Kinderen in de liturgie
1998-09-18
In Opbouw zijn in de afgelopen tijd artikelen verschenen van drs. Algra over het onderwerp: Kinderen en de kerkdienst. Dit naar aanleiding van de discussie binnen de vrijgem. geref. kerken over de plaats van kinderen tijdens de kerkdienst. Er werd zelfs een congres aan dit onderwerp gewijd. Verheugend is dat drs. De Bruijne (één van de sprekers op het congres) inziet dat liturgische vernieuwing hard nodig is. Hij ziet tevens mogelijkheden in het gebruik maken van gaven die kinderen hebben. Hij wil niet de kant van de kindernevendienst uit. De Bruijne vindt zelfs dat we de liturgische vernieuwing juist afremmen als we op het spoor van de kindernevendienst gaan zitten. Toch meen ik dat liturgische vernieuwing en kindernevendienst elkaar niet hoeven uit te sluiten.- Jaargang 42
- nummer 19
Kinderen horen erbij
In juni/juli ’87 schreef ik al een artikel in Opbouw met als titel: ’Kind en liturgie.’ Daarin legde ik allereerst het fundament van de Schrift onder dit onderwerp. Uit het Oude Testament blijkt nl. dat kinderen vragen stellen over Gods verordeningen, de paasnacht en de gedenkstenen die werden opgericht. Volwassenen vertellen daarop hoe God bevrijd heeft in de geschiedenis van het volk Israël. ’s Heren roemrijke daden en Zijn wonderen worden steeds opnieuw aan kinderen doorverteld. Volwassenen worden zelfs opgeroepen om naar kinderen te luisteren, omdat ze scherp zien en horen en God loven. De groten en de kleinen delen samen in de lofzang.
In het Nieuwe Testament spelen de kinderen een rol in het leven van Jezus. Nadat Hij de tempel gereinigd heeft, zingen de kinderen: ’Hosanna, Zoon van David.’ Jezus heeft ruimte gemaakt voor lammen en blinden, die Hij geneest èn voor kinderen, die Hem lof bereiden. Hij stelt ze zelfs ten voorbeeld aan de volwassenen, die hen bij Jezus willen weghouden. Maar Hij nam het hen zeer kwalijk en zei: „Laat de kinderen tot Mij komen, verhindert ze niet, want voor zodanigen is het Koninkrijk Gods.” Jezus omarmt ze, legt hen de handen op en zegent hen. Ze krijgen goede woorden mee voor onderweg, voor hun leven. Zo leren we uit de Schrift dat kinderen erbij zijn als de liturgie gevierd wordt. Uit de geschiedenis van de christelijke kerk blijkt dat er al aandacht voor kinderen was. Ze gingen voorop bij de doop en bij het delen van brood en wijn. Ook bij de gebeden en de zang deden ze actief mee. Luther gaf b.v. enige psalmen op die voor het ’jonge volk’ gemaakt waren. Calvijn liet door henzelf aangeleerde psalmen, die nieuw waren, aan het kerkvolk vóór zingen. We kunnen hier uit leren dat kinderen een eigen plaats hadden in de gemeente en dus volwaardig meededen.
Ruimte maken voor kinderen
Drs. De Bruijne signaleert dat de theorie niet aansluit bij de praktijk. Kinderen ervaren de kerkdienst niet als hún dienst. Er zijn zeker struikelblokken voor kinderen in de kerk: de dienst duurt vaak te lang; er is gebrek aan beweging; ze moeten te veel luisteren; de woorden, de zinnen en de stof van de preek zijn gericht op volwassenen. Dus moet het anders in de kerk. Ds. De Bruijne zet op een goede manier uiteen hoe je kinderen kunt inschakelen tijdens de dienst. Toch wil ik hier enkele aanvullingen op maken.
Bij het meedoen in de gebeden kan de nood van kinderen in de wereld aan de orde komen. Kinderen zien veel voor de tv en worden er door geraakt. In sommige gemeenten worden kaarsen aangestoken. Dit kan door kinderen gebeuren. In gesprekken met kinderen bij het doopvont of de avondmaalstafel kan verduidelijkt worden wat de betekenis van dit alles is. Tijdens hoogtijdagen, met Pasen en Pinksteren, kan er een spel gespeeld worden met gemeenteleden van alle generaties. Niet alleen kinderen, maar ook volwassenen dienen in ’t algemeen meer ingeschakeld te worden bij de verschillende onderdelen van de liturgie. Dan zijn we vernieuwend en verfrissend bezig. Ik las in een artikel van K. Holwerda ’Het kinderlied in de eredienst’ (Opbouw, 17-8-’90!) dat de kinderen een lied konden opgeven tijdens de kerkdienst in de ned. geref. kerk van Groningen. Ze kozen daarbij uit het Liedboek en uit ’Alles wordt nieuw’, van Hanna Lam en Wim ter Burg.
Holwerda benadrukt dat het kerklied een rol speelt in de geloofsopvoeding, terwijl het tevens bijdraagt aan de literaire en muzikale vorming van kinderen. De opgegeven liederen functioneerden als zelfstandig deel in het geheel van de dienst, of dienden als vooroefening voor een speciaal op de kinderen gerichte dienst, of werden in beurtzang gezongen, waarbij de kinderen de geleerde strofen voor hun rekening namen. Op de aangegeven manieren maken we ruimte voor kinderen, om te groeien in de liturgie.
Kindernevendienst en liturgie
Is de kindernevendienst, die ook in onze kerken voor komt, nu niet in tegenspraak met het betrekken van kinderen bij de gehele dienst? Ik ben van mening dat de kindernevendienst mogelijkheden biedt. Als de praktijk is dat de kinderen naar hun nevendienst gaan en er verder geen aandacht voor hen is in de dienst, is deze vorm verkeerd. De kindernevendienst moet ingepast worden in het geheel van de eredienst. De kinderen blijven erbij horen, ook al verlaten ze tijdelijk de kerkruimte. Dat gebeurt alleen voor zover ’t nodig is, om aan de eigenheid van het kind tegemoet te komen. Ze gaan tijdens de preek naar hun eigen ruimte, waar ze op hun niveau bezig zijn met de bijbelse vertelstof. In het gunstigste geval loopt dat parallel met de tekst waarover intussen gepreekt wordt. Uiterst belangrijk is dan wel, dat de predikant en de leiding van de kindernevendienst tevoren samen overleggen en de preek/vertelling samen voorbereiden. In de ned. geref. kerk van Hoogeveen wordt, als de kinderen teruggekomen zijn van de nevendienst, door de leid(st)ers kort weergegeven wat er is verteld en wat er voor andere dingen gedaan zijn. Als er tekeningen gemaakt zijn, worden die door de kinderen aan de gemeente getoond. Vaak is er een lied aangeleerd dat de kinderen dan zingen, in enkele gevallen samen met de gemeente of in beurtzang. Er wordt soms wekenlang aan een project gewerkt. De gemeente wordt dan op de hoogte gehouden door middel van uitleg en symbolen. Een andere vorm van kindernevendienst is, dat de voorganger of een gemeentelid, die dat goed kan een kinderpreek of -vertelling houdt. De kinderen gaan daarna in de nevendienst het gehoorde verwerken in een activiteit: tekenen, schilderen, dramatiseren, musiceren, een rollenspel spelen. Als de kinderen toch in de kerk blijven, mag de (kinder)preek/vertelling niet te lang zijn.
In de gegeven voorbeelden wordt niet alleen een beroep gedaan op het horen, maar ook op het zien, doen en beleven.
„Ik zal er zijn voor jou!”
Als we de aangegeven mogelijkheden van de kindernevendienst benutten is het geen noodzakelijk kwaad of een noodoplossing. In de gemeente moeten de kinderen de ruimte krijgen in de liturgie, niet als een aparte groep.
Samen met de hele gemeente wordt het heil in Christus gevierd. We zetten hen niet in het centrum. Ze hebben ons echter wel wat te zeggen, maar ze hebben het niet voor het zeggen. Als kinderen meedoen in de liturgie, wordt niet alles anders. Het vraagt wel heel wat creativiteit van volwassenen. Laten we er toch maar aan beginnen of mee doorgaan. De kinderlijke ontvankelijkheid en argeloosheid zijn tekenen van vrede en toekomst. Hoe verrijkend zal dit alles zijn voor de gehele gemeente van alle generaties. Het plein van Jeruzalem komt dan in zicht, waar jongens en meisjes spelen, en de ouderen leunen op hun stok en toekijken wat de kinderen doen (Zach. 8 : 4,5). Ter afsluiting een voorbede, als verteld is en gepreekt uit Genesis 28 : 10-22, door een kind gebeden:
Wij bidden
voor de kinderen zoals Jakob,
die alleen zijn,
voor wie niemand tijd heeft,
die dromen dat alles anders wordt.
Al zijn kinderen en grote mensen
soms erg alleen,
U hebt het beloofd:
„Ik zal er zijn voor jou!”