De Geest en de eenheid
1998-06-26
Even terug naar 16 mei: op onze Landelijke Vergadering in Doorn spraken zowel ds J. Westerink (CGK) als ds A.N. Hendriks (GKV) in niet mis te verstane bewoordingen hun veroordeling uit over onze kerken.- Jaargang 42
- nummer 13
’t Is natuurlijk logisch dat je in de tijd daarna extra gespitst bent op uitingen in de pers over samenwerking en eenheid; hetzij dat die veroordeling daarin ondersteund wordt, hetzij dat die juist van een vraagteken wordt voorzien. En dan krijg je het Pinksternummer van De Wekker (CG) onder ogen, en dan lees je daar, van de hand van professor Van ’t Spijker, van die kostelijke dingen, waarvan je bij jezelf denkt: Hé, dat klinkt toch heel anders dan het officiële (?) geluid van die kant, zoals wij dat op 16 mei te horen kregen. Ik geef u er het een en ander van door. Eerst gaat Van ’t Spijker in zijn rubriek ’Marginaal?’ in op de klacht die soms gehoord wordt dat er „zo weinig doorbrekend werk van de Geest is”. Ja ja, zegt hij, maar pas op: dat kan heel gemakkelijk een goedkope smoes worden waarmee je als mens je eigen verantwoordelijkheid ontloopt: Onze catechismus spreekt anders. We zullen de Here, staat er, door zijn Geest in ons laten werken. De fraaie oorspronkelijke Latijnse tekst zegt het nog sterker: ik zal de Here toestaan om door zijn Heilige Geest in mij zijn werk te doen.
Hem toestaan, gelegenheid bieden, aan Hem overlaten, plaats voor Hem inruimen, zodat Hij zijn werk in mij tot stand kan brengen. De Geest láten werken: ziedaar de taal van de belijdenis.
Verderop in ditzelfde nummer komt Van ’t Spijker te spreken over de twist tussen Luther en Bucer, in 1529, toen Luther het harde woord sprak: „Gij zijt van een andere geest dan wij”. Op dat moment is de Reformatie definitief uiteen gebroken in verschillende stromen. Van ’t Spijker: In de tijd van de Reformatie was deze breuk beslist niet noodzakelijk geweest. () We spreken van tragiek, omdat hier duidelijk wordt, hoe menselijke factoren een breuk kunnen drijven tussen christenen die bij elkaar behoren. We moeten beslist oppassen, wanneer wij vandaag zonder meer tegen iemand zeggen: gij hebt een andere geest dan wij. Dit gebeurt maar al te veel. Het is binnen de z.g. gereformeerde gezindte strijk en zet, deze beoordeling van elkaar. Het heeft te maken met het feit dat de beleving van de vroomheid, de spiritualiteit als u wilt, al naar gelang van de kerkelijke positie op een eigen manier wordt ingekleurd. De andere geest is niets anders dan een variëteit in beleving, die zich heel goed verdraagt met de verscheidenheid die behoort bij het eigenlijke werk van de Heilige Geest.
Aan het eind van zijn artikel noemt Van ’t Spijker drie wezenlijke kenmerken die van toepassing zijn bij het vragen en zoeken en beproeven of de geesten uit God zijn: Een andere geest openbaart zich allereerst, waar Christus niet ten volle, geheel en al, in het licht komt te staan.
Waar gezegd wordt dat Jezus de Here is, daar werkt de Heilige Geest. () Een tweede kenmerkende trek van het werk van de Geest is te zoeken in de vaste verbintenis met het Woord. Woord en Geest! De geest die ánders is, is die welke ons naast het Woord, buiten het Woord om, en straks zonder het Woord, doet zoeken naar geestelijke ervaringen of bevindingen. () Een derde, met zekerheid te hanteren kenmerk is dat van de kerk. () De Geest bindt ons aan de kerk. () En de conclusie van Van ’t Spijker is dan: Waar deze drie trekken zich openbaren, daar zal men zeggen: Hier werkt de Geest: Christus verheerlijkend, door het Woord vernieuwend en in de gemeenschap zich openbarend. Daar zal niemand kunnen zeggen: gij zijt van een andere geest, welke verschillen er zich overigens ook zouden voordoen. Maar ook omgekeerd: waar deze wezenlijke kenmerken van de geestelijke samenhangen ontbreken, daar mag men terecht de vraag stellen: welke geest is het, door wie u zich laat bezielen? En het Pinksterfeest is bij uitstek het feest, waar deze vraag van persoonlijk én kerkelijk zelfonderzoek gehoord mag worden. Laten we haar niet uit de weg gaan vandaag.
Als ik zoiets lees, dan weet ik wel dat ik natuurlijk allereerst met m’n eigen oren moet luisteren („Gij zijt die man!”), maar vervolgens – ik kan er niets aan doen – denk ik dan: hoe zou dat nou landen in de Christelijke Gereformeerde kerken zelf? Dit verhaal staat immers haaks op de boodschap die ons op de Landelijke Vergadering vanuit het CG deputaatschap werd voorgehouden. Of zouden mensen dan denken: „Ach, laat die ouwe professor maar wat praten; die man weet niet beter. Wij weten hoe het werkelijk is; want het échte werk gebeurt natuurlijk in deputaatschappen en synodes!” Ja, daar zou ik toch wel benieuwd naar zijn...