Jezus leed ook wat wij nu lijden

1998-08-07
  • Jaargang 42
  • nummer 16
In de schaduw van de opschudding die het boekje van prof. Den Heijer over verzoening veroorzaakte, stond vorig jaar die van een ander boekje over Christus’ lijden. Het komt van de hand van ds. K. Harmannij – predikant van de Geref. Kerken (vrijg.) te Den Ham (Ov.) – en draagt de veelzeggende titel: Jezus leed wat wij nu lijden.1Hoewel dit boekje – in tegenstelling tot dat van Den Heijer – met grote kracht het verzoenend lijden en sterven van Jezus Christus predikt, zit er tussen beide boeken toch een punt van overeenkomst. Op geheel eigen wijze proberen beide boeken het lijden van de Heiland en ons lijden dichter bij elkaar te brengen.

Aangezien datgene waarover ds. Harmannij heeft geschreven heel dicht aanligt tegen de thematiek die ik deze artikelen behandel, wil ik ook iets over zijn boekje schrijven.

Pastorale aanleiding
De aanleiding die ds. Harmannij vond om dit boek te schrijven is onder andere een pastorale geweest. Meer dan eens stuitte hij in het pastoraat op gemeenteleden die in de moeiten van hun leven geen troost konden vinden bij het lijden van Christus, omdat dat van zo’n geheel andere, veel ernstiger aard zou zijn dan hun lijden. Ons menselijk lijden haalt het niet bij het Zijne. Mede om deze reden ging hij zich bezinnen op de vraag welk lijden de Here Christus precies doorstaan heeft. In mijn eigen woorden: Is zijn lijden van een totaal andere orde geweest dan het onze? (pg.7-9) Bij zijn bezinning op deze vraag stuitte hij op tal van uitspraken in met name preken en meditaties, waarin tussen het lijden van Christus en ons lijden een wezenlijk verschil wordt gemaakt. In alle toonaarden las hij, dat wij Christus’ lijden niet kunnen aanvoelen, omdat Hij leed onder de volstrekte Godverlatenheid, de hel (pg.12-14). Deze gedachte nu wordt door Harmannij bestreden. Of het nu gaat om de worsteling van Christus te Getsemane, de duisternis van de Godverlatenheid op Golgota, de betekenis van Christus’ plaatsbekleding, zijn Middelaarschap, het dragen van Gods toorn, het voor ons tot een vloek worden (Gal.3:13) en het ingaan in de eeuwige dood, op elk punt probeert Harmannij te laten zien, dat Christus juist niet een heel ander lijden dan het onze geleden heeft.
T.a.v. de wijze waarop de evangeliën het lijden van Christus weergeven schrijft hij: ’De lijdensgeschiedenis van Jezus bevat geen aanwijzingen dat Hij iets heeft doorgemaakt wat andere mensen vreemd blijft. Integendeel: voortdurend proef je de verwondering over de Zoon van God, die toch heeft geleden als een echt mens.
In Getsemane en op Golgota.’ (pg.28) En t.a.v. de plaatsbekleding verdedigt hij dat er geen ’verwisseling’ heeft plaatsgevonden, maar ’uitwisseling’: ’bij verwisseling doe je afstand van het één om het ander te kunnen ontvangen. Bij de bedoelde uitwisseling doe je nergens afstand van, maar je deelt met de ander.’ (pg.36) Zijn pastorale uitwerking van deze gedachte: ’Het is duidelijk dat er bij deze ’uitwisseling’ alle ruimte is om het lijden van ons, mensen, volkomen serieus te nemen.’ (pg.37)

Wel uniek, niet uitzonderlijk
Dat het lijden van Christus in een bepaald opzicht uniek was wil ds. Harmannij overigens niet ontkennen.
Hierin was zijn lijden uniek, dat Hij als volkomen rechtvaardige heeft geleden. En omdat Hij zichzelf zondeloos en in volkomen gehoorzaamheid aan God offerde, kon zijn lijden dienen tot verzoening van onze zonden. Maar, gaat ds. Harmannij verder – en dan komen we weer bij zijn ’Anliegen’ terecht – toch wordt daar zijn lijden als zodanig niet anders van. Het blijft herkenbaar, menselijk lijden. Sterker, Hij wilde ons juist in het lijden volkomen gelijk worden, om ons te leren ons lijden – op gelijke wijze als Hij – in gehoorzaamheid aan God te dragen.
(pg. 60vv) Hoewel het boek deze gedachte van nog meer kanten belicht, wil ik het hierbij laten. De teneur lijkt me helder.

Kritische reakties
Het boek van ds. Harmannij bleef niet onbesproken. Zware kritiek ontving het o.a. van dr. M.J. Arntzen. Die schrijft: ’Verbleekt de ernst van Christus’ lijden en zoendood misschien omdat er toch een te ondiep zonde besef is.’ En: ’Het gaat hier niet over kwesties ’aan de rand’, maar over het hart van ons belijden, nl. de verzoening, de redding van het eeuwig verderf door het zoenbloed van Christus ...’2 Inmiddels heeft de kerkenraad van Den Ham (Ov.) ds. Harmannij gevraagd zijn leringen te herroepen.
’De kerkenraad is van oordeel dat in het genoemde boek het lijden van de Here Jezus Christus zodanig vereenzelvigd wordt met het lijden van de gelovigen, dat dit afbreuk doet aan het unieke lijden van onze Middelaar.’3 Als ik zelf iets over de gedachten van ds. Harmannij mag zeggen, wil ik vooropstellen, dat ik hem voor wat betreft de kern van zijn boekje wil bijvallen: Jezus heeft geleden wat wij ook lijden. ’Jezus Christus weet wat wij doormaken. Want Hij heeft het zelf ook beleefd. Hij zal het lijden nooit wegwuiven of goedpraten. Hij zal het wel goedmaken.’ (pg.112) En met hem ben ik van harte van mening, dat je met deze zeer vertroostende gedachte in het pastoraat ook werken mag.
Hoewel ik het op dit punt met ds. Harmannij eens ben – straks kom ik daar nog op terug – betekent dit niet, dat ik niet begrijpen kan dat zijn boekje kritische reacties heeft losgemaakt. Daarover wil ik eerst wat opmerken.

Vervreemdend taalgebruik
Het eerste wat me bij lezing van ds Harmannij z’n boek opviel was zijn wat vervreemdende taalgebruik. Ds. Harmannij spreekt soms over het lijden van de Heiland op een wijze, die ik niet zo fijngevoelig vind. Misschien dat ik overgevoelig ben, maar, wat te denken van de volgende zinnen (over Jezus’ worsteling in de hof van Getsemane): ’Het is duidelijk genoeg: Jezus had het echt moeilijk ....
Onze conclusie is daarom dat de Here Christus in de hof van Getsemane zeker iets geweldigs heeft verricht. ...
Maar, er zijn geen aanwijzingen dat de Here hierbij een lijden heeft doorstaan of een ellende heeft gevoeld, die totaal verschilt van het ellendige lijden van andere mensen.’ (pg.19) Deze manier van uitdrukken doet wat mij betreft geen recht aan de enorme lading en intensiteit van datgene wat in Getsemane gebeurd is. Zo zijn er meer zinnen die wat mij betreft vervreemdend werken: Over Jezus’ weg van lijden tot heerlijkheid schrijft Harmannij: ’Een moeilijke weg, maar de moeite waard.’ Ja, dat soort uitdrukking gebruik je ook als je het over een bergwandeling in Zwitserland hebt.
Dit taalgebruik doet de bedoeling van ds. Harmannij geen goed. Zijn bedoeling is om ons in ons lijden dichter bij de Heiland te brengen, maar hij lijkt dat doel slechts te kunnen bereiken door het lijden van de Heiland wat naar beneden te halen.

Onmogelijke vraagstelling
Moeite heb ik toch ook wel met het feit, dat ds. Harmannij me een vraag opdringt waarover ik eigenlijk niet eens wil nadenken. Niet omdat ik daarvoor te lui ben, maar omdat ik twijfel aan de mogelijkheid om op die vraag een zinvol antwoord te geven. Ik ben er heel zeker van dat Christus in mijn, in ons lijden kan komen. Maar kunnen wij in zíjn lijden komen? Ik geloof het niet. Ik vind het al heel moeilijk om in andermans lijden te komen. Nog moeilijker vind ik het om het lijden van twee verschillende mensen met elkaar te vergelijken.
Kunnen wij beoordelen of het lijden van de één hetzelfde karakter draagt als dat van een ander? Laat staan dat ik het aandurf om het lijden van de volkomen rechtvaardige, het Lam dat de zonde der wereld wegdraagt, te gaan vergelijken met dat van andere mensen. Als wij lijden, is dat vanuit een door de zonde aangetaste beleving. Moet je niet heel beslist zeggen, dat wij om alleen deze reden al niet in staat zijn om zijn lijden met het onze te vergelijken?

Verlost van de komende toorn!
Een nog belangrijker bezwaar is, dat ik heel diep geloof, dat Christus wel degelijk iets geleden heeft dat wij – God zij dank!! – niet meer hoeven te lijden. In heel dit boekje blijft hetgeen Paulus in 1 Thess.1:10 schrijft, namelijk, dat Jezus ons verlost van ’de komende toorn’ buiten beschouwing. Ook wordt het me niet helder wat de duisternis die op Golgota inviel wèl inhield. Harmannij interpreteert die duisternis níet als de hel, de eeuwige dood (pg.93vv), maar wat dan wel? M.i. moeten we die drie uur durende duisternis verbinden aan hetgeen in het Oude Testament geschreven staat over de grote dag des HEREN (zie o.a. Joël 2:2; Amos 5:18-20 en Sef. 3:14-16). Die dag – dies irae, dies ira! – zal een dag zijn ’van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisternis’. Jezus Christus leed op Golgota wel degelijk ook wat wij niet hoeven te lijden. Het volle gewicht van Gods toorn over de hele mensheid. Ook ik heb dus een aantal bezwaren tegen het boekje van ds. Harmannij.
Keren we echter terug naar de kern, de ook pastorale kern van het boekje, dan wil ik – zo schreef ik al – ds. Harmannij van harte bijvallen, zij het dat de weg via welke ik tot deze gedachte kom een andere is dan die van ds. Harmannij. Deze artikelenserie heb ik geprobeerd te laten zien dat er in het lijden van de Heiland een dimensie zit, die binnen onze gereformeerde traditie een te geringe rol speelt. Het evangelie bevat niet alleen een boodschap van verzoening, maar niet minder een boodschap van verlossing. Bewandel je deze weg, dan worden andere accenten gelegd. Meer gericht op het beoefenen van gerechtigheid in deze wereld, meer gericht op de bevrijding niet alleen van dood en schuld, maar ook van onrecht. Tal van politieke en ethische implicaties komen in het lijdensevangelie te liggen. Maar juist in de lijn van deze benadering van Christus – niet alleen als offer voor de zonde, maar als Degene die in de lijn van de lijdende rechtvaardigen geleefd heeft –, kan het lijden van de Heiland en ons lijden heel dicht bij elkaar komen.

Nogmaals Psalm 22
In een vorig artikel heb ik aangegeven, dat de persoon om wie het in Psalm 22 gaat de Christus is. Psalm 22 heeft sterk profetische momenten. Toch kunnen we niet van een uitsluitend profetische psalm spreken. Er zijn kleine details, die een exclusieve toepassing op Christus in de weg staan. Het gered worden van het zwaard (26) en het betalen van geloften (26) zijn gegevens, die niet direct aan de persoon van Jezus Christus te verbinden zijn. Belangrijker is, dat de tekening van het lijden in 2-22 iets van alle tijden in zich heeft. Calvijn al zag in deze tekening iets samenvattends4, anderen spreken van een model5. De ellende van deze ootmoedige is inderdaad niet zo uitzonderlijk beschreven dat andere ootmoedigen moeten afhaken.
Een Jozef, een David, een Hizkia en vele honderdduizenden ongenoemden die geleden hebben onder de demonische haat van goddeloze mensen zouden zich in één of meerdere aspecten van dit deel van de psalm kunnen herkennen. Dit overigens maakt deze psalm volgens mij niet minder Messiaans, maar méér Messiaans.
De psalm – en dat geldt van het hele evangelie en ook dit ben ik met ds. Harmannij eens – is mede Messiaans, júíst omdat alle ootmoedigen erbij aan kunnen haken. Daarom gaat er van de psalm door de vervulling in Christus voor de ootmoedigen van alle plaatsen en tijden ook zo’n troost en appèl uit. Zoals Paulus het geschreven heeft: ’immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking’ (Rom.8:17).

Voltrekt gelijk en toch groter
Jezus leed óók wat wij lijden. En, dat betreft niet alleen het lijden door onrecht. Dat betreft ook het lijden door meer ’natuurlijke’ oorzaken. Jezus is ook deelgenoot geworden van onze kanker en onze blind- en doofheid en wat wij ook allemaal lijden kunnen. Hij was een ’man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja als iemand, voor wie men het gelaat verbergt’ (Jes.53:3). Jezus leed wat wij nu lijden.
Hij is ons in het lijden, elk lijden, heel nabij gekomen en een ieder die gebukt gaat onder onrecht onder ziekte, mag weten dat Jezus hem of haar daarin nabij is. Dat wil niet zeggen dat het lijden van Christus niet groter was dan het onze. Maar ook als het groter was dan het onze – en dat was het! – dan mogen we ons lijden toch volkomen in het zijne opgenomen weten.6 Meer hoeft toch niet?


Noten
1 Ds. K. Harmannij, Jezus leed wat wij nu lijden, Kampen 1977
2 In twee artikelen in het Nederlands Dagblad van resp. 21 en 29 augustus 1997
3 Zie Nederlands Dagblad van 6 juli jl.
4 Zie Johannes Calvijn, Het boek der psalmen verklaard (vert. J. Boer Knottnerus), Utrecht 19702, pg.252vv.
5 Zie o.a. Hans-Joachim Kraus, Psalmen (BK Band XV/1), Neukirchen 19612, pg.184 en N.A. van Uchelen, Psalmen (POT), deel 1, Nijkerk 1971, pg.148,149
6 Je zou op het hele vraagstuk dat Harmannij bezighoudt vr. en antw. 48 van de Heidelbergse Catechismus kunnen toepassen, het zg. extra-calvinisticum. Een theologisch hulplijntje, dat -toegepast op Christus’ en ons lijden ons leren kan dat zijn lijden het onze wel overstijgt, maar toch ook daarin aanwezig is en volstrekt daarmee verenigd blijft.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief