Wat vooraf ging
1998-10-30
Tijdens een avond van de regio Enschede-Zwolle werd met elkaar gesproken over jongvolwassenen aan de rand van de kerk. Naar aanleiding van die avond werd besloten binnen de regio een enquête te houden.- Jaargang 42
- nummer 22
Hoe groot is de problematiek en wat is het beleid van de kerkenraden?
Ook de redactie van Opbouw meende dat het goed zou zijn om aan het thema randkerkelijkheid nader aandacht te besteden. Een kleine commissie, bestaande uit 3 predikanten uit deze regio- G.J. Lakerveld uit Deventer, J.M. Mudde uit Enschede en R. Venderbos uit Dalfsen - en br. H. Algra uit Den Helder, ging aan de slag. De gesprekken bleken zich vooral te concentreren rond inhoudelijke vraagstukken: wat is er eigenlijk aan de hand?
Uit deze ontmoetingen kwam een voorlopige opzet voor dit themanummer naar voren. Daarnaast werd besloten om aan een aantal kerken in het westen van het land een vergelijkbaar enquêteformulier (als in de regio Enschede-Zwolle) toe te sturen. Valt de problematiek in ’het oosten’ te vergelijken met de problemen in ’het westen’? Vier van de vijf aangeschreven kerken uit ’het westen’ hebben op dit verzoek gereageerd. Voor alle duidelijkheid: het onderzoek is niet ’af’. De onderzoeksgroep is klein (12 kerken met samen 3400 leden), het onderzoek is globaal. Er valt veel meer te onderzoeken, we zouden met veel meer suggesties en ideeën kunnen komen. Er zouden veel diepergaande vraaggesprekken met jongeren en met ouderen gevoerd kunnen worden. Dit nummer schetst slechts een impressie van de problematiek waar alle Nederlands Gereformeerde kerken tegen aan lijken te lopen. Hoe houden we de band met elkaar en met de Here Jezus vast?
De enquête.
De gegevens uit de enquête zijn globaal weergegeven. Nergens wordt een plaatsnaam genoemd; de uitkomsten zijn (en blijven) vertrouwelijk.
1. Wat zijn randkerkelijke jongeren?
In de enquête werd uitgegaan van een formele omschrijving: jongeren van 18 jaar en ouder die nog geen belijdenis hebben gedaan en die weinig actieve interesse tonen voor kerkelijke activiteiten. Het betreft dus die leden die nog wel staan ingeschreven, maar die min of meer ’papieren’ leden lijken te zijn. Uit de reacties op de enquêteformulieren komt naar voren dat randkerkelijkheid niet direct aan de ’buitenkant’ valt af te lezen (zie ook het artikel van ds.
J.M. Mudde voor deze bijdrage). Er kan sprake zijn van een uiterlijke aanpassing, zonder dat de christelijke gewoonten (kerkgang, bijbel lezen en bidden, belijdenis doen) hebben geleid tot een ’verinnerlijking’ van het geloof. Er zijn dus jongeren die belijdenis hebben gedaan, maar voor wie de Here Jezus toch geen realiteit in hun leven lijkt te zijn. Ze deden belijdenis onder druk van anderen, op basis van gewoonten (’op je 18e doe je belijdenis’), of omdat ze daarna vrij konden zijn van catechisatie. Omgekeerd zijn er meelevende en actieve jongeren die er niet toe komen om belijdenis te doen: ze lijken op de één of andere manier deze stap niet te kunnen maken. Of een jongere als ’innerlijk meelevend’ beschouwd kan worden, hangt dus niet alleen van het doen van openbare geloofsbelijdenis af. Ook is er nog een beperkte groep jongeren die wel veel met het geloof bezig is, maar die toch de kerkdienst en het werk binnen een vereniging voor ’gezien’ houden. Ze voelen zich niet thuis bij kerkelijke activiteiten, maar mogen zeker niet als niet-gelovig beschouwd worden. Een andere opmerking vanuit de kerken is dat randkerkelijke jongeren zelden vijandig lijken te staan ten opzichte van de kerk. Zo waarderen ze een bezoek door de dominee of een ouderling, mits het gesprek maar vrijblijvend is.
Eelco is 25 jaar: Mijn ouders zijn echte voorbeeld-christenen. Ik heb altijd aan ze kunnen zien dat ze christenen zijn. En dat heeft me altijd erg aangesproken. Net zo als de kinderbijbel. Die ken ik van voor naar achteren en andersom. Ik kijk daar met veel plezier op terug. De kerkdiensten heb ik altijd heel vervelend gevonden. Er werd nooit gelachen. Het was altijd serieus. Er komen donkere kleuren bij me boven als ik daar aan terugdenk. Ik had eigenlijk geen vriendjes in de kerk. Ik voelde me een uitzondering. Ik had het gevoel dat ik er niet bij hoorde. En dat er over me werd geroddeld. Vooral in die tijd dat ik elk weekend in de kroeg zat. Ja, dat waren ook ruige tijden hoor. En het ergste wat ik me van vroeger kan herinneren waren die zondagen waarop je niks mocht. En dat de dominee dan weer zei: “welk een rijkdom om hier tweemaal per zondag voor Uw aangezicht te mogen verschijnen.” Daar heb ik me vaak kapot aan geërgerd. Ik woon nu al weer een jaar of 3 samen. Het geloof speelt eigenlijk geen rol meer in mijn leven. Marian gelooft niet van huis uit. Zij leest er wel es wat over. Maar we zijn niet echt actief. |
2. De cijfers.
Hoe groot de groep jongvolwassenen in de ledenlijst is, blijkt van plaats tot plaats sterk te verschillen. Er zijn kerken met meer dan 50 jongvolwassenen tussen 18 en 35 jaar. In enkele andere plaatsen ligt dit aantal onder de 20. Hoeveel van deze jongvolwassenen niet meer actief betrokken zijn bij de kerkelijke gemeente is eveneens sterk verschillend: de cijfers variëren van de opmerking ’het probleem is nauwelijks aanwezig’ tot 44% van de leeftijdsgroep (24 jongeren in één gemeente). Wanneer we ook die jonge leden zouden toevoegen die zich inmiddels al onttrokken hebben, zou dit percentage nog hoger liggen; soms mogelijk tot ongeveer de helft van de mensen die in de jaren ’60 en ’70 gedoopt werden.
De 4 kerken in het westen van het land laten op dit punt geen ander beeld zien dan de kerken in de regio Enschede-Zwolle. Ook in de kerken in het westen varieert het aantal randkerkelijke jongeren sterk per gemeente: van ’geen enkel randkerkelijk lid’, tot 40% van de leden tussen 18 en 35 jaar.
Er lijkt weinig verband te bestaan tussen de grootte van de woonplaats, de grootte van de kerkelijke gemeente en het percentage randkerkelijke leden. De kerken met het laagste aantal randkerkelijke jongvolwassenen zijn zowel een kleine gemeente op het platteland als een iets grotere gemeente in een grote stad.
De meeste kerken geven aan dat de problematiek in de afgelopen jaren is toegenomen, één reactie spreekt over ’een topje van de ijsberg’. In één gemeente wordt gesteld dat er ’in de afgelopen jaren een ontwikkeling is ten goede’ dankzij meer gerichte aandacht voor de jongeren.
3. Factoren
In de enquête wordt gesproken over ’oorzaken’. Misschien is het (achteraf gezien) beter om te spreken over factoren. Een ’oorzaak’ suggereert eenrichtingsverkeer, waarbij het feit dat een kind de kerk verlaat, eenduidig verklaard zou kunnen worden (’het ligt aan....’). In werkelijkheid speelt er bij de kerkverlating zóveel mee, dat er zelden gesproken kan worden over duidelijke oorzaken. En: zelfs wanneer we het hebben over de afzonderlijke factoren, zou ook dan nog over iedere afzonderlijke factor een uitgebreid artikel geschreven kunnen worden. We beperken ons in deze bijdrage tot een korte toelichting op een aantal door de kerken genoemde factoren.
Als factoren worden vanuit de plaatselijke gemeenten o.a. genoemd:
* de negatieve invloed van de samenleving.
Ter illustratie: – De fragmentarisering. De samenleving wordt in allerlei hokjes opgedeeld en het leven van de mensen in die samenleving evenzeer. Op zondag ben je een ander mens dan op maandag: andere kleren, andere bezigheden, maar vooral ook: een andere levensstijl. Dit verschijnsel kan ertoe leiden dat er geen leidinggevend principe meer is in het leven. In de kerk gedraag je je heel anders dan thuis en op school is je leven wéér heel anders. Door de week is het een sport om zwart met het openbaar vervoer te reizen, op zondag op de jeugdvereniging vertel je dat je tegen alles bent wat riekt naar oneerlijk handelen.
– Vervaging van waarden en normen. Voor veel mensen is het enorme aantal meningen verwarrend. Als iedereen zwart bij-klust, dan mag dat toch? Dat een christen de meerderheid in het kwade niet behoort te volgen, raakt ondergesneeuwd in het grote aantal andere geluiden vanuit de samenleving.
– de media. Hoewel er een uit-knop op de televisie zit, blijken de verlokkingen en daarmee de beïnvloeding door de TV binnen de gezinnen vaak bijzonder groot. Deze invloed kan voor kinderen verwarrend zijn: in welke wereld leeft ons gezin nu eigenlijk?
* geen tijd voor kerkelijke activiteiten.
Mogelijke voorbeelden: – Een samenleving vol indrukken. Vroeger maakten mensen extreem lange werkweken. Tegenwoordig is de lengte van de werkweek minder, maar de belasting als gevolg van de vele indrukken van de samenleving lijkt groter. Mensen zoeken naar evenwicht door op tijden dat er geen activiteit is, binnen te blijven. ’Op zondag heb ik behoefte aan rust.’ In de USA wordt dit verschijnsel wel cocooning genoemd: het huis als een veilige cocon om je heen, met alle luxe en comfort direct binnen handbereik.
– De 24-uurs-economie. Vaste werktijden verschuiven in de richting van flexibele werktijden. Op zondag werken wordt steeds gewoner. Als je op zondag vrij bent, wil je die zondag ook rust. Je hebt immers al zo weinig vrij?
Of de zondag is ervoor bedoeld om familie en vrienden op te zoeken. Dan heb je dus ook geen tijd voor de kerk.
– Doorstuderen. ’Een leven lang leren’ wordt het motto. Dit betekent dat mensen na hun werkdag geacht worden nog een aantal uren te studeren. Men kiest er dan niet meer voor om op de avonden een bijbelkring te bezoeken of om werk voor de kerkenraad te doen. De zondag verwordt steeds meer van een rustdag tot een studiedag.
* invloed van verkeerde vrienden
Jongeren maken pratend en vragend hun keuzen. Wanneer ze slechts af en toe mede-christenen ontmoeten, worden ze gemakkelijk beïnvloed door niet-christelijke normen (’iedereen doet het toch?’). Vooral onzekere jongeren zullen op dit punt gemakkelijk zwichten voor de groepsdruk. Zie ook: de bijdragen over het jeugdwerk in dit nummer.
* gemengde huwelijken
Zie ook de bijdrage van Wouter Rozema in dit nummer. Bovendien: als de christelijke partner wel naar de kerk blijft gaan, maakt een gemengd huwelijk de christelijke opvoeding van kinderen uit dit huwelijk bijzonder moeilijk.
Er is onvoldoende ’samen’. Vaak maken kinderen vanaf ongeveer 12 jaar dan hun eigen keuze en dat is helaas maar al te vaak: niet meer naar de kerk of de catechisatie.
* gemeenteleden spreken negatief over elkaar
– Negatieve gesprekken over de kerk en over de leden van die kerkelijke gemeente. Waar spreken de ouders thuis met elkaar en met kennissen over? Gaat het over de slechte preek van de dominee, over de kleding van Piet van Dam, over de manier waarop de organist de gemeentezang begeleidt?
Worden de meest recente roddels uit de kerkelijke gemeente breed uitgemeten en verspreid? Op die manier ontstaat er voor jongeren een onecht en onveilig klimaat. De preek gaat over liefde, vergevingsgezindheid en een blij evangelie, maar de werkelijkheid blijkt heel anders te zijn.
* moeite van jongeren om zich te binden
Opmerkingen ten aanzien van dit punt: Erik Erikson (1) beschreef de puberteit als een moratorium, een uitstel van volwassen verplichtingen. Jongeren krijgen in onze tijd de mogelijkheid om te experimenteren met volwassen rollen. Die extra tijd lijkt ook gewenst, want de samenleving is zó complex geworden dat het steeds lastiger wordt om te kiezen. Een aantal jongeren blijft echter in deze fase steken, en komt niet of nauwelijks tot een keuze.
Men gaat niet trouwen, maar men woont liever ongehuwd samen, want bindingen zijn belastend. Het doen van openbare belijdenis wordt uitgesteld, want dat schept verantwoordelijkheden en verplichtingen. Naarmate men langer wacht, kan de drempel echter steeds hoger worden. Het gevolg kan dan zijn dat iemand na geruime tijd alsnog afhaakt.
– Gebrek aan ontmoetingsmogelijkheden met andere christelijke jongeren. Om te leren geloven hebben jongeren leeftijdgenoten nodig. Het jeugdwerk staat in een aantal gemeenten fors onder druk. Er zijn te weinig jongeren of ze vinden geen aansluiting bij elkaar. Daardoor vinden de jongeren ook geen gesprekspartners of huwelijkspartners. Omdat er weinig binding met andere jongeren is, is het ook moeilijk om zich te binden aan de gemeente.
– Onvoldoende ruimte om vragen te stellen. Jongeren hebben de ruimte nodig om kritische vragen te kunnen stellen. Maar als in het gezin of binnen de kerkelijke gemeente de antwoorden al van tevoren vast liggen, krijgen deze jongeren geen ruimte om al pratend en vragend keuzen te maken. Het gevolg kan zijn dat er een gevoel van machteloosheid ontstaat: ’Wat ik ook zeg, er wordt toch niet naar mij geluisterd.’
– Crisis. Men zegt wel dat aan het zelfstandig leren geloven een crisis voorafgaat. In veel onderzoeken wordt die crisiservaring wel zo benoemd. De puberteit is bij uitstek een periode van crisis voor jongeren. Ze moeten loskomen van hun ouders en hun eigen weg zien te vinden. Dit vraagt tijd. Een crisis kan jongeren verder wegdrijven van hun ’wortels’ als er onvoldoende mogelijkheid is voor opvang. Maar ze kunnen ook door de crisis heen sterker worden en een eigen fundament vinden. Overigens is het niet juist om te stellen dat aan het zelfstandig leren geloven altijd een crisis vooraf gaat.
– Meegaande jongeren. Sommige jongeren lijken zeer meegaand. Zelfs zonder druk van de ouders gaan ze trouw mee naar de kerk, ze hebben dezelfde opvattingen, ze zien er goed verzorgd uit, behalen op tijd een diploma en worden gezien als ’de ideale schoonzoon’. Soms blijkt echter veel later dat deze (nu: oudere) jongeren alsnog heel andere keuzen in hun leven maken. De uiterlijke meegaandheid werd dan mogelijk onvoldoende gedragen door een innerlijke overtuiging. Ze wilden bijvoorbeeld de relatie met de ouders niet op het spel zetten. Omgekeerd kan een dwarse puber later een zeer actief kerklid zijn. De vraag kan dus worden gesteld wie er nu werkelijk ongehoorzaam is.
* verschil in geloofsbeleving
– onvoldoende aansluiting van de kerkdiensten. De kerkdienst sluit niet aan bij de beleving van de gemeenteleden. Daardoor zijn er mensen die zich een volkomen vreemde voelen bij de liturgie, bij de gezongen liederen, tussen de andere gemeenteleden.
– de kerkdienst wordt als saai, voorspelbaar, passief ervaren.
– verwachtingen sluiten niet aan. Dit geldt niet alleen de kerkdienst, maar ook de rest van het gemeenteleven.
Zie het verhaal ’Uittocht’, elders in dit nummer.
* conflicten binnen de gemeente
– conflicten tussen de ouders en de kerkenraad. De ouders hebben bijvoorbeeld grote moeite met de plaatselijke predikant. De kinderen volgen bij deze predikant de catechisatie. De predikant probeert een vertrouwensband met de kinderen op te bouwen. Deze komen echter in een loyaliteitsconflict.
Moeten ze kiezen voor hun ouders of voor de relatie met de predikant. Dit emotionele conflict kan het zicht op de christelijke gemeente belemmeren.
– invloed van kerkelijke spanningen op het gezinsleven. Welke invloed heeft het op de kinderen in het gezin als een vader bijna ziek van de spanningen thuis komt na een vergadering van de kerkenraad? Welke gevolgen heeft het voor jongeren als christenen binnen één gemeente elkaar proberen uit te sluiten? Als een conflict over de aankoop van een kerkgebouw, over de vrouw in het ambt, over het zingen van opwekkingsliederen dag-in, daguit de gesprekken binnen de gemeente lijkt te bepalen?
– conflicten met regels binnen de kerk, zoals: de weigering van de kerkenraad om een kind te laten dopen omdat de ouders geen belijdenis hebben gedaan, of de weigering van de kerkenraad om het huwelijk kerkelijk te bevestigen omdat de jongeren ongehuwd samen hadden gewoond.
* tekorten in de geloofsopvoeding binnen het gezin * geen gedegen christelijk onderwijs genoten
We nemen het christelijk onderwijs hier ’breed’. Het doopformulier spreekt van ’onderwijzen en doen onderwijzen’. Dat onderwijs begint dus in het gezin en betreft het hele christelijk samen-leven met elkaar:
– Lang niet alle ouders beseffen voldoende dat het in deze tijd bijzonder belangrijk is om tijd in te ruimen voor de ’christelijke rituelen’. Daaronder verstaan we een aantal goede gewoonten, die het kind dagelijks leren om met de inhoud van de Bijbel om te gaan. Te denken valt aan het dagelijks uit de Bijbel lezen, het samen bidden met de kinderen en aan de trouwe kerkgang op zondag. Veel van deze goede gewoonten staan onder druk, enerzijds omdat ouders het belang onderschatten, anderzijds door de onrustige sfeer in veel gezinnen (snel uit de Bijbel lezen, want straks komt Sesamstraat).
– Onvoldoende ’samen’ in het gezin. In de Amerikaanse gezinnen lijkt het heel gewoon te zijn: ouders en kinderen ontmoeten elkaar slechts bij de koelkast. Ook in de Nederlandse gezinnen valt deze tendens waar te nemen. Ieder gezinslid heeft zijn eigen programma, zijn eigen kamer en zijn eigen televisie. Er zijn geen momenten meer waarop ouders en kinderen samen zijn. Er zijn dus ook geen momenten meer waarop er samen uit de Bijbel wordt gelezen, er samen wordt gebeden, er met elkaar wordt gesproken, er samen een spelletje wordt gedaan.
– Een ander punt van aandacht betreft de beschikbaarheid van christelijke informatie. Dit punt werd al onder het kopje ’samenleving’ aangestipt. In veel gezinnen staat de televisie een aantal uren per dag aan. Ook wordt het belang van ’eigen’ media zoals een christelijke omroep, een christelijke krant onvoldoende ingezien. Weegt de hoeveelheid christelijke informatie nog wel op tegen het bombardement aan niet-levensbeschouwelijke lectuur en TV-programma’s? Er zijn gezinnen waar het enige christelijke blad dat door de brievenbus komt het kerkblad is. Dat maakt het voor jongeren erg moeilijk om een christelijke visie op vraagstukken in de samenleving te ontwikkelen. Welke informatie kunnen ze gebruiken als ze bijvoorbeeld een werkstuk over ’reïncarnatie’ of over ’Jomanda’ moeten maken?
– De levensbeschouwelijke kwaliteit van het onderwijs. De kwaliteit van het christelijk onderwijs staat fors onder druk. Voor veel leerkrachten is Jezus niet meer dan een goed voorbeeld. Ook door druk ’van buiten af’ (gedwongen fusies) is de identiteit van de school vaak een randverschijnsel geworden. Op veel scholen, die op deze manier zijn ontstaan, vormen de christelijke kinderen een zeer kleine minderheid.
– Jeugdvereniging of catechisatie werden niet gevolgd.
* geen goede relaties binnen de gemeente
– de ouders voelen zich niet thuis binnen de kerkelijke gemeente. Ze vinden er weinig aansluiting en voelen zich buitengesloten. Die sfeer kan zijn weerslag hebben op de relatie tussen de kinderen en het gezin.
– de kinderen voelen zich niet geaccepteerd binnen de kerkelijke gemeente. Pesten op school is een bekend thema. Maar ook binnen de kerkelijke gemeente worden kinderen gepest. Op dezelfde plaats waar het kind zich veilig en geborgen zou moeten voelen, ervaart het vijandigheid. Die vijandigheid kan het kind het juiste zicht op God ontnemen.
– Prof. Dr. W. ter Horst (2) wijst ook een ander element aan: de gezinnen staan in onze tijd niet sterk. Geïsoleerde gezinnen zijn kwetsbare gezinnen. Daarom hebben ouders steun nodig van andere ouders. In dat verband voert Ter Horst een pleidooi voor opvoeding in gemeenschap met anderen: contacten van ouders onderling en contacten tussen de kinderen van die gezinnen.
– conflicten met familie. Soms leiden conflicten met de eigen familie tot grote spanningen met de kerkelijke gemeente. Het is erg moeilijk om samen met je ouders in de kerk te zitten, terwijl je verder nauwelijks contact met hen hebt.
* de manier waarop ouders met het geloof omgaan en * de manier waarop gemeenteleden met het geloof
omgaan
Uit het meeste onderzoek komt naar voren dat het gezin de belangrijkste plaats is voor de christelijke opvoeding.
Terecht stelt drs. Kees Geluk dat ’de Geest ook andere wegen gaat’ (3).
Er zijn veel jongeren die de betekenis van het geloof niet thuis ontdekken, maar elders, in de ontmoeting met anderen. Toch is het gezin waar je opgroeit als kind een belangrijk gegeven binnen de geloofsopvoeding. God geeft aan kinderen ouders, die hen de weg naar de Here Jezus wijzen. In ontmoetingen met anderen herontdekken kinderen -als ze ouder zijn- vaak de waarde van het christelijk geloof.
Helaas kan het gezin ook tussen God en het kind in komen te staan.
– Gebrek aan voorleven. Kinderen voelen al jong aan of het geloof van de ouders in overeenstemming met hun handelen is. Klopt wat je zegt en doet, met wat je gelooft? Als er een voortdurende tegenstelling bestaat tussen het geloof van de ouders en het dagelijkse handelen ondermijnt dit de groei van het geloof van de kinderen.
Ze ervaren christenen (en daarmee ook vaak: het christelijk geloof) als onbetrouwbaar.
– De kwaliteit van de communicatie.
Er wordt soms veel gepraat, maar nauwelijks met elkaar gesproken. De gesprekken gaan over ’de buitenkant’ , maar het lukt ouders en kinderen niet om elkaar te bereiken met betrekking tot de wezenlijke vragen van het leven. Het gevolg is een grote mate van eenzaamheid.
– Regel of relatie? Goede christelijke gewoonten vormen slechts een deel van de christelijke opvoeding in gezin en kerk. Soms worden er veel accenten gelegd bij de regels. Van ’buiten af’ ziet het er allemaal prima uit. Er wordt dagelijks uit de bijbel gelezen, er wordt gebeden aan tafel, het gezin komt iedere zondag twee maal in de kerk. Rituelen zijn belangrijk, maar ze kunnen teveel eenrichtingsverkeer blijven: de regels die ouders aan hun kinderen opleggen. Op den duur zijn goede gewoonten alleen maar ’effectief’ wanneer ze gedragen worden door de relatie, door onderlinge communicatie.
De opvoeding moet worden ’ingebed’ in het oog hebben voor het unieke temperament dat God aan ieder kind heeft gegeven en in het zicht hebben op de veranderende vragen die kinderen in iedere levensfase stellen. Aan de basis van de christelijke opvoeding staat een levend geloof van de ouders. Vanuit dat levende geloof proberen ze ook om het gesprek met de kinderen aan te gaan. Daar waar de wederkerigheid ontbreekt roept dit bij veel kinderen – en dat des ter sterker naarmate ze ouder worden- negatieve reacties op.
* Andere factoren die meerdere malen in de enquête genoemd worden:
* ’de kerk is er voor als ik in de problemen kom’
* geloof is misschien wel waardevol, maar geen realiteit
* ’je voelt je ook prima zonder geloof’
* ’niet christelijke vrienden en collega’s leven ook prima’
* psychische factoren (bijv. een depressie), zie elders in dit nummer
4. Beleid
Hebben kerkenraden een bepaald beleid ontwikkeld ten aanzien van de omgang met jongeren en in het bijzonder met randkerkelijke jongeren?
De meeste kerken hebben geen beleid ontwikkeld, men handelt ’naar bevind van zaken’. Er wordt o.a. aangegeven dat de individuele problematiek zó verschillend is, dat er nauwelijks algemeen beleid op te funderen valt. Wel geven de meeste kerken aan dat de jongeren (ook als ze thuis wonen) bezocht (moeten) worden. In enkele plaatsen is men bezig met het opstellen van een beleidsplan.
5. Uitsluiten?
Hoe handelen de kerkenraden met leden die zich niet of nauwelijks meer laten zien? Een reactie: ’Als kerkenraad en gemeente willen we geen ander struikelblok neerleggen dan Jezus Christus. Hij moet zó gepredikt worden dat de leden van de gemeente zelf hun conclusie moeten trekken: willen we wél of niet bij de Here Jezus horen? Als ze wél bij de Here Jezus willen horen, zullen wij ze niet afsnijden, ook niet wanneer ze zich verder binnen de kerkelijke gemeente niet actief opstellen. Soms hebben jonge leden namelijk de tijd nodig om naar een actief lidmaatschap toe te groeien.
Als jonge mensen aangeven niet bij Jezus te willen horen, zullen ze daar uit hun eigen conclusie trekken. De kernvraag is: wil je bij de Here Jezus horen?’ De meeste kerkenraden geven duidelijk aan dat ze zich terughoudend opstellen, als het gaat om mogelijke afsnijding uit de kerkelijke gemeente.
’Onze gesprekken zijn er op gericht jongeren zo lang mogelijk vast te houden en hen zelf tot een keuze te laten komen.’ Enkele kerkenraden melden dat zij op dit moment jongeren opnieuw voor de keus stellen: wil je lid van de gemeente blijven of niet? Maar ook dan wordt aangegeven dat men uitermate behoedzaam te werk wil gaan. Twee kerkenraden hanteren een vaste procedure ten aanzien van jongeren ’aan de rand van de kerk’. In één van deze gemeenten wordt genoemd dat het gaat om die leden bij wie men (ook na herhaalde gesprekken) niets proeft van een persoonlijk geloof en die zich ook op geen enkele wijze actief inzetten voor de opbouw van de christelijke gemeente.
6. Van wie is het probleem?
Betreft kerkverlating vooral de jongeren, of ook de ouderen? De meeste kerken ervaren kerkverlating niet als een typisch jongerenprobleem. Eén gemeente meldt dat hele gezinnen zich onttrokken hebben. Wel lijkt randkerkelijkheid onder jongvolwassenen eerder en vaker naar voren te komen.
Jonge mensen moeten eerder eigen keuzen maken, o.a. omdat de sociale controle voor een groot deel is weggevallen. Ook lijken jonge leden meer dan vroeger voor hun mening uit te komen.
7. Hoe worden jongeren betrokken bij de kerkelijke gemeente?
Op dit punt bestaat een breed scala aan activiteiten en mogelijkheden.
Jongeren worden in een aantal kerken actief ingezet binnen de gemeente (bij de voorbereiding van de eredienst, tijdens de kerkdienst en bij andere activiteiten). De meerderheid van de kerken heeft een jeugdouderling, een coördinator of contactgezinnen aangesteld. Enkele gemeenten hebben aparte avonden voor jongeren die niet meer de ’gewone’ catechisatie (willen) bezoeken. De ervaringen met deze speciale avonden zijn overigens doorgaans niet erg bemoedigend: de meeste gemeenten melden een geringe of teruglopende belangstelling. Sommige plaatselijke gemeenten hebben aparte jongerendiensten of thema-diensten. Daarnaast zijn er de traditionele activiteiten, zoals de jeugdverenigingen en bijbelkringen. Het bezoeken van activiteiten buiten de eigen kerkelijke gemeente (zoals de Jongerendag van de EO) wordt doorgaans gestimuleerd.
Noten:
1 Erik H. Erikson: Jeugd, identiteit en crisis (1959).
2 Dr. W. ter Horst: Christelijke geloofsopvoeding (Kampen, 1989)
3 In: Betty Heynis (red.): De gevonden Vader (Kampen, 1996)