Huisbezoek
1998-09-04
Huisbezoekhulpje- Jaargang 42
- nummer 18
Ds. C. van der Leest schreef terecht, dat het bijna onmogelijk is het doel van het huisbezoek in een paar woorden samen te vatten. Het gaat om spreken én luisteren, meeleven tonen én de boodschap uitdragen. Het gaat om het zoeken van de vruchten van het geloof, maar ook om het gieten van water op droge grond.
Ds. Van der Leest gaf als beknopte omschrijving van het doel van het huisbezoek: door het huisbezoek moeten de ambtsdragers de kerkleden erbij helpen, dat ze zich over de volle breedte van het leven (kunnen) opstellen als gehoorzame en ontspannen kinderen van God.
Wanneer je erin slaagt de bezochte gemeenteleden die hulp inderdaad te bieden, dan kun je spreken van een goed bezoek. Wanneer het gebruikelijke huisbezoekthema niet als harnas, maar als niet meer dan een hulplijntje functioneert, kan het goede diensten verlenen. Het is als een kapstokhaakje. Je kunt er een goed gesprek aan ophangen, soms merk je al gauw dat het beter is een ander haakje te gebruiken. Gezien het karakter van het huisbezoek komen vooral thema’s in aanmerking die je als christen dicht op de huid zitten. Met het thema ’het gebed’, of beter nog ’mijn/ons gebed’, zul je meestal zonder veel moeite bij de kern uitkomen. In een gesprek waarbij ’de gemeenschap der heiligen’ de invalshoek is heb je even wat meer tijd nodig. En er mag ruimte zijn om de pijn over het gebrekkig functioneren daarvan onder woorden te brengen.
Maar ook dit thema brengt je bij de vraag: leef je samen met Christus? En houd je zijn gaven voor jezelf of deel je met anderen (zondag 21 H.C.)?
Tips
Je mag aannemen dat zowel de ambtsdragers als degenen die bezoek krijgen vooraf om Gods zegen gevraagd hebben. Daarom is het niet nodig altijd met Bijbellezing en gebed te beginnen. Sommige ouderlingen maken er een regel van om als het even kan het op gang gekomen gesprek niet te onderbreken en pas aan het einde van het bezoek uit de Bijbel te lezen en te bidden.
Dat blijkt vaak goed te werken. Het heeft vaak iets onnatuurlijks om nadat je al een kwartier aan de praat bent het gesprek te onderbreken en opnieuw en nu ’officieel’ te beginnen. Til daarbij niet licht aan de betekenis van de voorbede, aan het slot van het bezoek. Zelfs wanneer een goed gesprek niet van de grond kwam kan het gebed voor de betrokkenen heel veel betekenen. Het overkomt je niet zo vaak, dat er door ambtsdragers speciaal voor jóu gebeden wordt. Ook voor jonge mensen is dat belangrijk. Sommige jongeren zullen het liefste het huisbezoek in de kring van het gezin meemaken en dat is uiteraard te respecteren. Maar de noodzaak van persoonlijke aandacht voor jonge mensen in de kerk groeit steeds meer. Een gemeente die zuinig is op haar toekomst zal al gauw een speciaal accent leggen op aandacht voor jongeren. Stel jonge mensen vanaf zestien jaar in de gelegenheid apart huisbezoek te krijgen. Het heeft al veel fijne gesprekken opgeleverd. En waarom zou je de huisbezoeken bij deze jongeren (trouwens ook bij ouderen en een deel van de alleenstaanden) twee-aan-twee moeten afleggen? Het eenmanshuisbezoek maakt naar de ervaring leert vaak een persoonlijker contact mogelijk en is ook gewenst vanuit het oogpunt van werkdruk.
En ten slotte: was het een goed bezoek? Op de kerkenraad wordt vaak kort gerapporteerd: het was een goed bezoek. De kerkenraad neemt er dankbaar kennis van. Maar hebben de bezochte gemeenteleden dit zelf ook zo beleefd? Waarom zou je niet het huisbezoek afsluiten met een evaluerende vraag?
Het antwoord op die vraag zal de ambtsdragers kunnen helpen wanneer ze de volgende keer hetzelfde adres bezoeken. Die afsluiting lijkt me te verkiezen boven de vaak wat obligate vraag of de broeder en zuster zelf nog ’iets aan de orde willen stellen’. Ouderlingen zijn geen postbodes die vragen van gemeenteleden moeten overbrieven. Wanneer je die vraag tóch wilt stellen lijkt het beter die te bewaren voor een tussendoorbezoekje, zodat het huisbezoek daardoor niet belast hoeft te worden.
Dit stuk is een gedeelte van een artikel van de hand van ds. G. Gunnink, (vrijgemaakt) gereformeerd predikant, dat hij publiceerde in het bekende weekblad ’De Reformatie’. We hebben het overgenomen uit de: ’Gereformeerde Kerkbode voor Groningen, Friesland en Drenthe’. Het is heel goed aan het begin van het nieuwe seizoen extra aandacht te besteden aan het huisbezoek. Het geeft niet hoe men het aanpakt als er maar een gesprek ontstaat over het geloofsleven, het kerkelijke meeleven en de christelijke opstelling in de maatschappij.
Terecht wordt in het geciteerde artikel geponeerd, dat de jongeren erbij horen. Dat dient op het huisbezoek duidelijk uit de verf te komen. Wanneer een jongere van ± twintig jaar tijdens het huisbezoek er voor spek en bonen bij zit en aan het slot alleen nog maar aan hem gevraagd wordt waarom hij geen lid van de jeugdvereniging is, moet men zich niet verbazen, dat dat niet goed landt en zo’n jong gemeentelid eerder van de kerk vervreemdt. En wanneer op de kerkenraadsvergadering regelmatig wordt gerapporteerd, dat het een goed bezoek was, mag men wel eens vragen wat de ouderlingen onder een goed bezoek verstaan en wát er dan zo goed was. Laat men dan eens wat breder ingaan op de goede dingen, die men tegenkwam. Dat kan strekken tot bemoediging van de mede-ambtsdragers en een dam opwerpen tegen ingezonkenheid. Zo kun je samen verder in het vaste geloof, dat de HERE Zélf zijn werk doet ook via het huisbezoek tot opbouw van de gemeente!