Aards slijk (3)
1998-09-18
1963 - Jaargang 42
- nummer 19
Na het vermouth- en vlees-gebeuren kwam ons eerste kerstfeest in zicht.
We zouden loge’s krijgen. Ik had het zo uitgekiend dat ik voor de feestdagen een kleine rollade kon kopen, want dat deelt lekker uit. Maar meer kon ik me niet veroorloven, want we zaten gewoon krap.
Toen kwam Ausma, de penningmeester. Hij kwam wel vaker een praatje maken. Hij had wel eens een probleempje. Bijzondere probleempjes, want het is een bijzonder mens.
Maar dit keer hadden wíj er één: ’Ausma, kunnen wij òns probleem met u bespreken?’ Ausma bulderde van het lachen: ’Zeg het maar, hoor!’ ’Kunt u ons een klein voorschot geven?’, aarzelden wij. Ausma verstomde.
’U kunt toch wel zonder zorg van het evangelie leven?’, zei hij verschrikt.
Wij knikten: ’Natuurlijk. Maar u begrijpt... Deze maand... En we krijgen loge’s...’.
’Hou maar op, ik weet er alles van, mensen’, zei Ausma. Meer werd er niet gezegd. Het kwam in orde.
Maar het mooiste komt nog. Januari werd een vreselijk krappe maand, dat begrijpt een kind. En op de één of andere manier hadden we toch steeds genoeg. Zodat ik aan de vrouw uit de bijbel moest denken. Die vrouw waar Elia naar toe moest, in Sarepta - het meel in de pot en de olie in de kruik en zo. Eén van de laatste middagen van de maand moest Koos met de trein en de bus ergens heen om een zieke te bezoeken en catechisatie te geven. Ik had nog 1,50, hij nog drie kwartjes. Het was niet genoeg. Maar ik kon lege flessen inleveren en toen kon het trein- en buskaartje betaald worden.
De volgende dag was het leed geleden: er was weer geld. En een week later, bij de bespreking van de begroting, adviseerde Ausma de kerkenraad om het traktement iets te verhogen.
Een goeie penningmeester is heel wat waard.