Gezang aan Tafel 1
1998-06-26
Toen ik voor de allereerste keer de Matthäuspassion beluisterde, werd ik geraakt door een woord van Christus aan het laatste avondmaal: ,,Ik zeg u: Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag dat Ik haar met ú nieuw zal drinken in het Koninkrijk van mijn Vader’’.- Jaargang 42
- nummer 13
Natuurlijk speelde de muziek daarbij een rol: in die passage bepaald ontroerend. Maar wat me in de woorden trof, was het verlangen dat er uit spreekt: al 2000 jaar hunkert onze Heer ernaar om met ons, zijn gemeente, avondmaal te vieren in het Koninkrijk van zijn Vader!
Bruiloft van het Lam
Het laatste lied in de Bijbel is het lied van het bruiloftsmaal van het Lam (Openbaring 19) en veel gezangen uit de schat van de Kerk der eeuwen zingen dit thema voort. Zoals een anonieme hymne uit de 6e eeuw: Ad cenam agni providi (in het Liedboek gezang 346):
Ter maaltijd van het Lam gereed,
in witte klederen gekleed,
de Rode Zee reeds doorgegaan,
roepen wij Koning Christus aan,
wiens Lichaam is als offerspijs
verzengd op ’t altaar van het kruis,
wiens rode bloed wij drinken tot
ons eeuwig heil, tot vrede in God.
In een bekend Bachkoraal, Wachet auf, ruft uns die Stimme (in het Liedboek gezang 262) klinkt de uitnodiging:
Zingt hosanna!
Komt altemaal ter bruiloftszaal,
waar Hij ons roept aan ’t avondmaal!
Gezang aan het avondmaal
Avondmaal vieren en zingen hoort bij elkaar. Mattheüs vertelt in zijn verhaal over het laatste avondmaal, dat Jezus en zijn leerlingen vóórdat ze van de maaltijd opstonden, de lofzang zongen. Het was Seideravond, het Joodse Paasfeest, en bij die gelegenheid zongen – en zingen – de Joden het Hallel, dat de Psalmen 113 tot en met 118 omvat. Diezelfde avond zou een passage uit dat Hallel, uit Psalm 116, voor de Heer Jezus in vervulling gaan, toen Hij alléén was in de Hof van Gethsémané:
Toen de benauwdheid dreigend op Mij viel
en angsten voor het doodsrijk Mij bekropen,
heb Ik de naam des HEREN aangeroepen
en weende: HEER mijn God, bewaar mijn ziel!
Aan zijn leerlingen gaf Jezus de opdracht om telkens als ze Seideravond vierden zijn lijden en sterven te gedenken. Merkwaardig, het gedenken van Christus’ lijden, het zingen van de lofzang: het vond allemaal plaats aan tafel. Dat was namelijk bij uitstek de plaats waar oosterlingen hun sociale kontakten onderhielden, of – mooier en bijbelser gezegd – gemeenschap met elkaar oefenden. Daar vonden de tafelgesprekken plaats, daar wisselde men gedachten uit, daar hóórde men bij elkaar.
Wij vonden avondmaal vieren in díe setting te profaan en daarom hebben we het sacrale moment, het breken van het brood en het rondgaan van de beker, uit het geheel van de maaltijd geïsoleerd en in een gewijde stilte geplaatst. Wij zijn kwijtgeraakt dat het sacrale ons juist in het gewone, alledaagse, tegemoetkomt.
Gemeenschapsmaaltijd
Het avondmaal in het Koninkrijk Gods wordt weer een echte gemeenschapsmaaltijd: er wordt volop gegeten, voluit gepraat en uit volle borst gezongen. Aan die tafel zit je niet als gehuwde of als alleenstaande die éven te gast is bij een ander – je bent er thuis bij de Gastheer en bij elkaar. De gesprekken gaan niet over de jongste misstanden, maar over de nieuwste verrassingen.
Er wordt gezongen, want avondmaal en zingen hoort bij elkaar (Mat. 26:30). Ik zie mezelf in een groot koor. Samen met Russische baptisten met hun heldere, onbevangen stemmen. Samen met christenen uit de Chinese huisgemeenten, die jarenlang uit angst voor ontdekking hun stemmen hebben moeten dempen en die dan luidkeels mogen uithalen! Samen met m’n broers in een Saoedische gevangenis, die op dit moment helemáál niet mogen zingen, omdat het loflied op het Lam verboden is in het hartland van de Islam. Mogen zij het dichtst bij de Gastheer zitten?
,,Wie is als de HERE onze God, die zeer hoog troont en zeer laag neerziet, die de geringe opricht uit het stof, de arme omhoog trekt uit het slijk?’’: dat zongen Christus en zijn discipelen aan de avondmaalstafel (Psalm 113).
En hun lofzang eindigde met Psalm 118: ,,De steen die de bouwlieden versmaad hebben, is tot hoeksteen geworden’’.
En omdat die steen Jehosjoea (Jezus) heet (De HERE redt) , zingen wij straks in de geest van het bekende Bachkoraal: Geen oog heeft ooit begroet, geen hart heeft ooit vermoed zulk een vreugde!
Wir singen froh:
Io, io!
Ewig in dulci jubilo!
Noot
1 Herplaatsing omdat in het vorig nummer een aantal regels was weggevallen.