartelijk ontvangen door de boerin. „Ik heb de kachel vast aangezet”, zegt ze. En we krijgen een slee voor de kinderen. Het is een wonderlijk weekend. Wandelen in de sneeuw, genieten van de intense kou, rode wangen, voeten als ijsklompjes.
Wonderlijk ook omdat ik na een heel lange periode waarin angsten en depressies me steeds meer in hun greep kregen, heel langzaam aan weer mens word. Ik ben in therapie en sinds kort slik ik medicijnen – antidepressiva – en hoewel er nog veel verward is in mijn hoofd, begint er ook iets op te klaren. Zonlicht over het weekend, zonneschijn over mijn leven.Nóg een halfjaar eerder kom ik op een verjaardagsfeestje bij mijn achterbuurman zomaar een engel tegen.
Het is geen gewone engel, maar een beetje een rare. Ze heeft geen vleugels, althans ik heb ze nooit gezien.
Nee, ’t is een engel met lang donker haar. Vaak zie ik die engel ook gewoon in de kerk zitten en soms zie ik haar fietsen door ons dorp – met een klein engeltje voorop – of ontmoeten we elkaar bij de supermarkt.
En die engel zegt helemaal niet: „Wees maar niet bang.” Nee, die engel maakt me nog banger dan ik al ben! Als zij mij na een paar scherpe vragen zover heeft dat ik haar vertel over mijn angsten, kijkt ze me aan en zegt: „Heb jij er wel eens aan gedacht om in therapie te gaan?!” Ik schrik heel erg. „Wat, ik in therapie?
Ik ben niet gek!” „O, en je vader dan, die je zo bewondert omdat hij zich er niet voor schaamt dat hij opgenomen is geweest op een psychiatrische afdeling, maar er juist zijn levenstaak van maakt begrip voor anderen te tonen?
En je oma dan, die na negen kinderen en even zo vele (postnatale) depressies ook werd opgenomen en zelfs geshockt? En die vriendin van je, die in therapie is waarvan je stiekem denkt: dat zou ik ook wel willen?” „Ja maar, dat durf ik helemaal niet. Je weet toch hoe bang ik ben? En wie moet ik dan opzoeken en hoe moet ik daar dan komen?” De vragen buitelen door m’n hoofd. Ik begin te huilen...
Stomme engel, ik sta op een feestje, hoor!
We zijn weer terug in 1998. Het is zondag. Zoals altijd wanneer we in Limburg zijn, bezoeken we de dienst in de Nederlands gereformeerde nederzetting van Maastricht. Het gaat over Jakob, die droomt van engelen en een ladder tot in de hemel. Engelen, boodschappers van God, die zorgen en angst mee naar boven nemen, en genade en vrede naar beneden brengen. Het beeld spreekt me aan.
Engelen komen niet speciaal bij eersterangs gelovigen. Die indruk krijgen we wel eens: dat zijn vast hele bijzondere mensen, zover ben ik nog lang niet. Maar kijk eens naar Jakob: een leugenaar, een bedrieger, een lafaard, een vluchteling. Toen nog lang geen aartsvader. God wil met gewone mensen omgaan. Soms realiseer je je bij een of andere ervaring of ontmoeting: dit is van God, Hij is bij me en was er allang, ook toen ik het niet wist. Het is belangrijk om met zo’n moment wat te doen, die ervaring te bewaren en haar niet onder te laten sneeuwen in de rompslomp van het leven. Jakob wilde zijn ervaring vasthouden.
Hij pakte de steen waar zijn hoofd op had gerust, en richtte die op als een gedenksteen. Zo gaan de verhalen over God leven, ook voor wie na ons komen. En daar zit ik, achter in dat kleine kerkje. Ik voel in m’n jaszak en knijp nog eens stevig in de steen die ik gisteren vond. Wat hebben wij een kei van een God.