Het voordeel van de twijfel, of beter nog, het oordeel der liefde (1)

1998-09-18
  • Jaargang 42
  • nummer 19
Onlangs maakte ik het mee, dat in een gesprek de uitdrukking ’het voordeel van de twijfel’ viel, ’the benefit of the doubt’, zoals je de Engelse versie onder ons ook wel tegenkomt.
Hé, daar is het weer, noteerde ik van binnen, want ik kom het vaker tegen. Vaag herinnerde ik me dat die uitdrukking ook wel eens spontaan bij mij opgekomen was bij het bestuderen van sommige wetsbepalingen in de bijbel. Toch kon ik dat voor mezelf niet meer concreet krijgen. Ik ben daarom nog maar eens door de wetten van Mozes heen gekropen om mijn geheugen op dit punt wat op te frissen. Inderdaad heb ik er toen op mijn leestocht weer een drietal voorbeelden van teruggevonden. Graag wil ik de lezer daar iets van vertellen, want het gaat hier over een belangrijk rechtsbeginsel, waar iedereen, ook buiten de balie, wel eens gebruik van maakt. Maar wat ik óók vond, was dat de term ’voordeel van de twijfel’ bijbels gesproken toch eigenlijk niet zo passend is. Dat zal ik onderweg wel duidelijk maken. De titel boven dit artikel geeft trouwens al aan in welke richting dat zal gaan.

Geen biblicisme
Een drietal bepalingen dus uit de wetten van Mozes, te weten: Exodus 21 : 20 en 21, over de heer die zijn slaaf doodt; Exodus 22 : 2 en 3a, over de dief die bij inbraak het leven laat; Deuteronomium 22 : 23 - 27, over de ondertrouwde vrouw die verkracht wordt. Ik moet trouwens vooraf wel zeggen dat het me vooral gaat om de geest die uit die bepalingen spreekt. De bepalingen zelf zijn achterhaald. God dank zijn er sinds Mozes ontwikkelingen in het rechts-denken geweest. Die mogen we niet verachten.
Gaat iemand het dus voor die wettelijke bepalingen zelf opnemen en gaat hij vinden dat de dingen vandaag de dag eigenlijk nog net zo geregeld zouden moeten worden, want: ’het staat in de bijbel’, - dan vindt hij mij tegenover zich. Daar komt niets van in! We zijn geen biblicisten.

Terughoudendheid in het oordelen
Wat is eigenlijk het overeenkomstige in de drie wetsregels die we nu bij de kop hebben genomen? Nu, het gaat (zoals gezegd) in alle drie de gevallen om wat men gewend is ’het voordeel van de twijfel’ te noemen. Het voordeel van de twijfel wil zeggen dat wanneer je twijfelt of iemand iets goed dan wel fout heeft gedaan, die twijfel in het voordeel uitvalt van degene over wiens gedrag je oordeelt.
Je onthoudt je dan namelijk van een oordeel en dat betekent dat die ander vrijuit gaat. Dus gesteld, iemand staat onder verdenking van diefstal, er zijn aanwijzingen, maar die kunnen niet in een hard bewijs omgezet worden, dan is het voordeel van de twijfel dat je ophoudt die verdenking te koesteren en de ander daarmee lastig te vallen. De ander krijgt weer een open kans van jou. In de rechtspraak zou je dat noemen: vrijspraak bij gebrek aan bewijs. Het voordeel van de twijfel kan alleen maar gedijen in een omgeving waar men niet tuk is op veroordelen. Ben je wel graag en snel in het veroordelen dan voel je je door bedoeld beginsel de buit ontgaan en word je verdrietig. Je had zo graag geoordeeld en nu maakt de twijfel je dat onmogelijk.
Jammer! U moet uzelf maar eens onderzoeken hoe dat met u staat. En bent u dan zo iemand die het oordelen en het veroordelen haast niet laten kan, dan moet u maar eens goed luisteren naar wat Mozes hier voorschrijft. Hij grijpt met zijn bepalingen eigenlijk al vooruit op het onderwijs van de Heiland die gezegd heeft: ’oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld wordt’ (Matt. 7 : 1). De Meester heeft daarmee natuurlijk niet bedoeld dat we ten opzichte van elkaar moreel onverschillig zouden moeten worden. Maar de graagte waarmee mensen over elkaars gedrag de staf breken hekelt Hij met zijn woorden nadrukkelijk. En Mozes is van dezelfde geest bezield. Hij verschaft in de wetten die we nu voor ons genomen hebben, de mogelijkheid om opgelucht te zeggen: Ha, fijn! Ik hoef hier gelukkig niet over te oordelen!
Want een mens behoort het heerlijk te vinden wanneer hij zich van een oordeel in de zin van een veroordeling kan onthouden. En omgekeerd behoort hij in zichtbare verlegenheid te komen, wanneer hem zulk oordelen wordt opgelegd. Onmogelijk is in ieder geval het standpunt van iemand als prins Absalom: ’Ach, stelde men mij toch aan als rechter over Israël! (II Samuël 15 : 4)’. Met die opmerking maakte hij eens voor goed duidelijk wat voor een hals hij eigenlijk was.

Exodus 21 : 20 en 21
Laten we nu naar de bepalingen zelf gaan. Het eerste voorschrift uit Exodus 21 staat temidden van regels betreffende de doodslag, dood door schuld en toebrenging van lichamelijk letsel. Het geval wordt onder handen genomen dat iemand zijn slaaf doodt.
Moet dat apart geregeld worden?, vraagt u zich af. Doodslag is toch doodslag, onverschillig of het een slaaf dan wel een vrije betreft? Het zesde gebod van de Tien Woorden is daarover toch duidelijk genoeg? Maar dan begrijpt u niet wat slavernij eigenlijk was. Die ging veel verder dan wij denken. De macht van een heer over zijn slaaf was praktisch onbeperkt. ’Want de slaaf is zijn eigen geld’, zie je hier staan (Ex. 20 : 21). Een gruwelijke constatering in onze ogen, maar zo was het nu eenmaal.
De slaaf was het persoonlijke bezit van zijn meester. En nu begrijpen we waarom er een aparte bepaling nodig was voor het geval dat een heer zijn slaaf doodde. Twee sferen van recht botsten hier namelijk op elkaar. De sfeer van het publieke recht dat doodslag zeer hoog opnam en de sfeer van het privaat-recht dat aan de heer een vrijwel onbeperkte beschikkingsmacht over zijn slaaf toekende. Hoe moest dat nu, wanneer een heer zijn slaaf doodsloeg? Regelmatig kregen slaven met de stok. Om redenen van luiheid of oneerlijkheid of wat maar niet. Het kon daarbij gebeuren dat de heer te hard sloeg en de slaaf onder de aframmeling bezweek. Het was doodslag, zonder meer. Maar: in de private sfeer, dat stond niet minder duidelijk vast. De heer kon zeggen: dat ik mijn slaaf tuchtig, gaat niemand wat aan, het is míjn slaaf en daarmee basta. Vreemd? Zeer vreemd - voor ons! En u begrijpt nu ook wel waarom ik zoëven nogal fel uithaalde naar degenen die vinden dat de wetten van Mozes voor onze tijd nog goed zijn, omdat ze in de bijbel staan. Daar kunnen we niet duidelijk genoeg afstand van nemen. Voor geen geld moeten we naar die tijd terug willen.

Het compromis
Onze interesse gaat dan ook niet naar die bepalingen zelf uit, maar naar de wijze waarop Mozes dat conflict tussen die beide sferen van het recht oplost. Het publieke recht wilde bestraffing van de doodslager, maar het private recht zei: handen af! Wat doet nu de wetgever? Die vindt een compromis. ’Wanneer iemand zijn slaaf of zijn slavin met een stok slaat, zodat deze onder zijn hand sterft, zal deze zeker gewroken worden. Blijft hij evenwel nog één of twee dagen overeind (zoals er letterlijk staat; de bedoeling zal inderdaad wel zijn dat hij in leven blijft), dan zal hij niet gewroken worden, want hij is zijn voor geld gekocht bezit’. Het compromis is dat het al te schrijnende wordt bestraft. Het geval namelijk dat de slaaf onder de tuchtiging zelf sterft en het verband tussen het pak rammel en de intredende dood zonneklaar en onloochenbaar is. Komt er evenwel een korte spanne tijds te liggen tussen het pak slaag en de ingetreden dood dan onthoudt de rechter zich van ingrijpen en wint het private recht het van het publieke. De heer krijgt op deze manier het voordeel van de twijfel. Maar ook in geval de rechter wèl ingrijpt, blijft de bepaling wat betreft de strafmaat vaag: ’... zal zeker gewroken worden’, - hoe, met welke straf, dat blijft in het midden. De wetgever denkt zich alle gevallen in en blijft daarom aan de voorzichtige kant. Want gesteld nu eens dat de heer van die slaaf een hoge heer, bijvoorbeeld een algemeen gerespecteerd stamhoofd is, die bovendien in een reuk staat van goed met zijn personeel om te gaan? Dat zou de weegschaal dan weer van het een naar het ander kunnen doen omslaan. Nu, zo wordt bepaald: gewroken moet er worden, dit mag niet zomaar passeren, maar hoe zwaar de straf zal wezen, dat moet in het proces zelf maar worden uitgemaakt, met afweging van alle betrokken belangen.

Het zachte karakter van Mozes’ wet
Waterdicht kun je deze bepaling niet noemen. Zeker voor ons besef niet. Want voor een huidige dokter zou het niet moeilijk zijn om de oorzaak van het naderhand sterven van de slaaf te herleiden tot de tuchtiging. Inwendig letsel of inwendige bloedingen zijn tegenwoordig gemakkelijk te constateren.
De schuld zou dus wel degelijk vast te stellen zijn. Maar de wetgever gunt de heer, aan de hand van het gemaakte onderscheid, het voordeel van de twijfel. Klasse-justitie!, schreeuwen wij. Maar echte klasse-justitie zou het pas zijn als de rechter in álle gevallen deed of zijn neus bloedde. Het instituut van de slavernij (dat Mozes overigens niet uitgevonden had; het bestond gewoon in die wereld) gaf aanleiding tot klasse-justitie, dat is waar, maar Mozes’ wet gaat dat naar vermogen tegen. Zij stelt paal en perk aan de grote beschikkingsmacht van de heer tegenover zijn slaaf en roept aan het al te stuitende een halt toe. Een nog verder aantasten van de private sfeer zoals wij voor geboden zouden houden, zou in die tijd niet gedoogd zijn.
Maar waar ik hier nu vooral op wijzen wil, dat is dat het oordeel van de wetgever in deze bepaling een oordeel der liefde is. Van het goede van de heer wordt uitgegaan. De heer is een heer. Hij tuchtigt zijn slaaf wel, maar hij slaat hem niet dood - tenzij dat onomstotelijk bewezen is en je daar van geen kant omheen kunt. De mogelijkheid om hem vrij te pleiten wordt derhalve aangegrepen. De wetgever is niet tuk op oordelen maar gaat daar alleen toe over als hij er niet onderuit kan. Dat geeft aan de wet van Mozes een zacht karakter. Mensen worden naar vermogen in hun waarde gelaten. Wij moeten dat overnemen. In de rechtszaal maar ook in de onderlinge gesprekken. Elke maaltijd in het gezin is een soort proces waarin over mensen geoordeeld wordt. In figuurlijke zin ligt over elke gezinstafel een groen laken als bij de balie. Is de ander veilig in onze gesprekken? Houden we de ander ten goede? Of dichten we hem bij voorbaat slechte motieven voor zijn daden toe? De wet van de Here God door de dienst van Mozes gaat ons daar niet in voor.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief