Kerkverlating en psychische factoren

1998-10-30
  • Jaargang 42
  • nummer 22
De ene mens is kwetsbaarder dan de ander. Sommige kinderen zijn heel snel van slag, anderen lijken in allerlei omstandigheden de rust zelve. Vroeger dacht men wel eens dat die verschillen aan de opvoeding zouden liggen. De meeste ouders weten intuïtief wel beter: kinderen zijn heel verschillend, ook binnen één gezin.

Zou het dus ook zo kunnen zijn dat kinderen verschillend reageren op dezelfde kerkelijke situatie? Ja, ook dat komt zeker voor. Aan het eind van de jaren ’60 hebben vrij veel jongeren kerkelijk afgehaakt. Geen wonder, zeggen we achteraf, het was vaak ’hete hoofden, koude harten’. Toch zijn, door Gods genade, velenondanks alles- lid gebleven van een kerkelijke gemeente. Waarom reageren mensen zó verschillend? Waarom geeft de één de moed op, terwijl de ander zich juist extra inzet? Dat kan met die gevoeligheid te maken hebben.
Er zijn gevoelige mensen, die emotioneel kwetsbaar zijn. Een woordenwisseling tijdens een gemeenteavond kan voor hen al te veel zijn. Voor andere mensen valt dat soms moeilijk te begrijpen. ’’Stel je niet zo aan, overal is wel eens wat.’’ Wat we als gemeente misschien dus (toch) onvoldoende begrijpen is dát de schapen van de kudde kennelijk zo verschillend zijn.

Een dunne huid
In het Nederlands Dagblad (1) schrijft een psycho-therapeut C. Roest het verhaal van een jonge broeder die zich elders kerkelijk heeft aangesloten omdat hij het niet langer uit kon houden in ’zijn’ kerkelijke gemeente.
’’Nee, Karel is niet over één nacht ijs gegaan. Hij heeft er lang over nagedacht. Hij weet ook niet goed, wat hij straks aan moet met alle vragen als: ’Maar was het er dan niet goed?’ ’Je kunt toch niet zomaar je kerk vaarwel zeggen?’ Karel zal uitleggen dat hij de prediking emotioneel niet aan kan. Het raakt hem te diep.
Hij is er steeds dagenlang door van slag.’ Roest schrijft dat er binnen en buiten de psychiatrie mensen zijn die emotioneel zeer kwetsbaar zijn. ’’Je zou zelfs kunnen spreken van een handicap’’, aldus Roest. ’’En dan zit je daar met je emotionele kwetsbaarheid, met je dunne huid zogezegd, in de kerk. En je trekt je ieder aanwijzen van de zonde, iedere stemverheffing, iedere waarschuwing persoonlijk aan.’’ Is het een wonder dat het voor deze broeders en zusters wel eens ’teveel’ wordt in de kerk?

Het gevoel wordt afgevlakt
Ook in Opbouw is wel eens genoemd dat het voor sommige mensen moeilijk is om binnen de kerkelijke gemeente te blijven. In Opbouw (2) vertelt mevrouw Riet Burema over haar schizofrene zoon Roel. Als antwoord op de vraag van de verslaggever waarom Roel niet meer naar de kerk gaat, vertelt ze het volgende: ’’Als je gevoel en je denken verstoord raken, als je emoties vervlakken, beïnvloedt dat ook altijd je geloofsleven. Een schizofreen kán dus vaak niet meer geloven, want bij je geloof hoort ook je gevoel. Ik zou het wel van de daken willen schreeuwen dat predikanten, ouderlingen en diakenen dat ook moeten beseffen. De kerk moet psychiatrische patiënten als lid blijven zien, ook als ze de kerk loslaten. Je mag niet hard oordelen dat zo iemand zelf de genade verspeelt. Gods barmhartigheid is immers groter dan die van ons.’’

Psychische blokkades
Een klassiek werkje op het gebied van de geloofsbeleving is: ’Karakter en aanleg in verband met het ongeloof’, van Prof. dr. H.C. Rümke (3,4). Een vraag die na lezing van dat boekje op je af komt is: kan het zijn dat psychische blokkades het geloofsleven bemoeilijken? Er is alle aanleiding voor om te denken dat het voor de één moeilijker is om binnen de kerkelijke gemeente te blijven dan voor de ander. Daarom is het ook zo belangrijk om voorzichtig te zijn in ons oordeel. Inderdaad: helaas komt het voor dat mensen ’gemakkelijk’ de kerk de rug toekeren. Maar voor anderen is het vertrek uit de kerkelijke gemeente een heel verdrietig verhaal. Ze zijn vermoeid en overbelast geraakt. Misschien ervaren ze in hun kerkelijke gemeente dat Psalm 133 naar de rand is geschoven. Ze hebben de indruk dat een gemeenteavond meer op een protestavond van de vakbond lijkt.
We doen hen onrecht aan, als we zeggen dat ’ze niet alles zo letterlijk op moeten vatten’.
Want wij voelen lang niet altijd goed aan wat de ander voelt. En juist deze gevoelige mensen hebben we heel hard nodig binnen onze kerkelijke gemeente. Misschien waren het wel juist déze mensen waarover de Here Jezus met ontferming bewogen was.

De invloed van psychische factoren
In één van de enquête-formulieren wordt een aantal psychische factoren genoemd, waardoor jongeren (mede) aan de rand van de kerk terecht zijn gekomen. Deze correspondent is van mening dat psychische beschadigingen vaak een aanleiding zijn tot het verlaten van de kerk. Naar zijn mening is het in het pastoraat van groot belang om goed oog te hebben voor deze factoren. In de bijdrage worden – vanuit deze gemeente – o.a de volgende individuele factoren genoemd:

Autisme
Voor de aan autisme verwante stoornis komt de laatste jaren meer belangstelling. Het gaat om een bijzonder complex beeld, waarbij o.a. centraal staat: de moeite om met contacten om te gaan. Kinderen met een aan autisme verwante stoornis zijn vaak alleen en ze voelen zich ook vaak alleen. Steeds weer als ze proberen om iets ’samen’ te doen ontstaat er kortsluiting. Die problemen in het contact doen zich voor in het gezin, op school, op straat, maar ook in de kerk. De kerkdienst zelf vormt nog niet direct een probleem omdat zo’n dienst vrij gestructureerd en voorspelbaar verloopt. De sociale situaties rond de kerkdienst zijn een veel groter probleem.
Een kortdurend sociaal contact ontaardt al heel snel in een conflict, omdat een kind met een aan autisme verwant beeld vaak moeilijk aanvoelt wat de ander voelt. Dat maakt hem enerzijds buitengewoon kwetsbaar voor plagerijen en anderzijds is het heel lastig voor hem om goed in te schatten welk effect zijn gedrag op de ander heeft. Deze beperking in het sociaal contact heeft ook gevolgen voor het geloofsleven.
De kerk is voor deze kinderen vaak niet de veilige plek die ze nodig hebben. Maar ook het bereiken van de diepere emotionele lagen van de persoonlijkheid is erg moeilijk en juist deze diepere lagen raken het geloofsleven. Het geloof kan daardoor een sterk rationeel bepaalde inkleuring krijgen: ’het moet kloppen’. Het omgaan met onzekerheden wordt als bedreigend ervaren, waardoor de kerk opnieuw geen veilige plek meer is. Een zeer intelligente man met kenmerken van deze aan autisme verwante stoornis kwam mede om deze redenen (naar eigen zeggen) niet meer in de kerk. Hij zei: ’’Er staan in de Bijbel zaken die niet kloppen. De dominee vertelt dingen die niet kloppen. Als er zoveel niet klopt, heb ik daar geen boodschap meer aan. Ik kan mijn tijd wel beter gebruiken.’’ Op de vraag wie God de Vader is, kon hij geen antwoord geven. Hij vond dat maar ’een vreemd concept’.

De invloed van een depressie
Het is moeilijk om in algemene termen over een depressie te schrijven. De verschijningsvormen van een depressie zijn namelijk zeer tegengesteld. De één is hyperactief, de ander komt zijn huis nauwelijks meer uit. Binnen iedere kerkelijke gemeente zijn mensen depressief. Sommigen weten dat van zichzelf, maar houden het stil, anderen vertellen erover, weer anderen voelen zich onbehaaglijk, maar ze hebben niet ’onderkend’ dat ze depressief zijn. Er zijn mensen die hun depressie omschrijven als leven onder een glazen stolp. Het contact met anderen is aangetast, ze ervaren de anderen als ’ver weg.’ Ook God is op dat moment ver weg. De depressieve broeder of zuster voelt zich alleen en van God en mensen verlaten. Bidden lijkt niet meer te helpen. Sommige mensen keren in zo’n situatie de kerk de rug toe. Ze ervaren geen steun uit de kerk, maar ze voelen ook Gods nabijheid niet meer. De inzender van de enquête meldt een gesprek met een jongere die vertelde dat de mensen in de kerk haar ’niets deden’ en dat God haar ook ’niets deed’. De vraag die de inzender hierbij zichzelf stelde was: is haar geloof nu verdwenen, of is dat gevoel een gevolg van de depressie, waar ze mogelijk in verkeert?

Persoonlijkheidsstoornissen
Persoonlijkheidsstoornissen staan de laatste tijd nogal eens in de belangstelling, maar dan vooral in relatie tot de rechterlijke macht. Ook hierbij geldt weer dat er heel verschillende verschijningsvormen zijn. En misschien is het beeld wel zó onduidelijk dat we het er in de volgende eeuw niet meer over hebben. De inzender van de enquête hanteert niettemin deze karakterisering ten aanzien van een gemeentelid dat moeite heeft met iedere vorm van gezag. Ze ligt ernstig met zichzelf overhoop, maar accepteert ook geen enkele invloed van de ouders, van de ouderling, van de predikant. Alles wat een beetje op ’sturing’ lijkt, wordt door haar direct afgewezen. Onlangs besloot de kerkenraad om een brief van haar nog niet te plaatsen in het kerkblad, maar om er om pastorale redenen eerst enkele wijzigingen in aan te brengen. Het was direct mis. Boze brieven, scheldpartijen. De wijkouderling zei dat hij daar al bang voor was geweest, ’zo reageert ze steeds.’ Maar niet alleen in de kerk doen zich deze confrontaties voor, ze lijkt voortdurend allergisch voor iedere opmerking die ’negatief’ zou kunnen zijn. Zodra haar ouders haar een voorstel doen, gaat ze er tegenin. Haar opleiding heeft ze niet afgemaakt omdat ze het niet kon verkroppen dat haar scriptie moest worden gewijzigd.
Iemand die zo allergisch lijkt te zijn voor gezag, heeft het op alle fronten moeilijk, dus ook in de kerk. De kans dat deze vrouw kerkelijk zal afhaken is dan ook erg groot. Hoe het met de inhoud van haar geloof is, is een moeilijk te beantwoorden vraag. Op het huisbezoek spreekt ze wel altijd over wat er mis is in de kerk, maar het is de wijkouderling nog nooit gelukt om dieper op de inhoud van haar geloof in te gaan.

1 In: Opbouw 40/19, Sinds Adam en Eva zijn we niet meer normaal
2 drs. C. Roest: Met een dunne huid in de kerk, Nederlands Dagblad, 25 september 1998.
3 H.C. Rümke, Karakter en aanleg in verband met het ongeloof, 1939. Het boekje beleefde vele herdrukken.
4 Een kritische analyse van het werk van Rümke is te vinden in: J.A. van Belzen, Rümke, religie en godsdienstpsychologie (Kampen, 1991).
Zie ook: drs. W.G. Rietkerk, ik wou dat ik kón geloven (Kampen, 1992).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief