Aan elkaar gehecht

1998-08-07
  • Jaargang 42
  • nummer 16
Kinderen en ouders hebben een bijzondere band met elkaar. Die band groeit al voor de geboorte, maar ontwikkelt zich verder na de geboorte. We noemen deze relatie vaak onder het verzamelbegrip ’hechting’. Onder hechting verstaan we de bijzondere band die er is tussen dit kind en déze ouders (1).

Voor de geboorte groeien de ouders en het kind al naar elkaar toe. Psalm 139 verwoordt het zo mooi: nog vóór ogen mij gezien hadden, hebt U mij al gezien. De verwachting is er, maar wie het kind werkelijk is, blijft voor de ouders een verrassing. Wel is er een gerichtheid op dit kind: zal het een jongetje of een meisje zijn? Op wie zal het lijken? Zal het gezond zijn?

Zintuigen
Al maanden voor de geboorte functioneren de meeste zintuigen van de baby. Daardoor kan het kind zich ook al (onbewust) richten op de moeder. Mogelijk vormt deze ’richting’ al de eerste bouwsteen voor de hechting van dit kind aan deze moeder. Het kind wordt dus niet ’blanco’ geboren. Uit onderzoek blijkt dat kinderen van enkele dagen oud al een lichte voorkeur vertonen in de richting van de eigen moeder.


Eenkennig
Al maandenlang past Ingrid iedere woensdagavond op bij de buren. Marieke is inmiddels een vrolijke baby van 8 maanden oud. Vorige week trok Marieke een pruillip toen haar moeder de deur uit ging. Vanavond lukt de oppas helemaal niet meer. Marieke valt niet te kalmeren. In bed, op schoot, met haar rondlopen: het helpt allemaal niets. Als haar moeder om 10 uur uit koor terug komt, en haar op schoot neemt, valt Marieke binnen een paar minuten uitgeput in slaap.


Het eerste lachje
Als de baby een aantal weken oud is, wordt het contact steeds meer gericht op de volwassene. De ouders op hun beurt proberen het kind uit te lokken. Uit deze interactie groeit de eerste lach van de baby. Die glimlach wordt door ouders vaak geïnterpreteerd als een blijk van (h)erkenning: ’’we hebben het goed met elkaar’’. Het lachen van de baby werkt ook weer aanstekelijk: de ouders proberen steeds weer een lachje aan hun kind te ontlokken. De baby op zijn beurt lijkt iets te ervaren van de sfeer die dit contact met zich meebrengt.
Hoewel er bij jonge baby’s dus al sprake is van een lichte voorkeur, spreken we dan nog niet van hechting.
Een baby is een allemansvriend. Hij lacht misschien iets gemakkelijker tegen de eigen ouders, maar ook aan wildvreemde mensen toont hij zich vaak op zijn best. Dat komt mede omdat de baby nog niet zo scherp waarneemt: hij kijkt min of meer ˛globaal ˛. Zodra er iets is dat op een gezicht lijkt, lokt dit een lach bij hem uit.

Eenkennig
Als de baby ongeveer 8 maanden oud is, lijkt hij zich opeens meer bewust te worden van de verschillen tussen de mensen. Hij gaat opeens het verschil zien tussen bekenden en onbekenden. De overgang naar de eenkennigheid kan zich binnen enkele weken voltrekken. Een goedlachse baby kan opeens heel eenkennig worden. Voor ouders is dit een lastige periode, waarin ze (opnieuw) min of meer aan huis gebonden kunnen zijn. Toch is deze periode van eenkennigheid ook een belangrijke fase in de ontwikkeling. Het betekent namelijk dat het kind bezig is een duidelijke voorkeur te ontwikkelen. Het heeft de ervaring opgebouwd dat déze ouders voor hem belangrijk zijn. Met andere woorden: mensen zijn niet inwisselbaar. Niet ieder kind wordt overigens even eenkennig. Sommige kinderen lijken deze fase min of meer over te slaan.
Maar wie goed kijkt, ziet dat het kind, vooral als het ziek of moe is, toch een voorkeur heeft voor de meest vertrouwde mensen. Waarom die verschillen er tussen kinderen zijn is niet echt duidelijk. Vaak wordt geopperd dat eenkennigheid minder is als het kind bij vaak andere mensen ziet. Ook deze stelling lijkt echter niet houdbaar.
Immers: ook binnen hetzelfde gezin kunnen de verschillen groot zijn. Vermoedelijk speelt het temperament van het kind een rol mee. Sommige kinderen die lekker in hun vel zitten hebben -bij wijze van spreken- voor iedereen een vriendelijk woord. Als het kind ziek is of pijn heeft, blijkt echter opeens de duidelijk voorkeur voor de eigen ouders.

Intermezzo: slechte kindertehuizen
Hechting lijkt een heel gewoon principe binnen de opvoeding. Wat de werkelijke betekenis van deze bijzondere band is, zien we pas als er geen of weinig hechting tot stand komt. Dat is bijvoorbeeld het geval bij kinderen die in slechte kindertehuizen opgroeien. Ze leven in een grote groep met steeds wisselende begeleiding.
Voor deze kinderen zijn volwassenen dan ook inwisselbaar. Immers: de één komt en de ander gaat. Het is voor hen nauwelijks mogelijk om een voorkeur te ontwikkelen voor bepaalde personen. Opvallend is dat ze tegen iedere bezoeker vriendelijk kunnen reageren. Het vermogen om langdurige relaties aan te gaan is echter vaak zeer beperkt. Hun leven lijkt bepaald te worden door de kunst van het overleven. Veel van deze kinderen komen dan ook aan de rand van de samenleving terecht en daarmee ook in de criminaliteit. Als er nooit iemand van jou heeft gehouden, hoe zou jij dan van een ander kunnen houden?

Symbiose
Tussen de leeftijd van ruim 6 maanden en ongeveer 18 maanden is de hechting tussen het kind en (meestal) de moeder meest intens. In een aantal boeken wordt in dit verband over een symbiose gesproken: een twee-eenheid tussen moeder en kind. Dat wil niet zeggen dat het kind alleen maar bij de moeder kan zijn. Er is sprake van een hiërarchie van hechtingspersonen.
De peuter heeft een uitgesproken voorkeur voor de moeder, maar als zij er niet is, zijn er andere vertrouwde personen die deze rol over kunnen nemen: vader, de vaste oppas. Kinderen die in een te klein kringetje opgroeien zijn op dit punt kwetsbaar (bijvoorbeeld een kind van een ongehuwde moeder die verder nauwelijks contacten heeft). Als de moeder wegvalt is er geen vervangende verzorger meer. Aan de andere kant is het voor een kind dat veel ˛gelijkwaardige˛ personen om zich heen heeft ook moeilijk om voorkeuren te ontwikkelen (denk aan de situatie in kindertehuizen). In deze leeftijd zien we ook dat veel kinderen behoefte krijgen aan een knuffel. De ouders kunnen niet altijd bij het kind in de buurt zijn. De knuffel vervangt dan als het ware de moeder.
Sommige kinderen hebben jarenlang dezelfde knuffel, die eigenlijk niet gewassen mag worden, want ze hechten zich ook aan de geur (het sterkst ontwikkelde zintuig). De knuffel gaat dan ook overal mee naar toe: in bed, op visite, met vakantie en zeker naar het ziekenhuis.

Ikke!
Na de leeftijd van ongeveer 1 jaar wordt de afhankelijkheid van het kind ten opzichte van de moeder geleidelijk minder. Het kind gaat letterlijk en figuurlijk op eigen benen staan. Het ontdekt dat het ’nee’ kan zeggen en ’nee’ kan doen. Deze ontwikkeling is voor veel ouders een lastige periode: peuters kunnen hun ouders tot wanhoop brengen. Als je zegt dat het kind zijn broodje op moet eten, zegt het nee! Maar als je dan als ouder zegt dat het niet hoeft, is het wéér niet goed. Tegelijkertijd is het een heel belangrijke periode: het kind móét immers los komen van de ouders? In dezelfde periode zien we een toename van angsten bij het kind. Het kind wil groot zijn, maar het is tegelijk heel erg afhankelijk van zijn ouders. Het groot-willen-zijn roept dus ook angsten op. De meest ingrijpende angst is de verlatingsangst. De peuter heeft ontdekt dat hij bij pappa en mamma weg kan lopen, maar daardoor is hij tegelijk bang geworden dat hij pappa en mamma niet terug kan vinden of dat pappa en mamma bij hém weglopen. Daaruit vallen de nachtelijke angsten van veel peuters (mede) te verklaren: zijn pappa en mamma er nog wel? Ook de angsten voor bijvoorbeeld monsters (een eng beest onder het bed) ontstaan in deze periode. De peuter loopt op eigen benen, maar hij komt als kleine zelfstandige veel dingen tegen die zijn begrip te boven gaan. Omdat fantasie en werkelijkheid door elkaar lopen, kan de fantasie een eigen leven gaan leiden. Het ene moment speelt de peuter iets, op het volgende moment is die fantasie een (bedreigende) werkelijkheid geworden.

Golfbeweging
Wanneer we naar de hechting van kinderen kijken, ontdekken we een golfbeweging. Voor de geboorte is er een soort twee-eenheid tussen moeder en kind. Na de geboorte groeit het kind opnieuw naar de moeder (en in tweede instantie: naar andere opvoeders) toe. Na de leeftijd van 1 jaar groeit de peuter weer bij de moeder vandaan: hij ontwikkelt een eigen wil en wordt daarmee een eigen persoon.

Vragen
De hedendaagse en kritische lezer zal – na het lezen van deze bijdrage – een aantal vragen willen stellen.
Enkele vragen op een rijtje:
a) In deze bijdrage wordt steeds gesproken over de rol van de moeder (dat heeft overigens ook te maken met de leesbaarheid). Maar is dat accent bij de moeder wel terecht? Is die rol niet cultuur-bepaald? Stel dat de vader van jongs af aan voor het kind zorgt, neemt hij dan niet die rol over?
b) Een tweede – soms zeer gevoelig liggende – opmerking is: in deze tijd van tweeverdieners worden veel jonge kinderen ondergebracht bij een vaste oppas of in een crèche of peuterspeelzaal. Doen twee buitenshuis werkende ouders hun kinderen tekort of juist niet? Sommige onderzoekers menen dat deze opvang goed is voor kinderen, anderen tonen zich juist kritisch (2). Opmerkelijk is in dit verband de hausse aan kritische bijdragen over kinderopvang in de USA (3). En dan de prangende vraag: hoe gaan we als christelijke gezinnen met deze vragen en met onze verantwoordelijkheid om?
c) Een derde opmerking komt uit de kinderpsychiatrische hoek. Er zijn kinderen die zich moeilijk hechten. We spreken dan o.a. over het brede spectrum van autistische stoornissen.
Hoe komt het dat een kind niet tot hechting komt? En vervolgens: wat zijn de behandelingsmogelijkheden?
d) Tenslotte: gaat hechting vanzelf, of hebben ouders bepaalde vaardigheden nodig? Als dat laatste het geval is: wat zijn voorwaarden voor het kind om tot hechting te komen?

Afspiegeling
Vragen te over, die in deze beperkte bijdrage in Opbouw echter niet beantwoord kunnen worden. Dat sluit echter niet uit dat er in een later stadium nog eens nader over van gedachten gewisseld kan worden.
Het accent in dit artikel ligt op de ontwikkelingslijn. Een kind dat zijn ouders gaat herkennen, zich bij hen veilig en geborgen voelt, heeft later voldoende ’energie’ om te leren om op eigen benen te gaan staan. De eerste 3 levensjaren vormen het fundament voor de emotionele ontwikkeling van de mens. Het is een door God ingegeven behoefte van kinderen en ouders om op elkaar gericht te zijn. Uit deze afstemming op elkaar ontwikkelt zich een basisgevoel van veiligheid: het is goed om bij elkaar te zijn. De hechting vormt ook een afspiegeling van de relatie die er is tussen God en de mens. Ouders vormen als het ware de eerste ’afbeeldingen’ van God voor het kind. Zo lezen we het ook in Psalm 103: ’’Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen, ontfermt zich de Here over wie hem vrezen (4).’’

Noten:
(1) Deze bijdrage is een verkorte en gewijzigde bewerking van een bijdrage die ik schreef voor het boek: ’Met vallen en opstaan’ (uit de Serie Christelijke Opvoeding onder redactie van Dr. J. Stolk. Uitgeverij: Groen en Zoon, 3e druk, 1998).
(2) Aan dit vraagstuk werd al eerder aandacht besteed in ’Opbouw’ (1995/10, 11, 16, 17 en 24; 1996/2).
(3) Zoals de zgn. “Mothers at Home’’- beweging in de Verenigde Staten. Publicaties zijn o.a.: Being There (Barron’s, 1996) en Smart Woman at Home (1992).
(4) Psalm 103 bezingt de rol van de vader. Dr. R.W.M. Croughs schrijft in zijn boek ’Het kind in gezin en samenleving’ (Wever, 1979) dat de vertaling eigenlijk zou moeten luiden: ’zoals een vader moederschotig is voor de kinderen, is Jahweh moederschotig voor wie Hem vrezen’ (blz. 159).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief