Prediking en bevinding

1998-10-02
  • Jaargang 42
  • nummer 20
Het is zonder meer een interessant onderwerp waaraan het proefschrift van dr. P. Buitelaar is gewijd. Tegelijkertijd houdt het een bepaalde beperking in. Want de ondertitel geeft duidelijk aan, dat het een speurtocht behelst naar verantwoorde bevinding in hervormd-gereformeerde preken. Allerlei woorden en begrippen in de Schrift, die als analoog kunnen worden beschouwd aan de gangbare begrippen ’bevinding’ en ’geloofsbeleving’ komen aan de orde. De auteur is ervan overtuigd, dat de geloofsbeleving, op schriftuurlijke leest geschoeid, een duidelijke plaats moet hebben in de verkondiging. In dat verband wordt de schijnwerper gericht op de opbouw van de gemeente en de variëteit onder de predikers. Welke plaats heeft Christus in de prediking en wat is het verband tussen het werk van de Heilige Geest en de inhoud van de verkondiging? Er is een diversiteit in interpretaties van wat bevindelijke prediking genoemd mag worden. Theologen als Graafland en Van Ruler, Kievit, Jonker, Brienen, Runia, Velema, Trimp e.a. verschillen allemaal in de exacte definitie. Graafland signaleerde al in 1965 een verschuiving in de gereformeerde bondsprediking en schreef daarover een boekje.
Het blijkt voorts uit de geanalyseerde preken in deze dissertatie, dat elk een apart type vertegenwoordigt.
Ik kan mij vinden in de volgende formulering van C. Graafland: „Werkelijk bevindelijk preken is het Woord Gods zó tot de mens brengen, dat hij er niet meer onderuit kan. Met zijn concrete leven in al zijn facetten, uiterlijk en innerlijk, weet hij zich door God Zélf aangesproken.” Maar als er zoveel verschil in uitleg heerst betreffende de term bevinding, die maar één keer in de Bijbel voorkomt (Rom. 5:4, St.Vert., terwijl het in de Nieuwe Vertaling wordt weergegeven met beproefdheid), zou het dan niet beter zijn een dergelijke term uit de kerkelijke circulatie te nemen? Dat houdt niet in, dat de zaak als zodanig onbelangrijk zou zijn. Het dient immers te gaan om een appellerende, getuigende prediking, die de belevingswereld van de hoorders niet buiten beschouwing laat terwijl intussen de prediker zich daardoor niet laat dirigeren. Die belevingswereld is geen tweede bron. „De Schriften blijven de enige bron en regel voor geloof en leven. We zien daarom als oplossing, dat in de prediking wat God zegt over de hoorders in gesprek gebracht wordt met wat hoorders denken, voelen, geloven en niet geloven. God blijft in dat gesprek het eerste en laatste woord houden, omdat Hij God is.” (p. 192). Het moet duidelijk zijn, dat het in de verkondiging van het evangelie gaat om concrete zonden en concrete genade. Een abstract spreken over zonde en genade werkt de passiviteit in het geloofsleven in de hand. Als de gemeente maar de bekende termen hoort is de zaak oké.
Het betekent tevens, dat als een predikant meent te kunnen volstaan met een stuk exegese hij aan de werkelijke prediking niet is toegekomen. En de broeders en zusters kwamen niet naar de kerk om een interessante Bijbellezing aan te horen, maar om via de Woordverkondiging geïnstrueerd te worden betreffende de praktische geloofsbeleving naar binnen (het hart) en naar buiten (de maatschappij) toe! Fijne opmerkingen maakt Dr. Buitelaar over een door de Geest doorgloeide prediking (p. 197 e.v.).
De prediker dient uiteraard zélf door de Schriften overweldigd te zijn. Onder de beïnvloeding van de Heilige Geest zullen door zijn prediking vergroeiingen in het geloof worden weggeschroeid terwijl diezelfde prediking hartverwarmend genoemd mag worden. Dat zal ook naar buiten toe te merken zijn. Deze dissertatie behandelt relevante zaken. Veel wordt te berde gebracht waarmee allen en wel in het bijzonder predikanten en theologische studenten hun winst kunnen doen. Wij staan een verbondsmatige prediking voor waarin de enkeling niet ondergaat in de massa en waarin de vreemde vrijspraak op een vrolijk-orthodoxe manier wordt geproclameerd. Dan zal de verkondiging van het evangelie geen dorre theoretische verhandeling zijn, maar een levend getuigenis en zal naar het woord van Calvijn Gods Geest in de stem van de prediker doorklinken, er de weerklank van zijn. Wij hebben veel waardering voor dit werkstuk. Helaas misten wij de namen van C. Veenhof en J.G. Woelderink, die toch ook op hun eigen manier aan dit onderwerp aandacht hebben besteed.

N.a.v.: Dr. P. Buitelaar: ’Geloofsbevinding in de prediking’ – een speurtocht naar verantwoorde bevinding in hervormd-gereformeerde preken. Uitgave Boekencentrum – Zoetermeer – 216 pag. – ƒ 42,50

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief