Bij de sluiting van de LV Doorn 1998
1998-10-02
Aan het slot van de laatste zitting van de Landelijke Vergadering van Doorn 1998 blikte de preses van deze vergadering, oud. A. Wattèl uit Hoofddorp/ Heemstede, terug op het gedurende acht zittingen besprokene en beslotene. Een terugblik die o.i. een goede samenvatting geeft van de belangrijkste zaken die vanaf maart van dit jaar aan de orde geweest zijn. Het grootste gedeelte van de toespraak vindt u hieronder.- Jaargang 42
- nummer 20
„Doorn moet de weg gaan wijzen.” Zo luidde de kop van een artikel in het Reformatorisch Dagblad van 7 maart j.l.
„Doorn is een kruispunt van wegen. Doorn moet kiezen en de weg gaan wijzen.” En het Nederlands Dagblad van 25 februari j.l. citeerde een Nederlands Gereformeerd kerklid, dat schreef dat Doorn de laatste kans bood om te laten zien dat de NGK in alles gereformeerd willen blijven.
Het is niet aan mij om vanuit deze optiek een oordeel uit te spreken over de besluiten die wij als LV hebben genomen. Nog afgezien overigens van de vraag of het inderdaad waar is, wat ik zoëven citeerde. Ik zelf ben in ieder geval geneigd om het wat minder zwaar aan te zetten. Ik heb Doorn zeker niet ervaren als een soort van laatste proeve van het gereformeerde karakter van onze kerken. Ook al omdat de LV niet hetzelfde is als de Nederlands Gereformeerde kerken. De Nederlands Gereformeerde kerken vindt u vooral thuis.
Geen oordeel in deze zin dus over deze LV. Toch wil ik, terugkijkend, wel enkele opmerkingen maken.
Een groot aantal onderwerpen is op deze LV aan de orde geweest.
Enerzijds de gebruikelijke zaken: verslagen van de door eerdere LV’en ingestelde commissies. We zijn wellicht geneigd om deze agendapunten als een soort van verplichte nummers te beschouwen; het moet nu eenmaal.
Er zit, denk ik, ook een andere kant aan: de geregelde voortgang van ons kerkelijke leven komt daarin tot uiting.
Gezonde continuïteit en stabiliteit, waar we dankbaar voor mogen zijn. Want ook daarin blijkt de zorg van onze God.
Opleiding, contacten en vrouwelijke ambtsdragers
Anderzijds waren er de wat meer specifieke onderwerpen.
Ik denk in dit verband allereerst aan de kwestie van de opleiding. Voor het eerst in de jaren van ons geregelde kerkelijke bestaan is dit onderwerp als zodanig op een LV aan de orde geweest. En hoe! Veel tijd hebben we er aan besteed. Maar gelukkig zijn er vorderingen gemaakt, is er een koers uitgezet die breed gedragen wordt.
Dat laatste is bij het moderamen een belangrijk punt van aandacht en zorg geweest: zouden wij als LV een richting kunnen inslaan die aansluit bij wat er bij de afgevaardigden, bij de kerken, leeft. Zou er een besluit genomen kunnen worden dat, hoewel niet iedereen het zal toejuichen, toch geen scheiding maakt, maar samenbindt en samenhoudt wie bij elkaar horen. Met name dáárom ben ik dankbaar voor wat er is bereikt.
Ik noem verder de contacten met de kerken die ons het meest na staan, die ons het meest aan het hart gaan, de CGK en de GKV. Het waren emotionele momenten toen het daarover ging. Dat is begrijpelijk, want komen emoties niet juist dan naar voren als je weet dat je bij elkaar hoort, maar tegelijkertijd ervaart dat je elkaar toch niet bereikt? Dat is zo in een gezin; zou het dan in het huisgezin van God anders zijn, anders moeten zijn? Dringend vragen wij aan de synodes van de CGK en de GKV om de contacten op landelijk niveau niet te verbreken en om in ieder geval de contacten op plaatselijk niveau niet te frustreren.
Wat de reacties zullen zijn, weet ik niet. We leggen het in de hand van God.
Ik denk aan de kwestie van de vrouwelijke ambtsdragers. Een zaak waarover zeer verschillend wordt gedacht.
Een commissie zal aan het werk gaan. Sommigen zullen dat zonde van de tijd vinden: waarom nog langer wachten? Anderen zullen het zien als uitstel van executie: je houdt het toch niet tegen. En weer anderen zullen het zien als een eerste (of een volgende?) stap naar een niet meer gereformeerde kerk. Ik hoop van harte dat we als NGK kans zien om ook met dit vraagstuk om te gaan in verbondenheid met de traditie, in gesprek met de tijd, maar bovenal luisterend naar het Woord. Elkaar vertrouwend en zo samen zoekend naar wat God vandaag de dag van ons vraagt. Laten we dáárom bidden. En zou Hij dat gebed dan niet willen verhoren?
Landelijke regelingen en benoemingen
Ik denk aan het besluit om het Centraal Diaconaal Comité om te zetten in een Diaconale Commissie van onze kerken. Ds. Wielenga noemde enkele weken geleden in Opbouw dat besluit enigszins on-Nederlands-Gereformeerd. Ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Wij hechten immers zeer aan de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken en hebben moeite met alles dat riekt naar landelijke regelingen.
En dan toch dit besluit. Het besluit kan leiden tot een integratie van het diaconale werk in het landelijk verband van onze kerken. In die zin past het in een ontwikkeling die, als ik het goed zie, in onze kerken gaande is: een grotere bereidheid voor het treffen van landelijke regelingen in het besef dat dergelijke regelingen de vrijheid van de plaatselijke kerk niet wezenlijk behoeven aan te tasten. Ik bespeur die ontwikkeling in het besluit inzake het Centraal Diaconaal Comité, in het besluit inzake de rechtspositie van onze predikanten, in het besluit inzake de opleiding, in het besluit om met de gemeenten die reserves hebben jegens het AKS, in gesprek te gaan. Ik ben, eerlijk gezegd, niet ongelukkig met deze ontwikkeling, omdat ik het ook zie als het te boven komen van de traumatische ervaringen uit de zestiger jaren. Voor de verwerking daarvan bleek veel tijd nodig te zijn. En het is goed dat daarvoor ruimte is geweest. Maar het is ook goed dat wij als kerken nu verder gaan. Ds. Wielenga voert een pleidooi om ook zendingszaken op de agenda van de LV te zetten, niet om het werk dat plaatselijk gebeurt, over te nemen, maar om al dat werk te integreren in een samenhangend zendingsbeleid.
Het zou m.i. goed zijn om daar als kerken serieus verder over na te denken.
Tenslotte denk ik aan de benoeming van de twee nieuwe studie-begeleiders, de predikanten Dekker en Van der Dussen. Het is niet eenvoudig om vandaag de dag predikant te zijn. Ook daarom is het zo belangrijk dat er mensen zijn die in staat en bereid zijn aan de vorming van onze predikanten hun bijdrage te leveren. Moge God onze studie-begeleiders en allen die zich bezig houden met de opleiding en vorming van onze predikanten zegenen en hen vervullen met geloof en inzicht, met liefde en wijsheid.
Wij hebben als LV ons werk mogen doen in een goede broederlijke sfeer, serieus en tegelijk ontspannen. Soms verschillend in opvattingen, maar steeds elkaar aanvaardend. Daarvoor ben ik u èn God zeer dankbaar. En ik hoop van harte dat u, als u terug kijkt op deze LV, die dankbaarheid herkent en ook zelf ervaart. We gaan nu weer naar huis, naar onze thuisgemeente. En dat is goed, want daar klopt immers het hart van onze kerken.
Daar functioneert primair de gemeenschap der heiligen. Thuis aan het werk. Om daar echt gemeente te zijn.
Onlangs stuitte ik op een tekst, waarvoor ik in dit verband uw aandacht wil vragen. Het is Micha 5:6, waar staat: „Het nageslacht van Jacob zal leven, verspreid onder talrijke naties, verfrissend als dauw door de Heer gegeven, verkwikkend als regenbuien op gras dat niet door mensen wordt verzorgd en waar niemand naar omkijkt.” De gemeente, een verademing in onze wereld, waar iets van uitgaat, verkwikkend, vruchtbaar voor de omgeving als de dauw op een dorstig land, als de regen waar de natuur naar snakt. Ik hoop dat we zó kerk zijn, dat we zó kerkleden zijn. Ik hoop dat deze LV ook daaraan dienstbaar is geweest, er aan heeft bijgedragen om in de wereld van vandaag echt kerk te kunnen zijn. Schuilplaats in de wildernis, huis waarin Gods vrede is.