Kinderen en de kerk

1998-07-10
  • Jaargang 42
  • nummer 14
In de afgelopen maanden werd in ’Opbouw’ opnieuw aandacht besteed aan het onderwerp ’kinderen en de kerkdienst’. In deze laatste aflevering van een serie worden nog enkele aandachtspunten genoemd. Ze zijn verre van volledig, maar ze richten de schijnwerpers op enkele valkuilen in de omgang met de kinderen in de gemeente.

Bij de opvoeding wordt tegenwoordig vaak gezocht naar pasklare antwoorden.
Dat heeft te maken met – wat we wel noemen – handelingsverlegenheid bij de opvoeders. Ze weten niet meer hoe ze iets ’aan moeten pakken’ en zijn op zoek naar hét recept. Als mijn kind niet wil eten, moet ik..... Helaas: recepten werken niet binnen de opvoeding en zeker niet in onze tijd.

Concrete handvatten?
Ook bij de geloofsopvoeding zijn opvoeders op zoek naar concrete handvatten. En natuurlijk is het wel zinvol om iets van de kinderlijke ontwikkeling te weten. Een kleuter van 5 jaar denkt heel anders dan een kind van 9 jaar. Een puber stelt ook weer heel andere vragen aan zijn ouders dan een kind op de basisschool.
In de onderwijswereld wordt veel aandacht besteed aan didactiek. Onderwijzers werken met behulp van een leerplan in de richting van een bepaald doel. Toch blijkt dat sommige kinderen niet aarden binnen dat leerplan.
Ze kunnen niet wennen aan de vorm of het tempo. Dr. G. de Lange stelt dan ook in zijn boek ’Leren wandelen aan Vaders Hand’ kritische vragen aan het adres van het (christelijk) onderwijs.
De christelijke visie op opvoeding gaat er vanuit dat ieder kind door God uniek is geschapen. Wie bij voorbaat met een soort receptenboek gaat werken, doet aan die uniciteit te kort. In het onderwijs is de ruimte om aan ieder kind apart aandacht te kunnen geven beperkt: de klassen zijn groot en er moet een bepaald (leer)doel bereikt worden.

De uniciteit van het kind
De opvoeding in het gezin is (als het goed is) veel meer spontaan dan op school. In de dagelijkse omgang met kinderen kan juist het unieke aspect van ieder kind een sterk accent krijgen.
Door te luisteren naar de signalen van het kind komen ouders tot de meest passende vorm van omgang.
De Heidelbergse Catechismus schrijft in het antwoord op vraag 103 over het in stand houden van de scholen. Dit wil echter niet zeggen dat, wanneer we op zoek zijn naar passende vormen van geloofsopvoeding binnen de kerkelijke gemeente, de catechisatie een imitatie moet zijn van de school.
Voor de christelijke opvoeding, de kerkdiensten en de catechese is dit een kans: hoe geven we het unieke van ieder kind hier de ruimte? Anderzijds kunnen we didactische vormen wel als hulpmiddel in ons achterhoofd hanteren. We moeten echter niet teveel leunen op vaste didactische werkvormen. Het blijven hulpmiddelen, die – als ze niet passend blijken – door andere vormen vervangen kunnen worden.


De kerk als kasteel
Onze kerken zijn herkenbaar aan de afwezigheid van kinderen. Ik weet er zelfs één waar de kinderen nooit in de kerkzaal terecht komen. Al buiten worden ze, via een zij-ingang, van de volwassenen gescheiden. Een klein meisje vroeg op het trottoir al aan haar moeder: „Wat doet u toch in dat kasteel?” Voor veel kinderen is de kerk een plaats waar de ouderen zeggen dat ze stil moeten zijn. Ik vraag me af wat Jezus daarvan gezegd zou hebben. Misschien zou Hij – mét de kinderen – de kerk zijn uitgelopen. En door de afwezigheid van de kinderen zijn wij in staat om onze erediensten zo lang te houden als we het met hun aanwezigheid nooit zouden kunnen. De waarheid is dat we kennelijk niet in staat zijn om naar kinderen te luisteren, terwijl we wel van hén verwachten dat ze naar óns luisteren.

Uit een preek van Ds. N. Bruce McLeod te Toronto, toegestuurd door Hans de Jong.


Catechese
De catechisatie lijkt, qua vorm, het meest op het onderwijs. Kan men, binnen de catechese, dus uit de voeten met een stevige portie didactische scholing? Die scholing is inderdaad ’nooit weg’, maar opnieuw geldt: leun niet teveel op één methode. Dat blijkt uit het nu volgende voorbeeld. Een predikant was op zoek naar een passende werkvorm voor een groep catechisanten. De praktijk van de catechisatie bleek echter zeer weerbarstig.
De groep bleek slecht met elkaar en slecht met de predikant overweg te kunnen. De predikant haalde er een leraar van het voortgezet onderwijs bij. Deze bleek de groep catechisanten evenmin te kunnen motiveren.
De predikant gaf ook catechisatie aan dezelfde leeftijdsgroep in een nabijgelegen gemeente. Hij was inmiddels gaan twijfelen aan de door hem gekozen werkvorm, omdat deze binnen zijn eigen gemeente niet aansloeg. ’Bij gebrek aan beter’ koos hij toch voor dezelfde vorm. Tot zijn verbazing waren de catechisanten in deze gemeente zéér enthousiast over de manier waarop de predikant de catechisaties invulde.
Na 2 jaar was in zijn eigen gemeente een nieuwe ’lichting’ catechisanten aan de beurt. Na enig zoeken naar een passende werkvorm kwam de predikant uit op een manier van catechisatie geven die bij de vorige groep ’mislukt’ was. Nu bleek de vorm echter weer goed bij de catechisanten aan te sluiten.
Kennelijk spelen er in de omgang met een groep catechisanten veel meer aspecten mee dan ’alleen’ de didactische werkvorm. Het is dan ook goed als de predikant (of een ander die de catechisatie verzorgt) niet teveel op één methode leunt. Het motto is steeds weer: ga op zoek naar de meest passende manier van omgang bij deze groep catechisanten. Overigens is ook een punt van aandacht: de groepsgrootte. Steeds vaker komen er signalen dat grote groepen catechisanten een belemmering vormen voor het catechetisch onderwijs.
Ook het teveel uiteenlopen van leeftijden (en van opleiding) kan verstorend werken.

Het doel
Wanneer mensen een kinderclub of een vakantiebijbelschool begeleiden, is het van groot belang dat ze het eerst eens zijn over de doelen die gesteld worden. Het kan dus goed zijn om eens voor jezelf op papier te zetten waar je naar toe wilt werken. Een voorbeeld van heel tegenovergestelde doelen waren twee leidsters van een kinderclub. De één zag als het belangrijkste doel van de kinderclub dat de kinderen moesten leren om te gehoorzamen. De ander was van mening dat de kinderen zich op de club veilig en geborgen moesten voelen. Dat verschil in visie kwam ook tot uiting in de accenten die de leidsters legden bij de vertellingen uit de Bijbel. Er was afgesproken dat de vertellingen om de beurt door de ene leidster en door de andere leidster gedaan zouden worden. De eerste leidster (die het accent legde op het gehoorzamen) vertelde iedere keer weer hoe gevaarlijk de duivel was. De tweede leidster legde het accent bij de Here Jezus als de Goede Herder, die van zijn schaapjes houdt. Met de kinderclub is het nooit iets geworden. De doelen van de leidsters kwamen onvoldoende met elkaar overeen. Datzelfde verhaal zou trouwens ook op kunnen gaan voor twee ambtsdragers die samen op huisbezoek gaan..... Hebben zij dezelfde doelen voor ogen?

Fantasie en werkelijkheid
Het is belangrijk dat opvoeders iets weten over de ontwikkeling van kinderen.
Met name de ontwikkeling van de kinderangsten en van het geweten zijn belangrijk. In het voorgaande gedeelte kwam al naar voren hoe persoonlijke voorkeuren (en misschien zelfs: obsessies) de bijbelse vertelling kunnen verkleuren. Een predikant vertelde in het vuur van zijn preek hoe erg het was „als je zonde deed”. Hij richtte zich daarbij ook tot de kinderen. Want, zo vertelde hij, als je ’zonde doet’ , dan sla je iedere keer weer een spijker door de handen van de Heere Jezus. „En dan, kinderen, moeten jullie er eens bij nadenken, hoe zeer dat doet! En hoe zeer je de Here Jezus dus doet, als je zonde doet!” Dit voorbeeld werd al eerder in Opbouw genoemd, een citaat uit een preek in reformatorische kerk. In die kerken is men vaak niet gewend om aandacht aan de kinderen te besteden. Je zou kunnen zeggen: een hele vooruitgang, de kinderen worden nu ook eens aangesproken! Helaas heeft de predikant niet ’door’ hoe bij kinderen fantasie en werkelijkheid door elkaar lopen. Niet uit te sluiten valt dat gevoelige kinderen hier nachtmerries aan over houden...
Ook een predikant uit een ander kerkgenootschap raakte met zijn voorbeeld tijdens de kerkdienst in de problemen, omdat hij onvoldoende rekening hield met het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid. De predikant had vuil water op de preekstoel meegenomen.
„Zo ziet je hartje er uit als je zonde hebt gedaan.” Gelukkig was er bleekwater bij de hand... En het wonder gebeurde: het water werd weer helder. „Dat doet de Here Jezus ook met onze zonden!” Het gevolg was dat een angstige jongen later bleekwater dronk, omdat hij ’zonde had gedaan’. Hij had absoluut niet de bedoeling van de predikant begrepen. Kinderen leven in een magische wereld, en zeker het woord van de predikant kan dan in bepaalde kringen een extra zware lading krijgen.

Wat willen we over brengen?
Het voorgaande leidt ons tot een ander probleem: de vertekening van de boodschap. In de reclamewereld is bekend dat sommige reclames geen effect sorteren, omdat de boodschap het product niet ondersteunt. Het gebeuren in het ’spotje’ is zó indrukwekkend, dat de kijker niet meer weet over welk product de reclame ging.
Wanneer we het over de prediking hebben, zullen we ons moeten realiseren dat tijdens de kerkdienst hetzelfde kan gebeuren. Een voorganger kan zó gespitst zijn op goede voorbeelden, dat de gemeente de rest van de boodschap niet meer hoort. Dan kan de predikant tot zijn schrik ontdekken dat de gemeente alleen de ’grappen’ uit de preek heeft onthouden. Omdat visuele middelen effectiever zijn dan het gehoor (’zien’ onthouden mensen beter dan ’horen’) dragen met name deze middelen het risico van vertekening met zich mee. Een gemeentelid komt, ter ondersteuning van de preek, verkleed als politieagent de kerkzaal in..... Tijdens het huisbezoek ’ontdekken’ de ambtsdragers dat iedereen zich de politie-agent herinnert, maar dat niemand meer weet in welk verband en bij welk Schriftgedeelte deze agent een rol vervulde. De agent was hooguit tot vermaak, en niet tot lering.

De valkuil van het steeds méér
We leven in een samenleving waar alles steeds méér en steeds spectaculairder moet zijn. Het ene record wordt door het andere record ingehaald. Zo moeten we in de christelijke gemeente niet werken! Een voorganger heeft tijdens een aantal kerkdiensten een aantal goede voorbeelden bedacht. En nu verwacht de gemeente van hem dat hij wéér met zo’n aansprekend voorbeeld komt. Maar het moet nóg meer aansprekend zijn dan de voorgaande voorbeelden.
Op die manier zijn we op de verkeerde weg. Het gáát niet om het méér. Het hóéft niet steeds spectaculairder. Dat gevaar zit voortdurend in het zoeken naar nieuwe didactische vormen voor de eredienst. We lopen dan het risico dat we zo met de vorm bezig zijn, dat de Inhoud op de achtergrond raakt.
Waar gaat het nu werkelijk om in de christelijke gemeente? Het gaat om de vraag: hoe brengen we mensen naar de Here Jezus? En dan zal blijken dat een voorganger die ’zichzelf’ is (authentiek is) op den duur beter de reikwijdte van het Evangelie aan de gemeente over kan brengen dan een voorganger die voortdurend op ’effect’ uit is. Dan komt het ’effect’ tussen de voorganger en de Boodschap in te staan.

Nogmaals: apart of samen?
De serie begon met de discussie over ’apart of samen’? Mogen de kinderen naar de kindernevendienst of maken ze de hele kerkdienst mee? Er is uit deze serie geen antwoord ’gerold’ welke ’vorm’ het meest geschikt is.
Wel kan gesteld worden dat de traditionele invulling van de kerkdienst minder geschikt is voor kinderen. Kinderen hebben veel meer visuele informatie nodig (zien is effectiever dan horen). De afstand van de voorganger tot het kind is veel te groot (de vuistregel luidt: de effectieve afstand in meters is gelijk aan de leeftijd van het kind). Het taalgebruik van de preken overstijgt vaak verre datgene wat kinderen kunnen ’volgen’.
Vanwege deze nadelen heeft een groot aantal kerken gekozen voor de vorm van de kindernevendienst. Maar: is dat wel de beste oplossing? Of is het slechts een nood-oplossing, (voor) zo lang we onze kerkdiensten niet anders hebben ingericht?
Als we er voor kiezen dat kinderen (weer) voluit meedoen tijdens de kerkdienst, ontkomen we er niet aan om de vorm van de kerkdienst kritisch tegen het licht te houden. Dat geldt bijvoorbeeld de manier waarop we kinderen tijdens de dienst actief kunnen inschakelen, de woordkeus door de voorganger, het gebed, de lengte van de preek, de liedkeus, het gebruik van muziek-instrumenten, het gebruik van visuele hulpmiddelen (overhead-projector, dia-projector, foto’s), preekvragen op papier tijdens de kerkdienst enz. Evenmin ontkomen we eraan om de houding van de ouders kritisch tegen het licht te houden. Want hoe dragen de ouders ertoe bij dat de zondagse verkondiging doorwerkt in het gezin? Of is de kerkdienst slechts een geïsoleerd uurtje temidden van heel veel andere uren en gebeurtenissen?
Veel belangrijker dan de vorm is echter de relatie. Kennen en gekend worden: daar staat of valt de christelijke gemeente mee. In de christelijke gemeente moet iedereen zich veilig kunnen voelen. Vooral kinderen en pubers zijn hier buitengewoon gevoelig voor. Als er een relatie is, kun je met elkaar ook de moeilijke(r) momenten aan: het vangnet waardoor je verder kunt. De relatie vooronderstelt communicatie: iets samen kunnen delen. Hoe delen we met kinderen en jongeren datgene wat we zelf als het belangrijkste in het leven zien? Over die vraag is het laatste woord nog niet gezegd....

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief