Een uittocht
1998-10-30
Ruim tien jaar geleden was ik kerkverlater. Sindsdien ben ik een gelovige buitenkerkelijke. De stap van binnen naar buiten de kerk was niet gemakkelijk en heeft me ruim drie jaar serieus wikken en wegen gekost. Uiteindelijk heb ik toch de moed gehad, in het volste vertrouwen dat God mij vasthoudt.- Jaargang 42
- nummer 22
Hoe kan het, dat iemand die niet gehinderd wordt door een psychiatrische stoornis, door twijfels of door ongelovigheid (tenminste niet meer dan ieder ander) de Nederlands Gereformeerde Kerk de rug toekeert? Dat zal van persoon tot persoon verschillen. In mijn geval was het een groeiende vervreemding van wat er in de kerk in mijn woonplaats voor een waar geloof werd gehouden.
Zo had ik de pech na een verhuizing in een gemeente terecht te komen, waar nieuwe ontwikkelingen met buitengewone argwaan werden bekeken. Het leek of God slechts een God van de conservatieven was. Niet bepaald opwekkend voor iemand die nog een hele toekomst met nieuwe ontwikkelingen voor zich heeft. De ’jeugd van tegenwoordig, die er maar op los leeft’ kreeg er menige zondag van langs. Ik werkte met hart en ziel met die jeugd en wist hoezeer misplaatst dit oordeel was. Ze leefden niet volgens de door de kerk bepaalde christelijke waarden, maar zochten op hun eigen manier antwoorden op de ingewikkelde vragen van het leven. En feesten deden ze ook, zoals veel jongeren van toen en nu. Maar moesten ze daarom de hel ingepraat worden? Soms dacht ik: als men hier werkelijk zo bezorgd is om die jeugd, waarom doen ze er dan niets aan, in plaats van er veilig in de kerk over te praten? Het leek wel of men het prettig vond om de zonden van (in hun ogen) buitenstaanders zo breed mogelijk uit te meten. Hoeveel te beter voel je jezelf dan!
De druppel die de emmer deed overlopen was in de periode van de demonstraties tegen de kruisraketten. Door mijn standpunt in deze zaak, bepaald vanuit mijn geloof in een barmhartige God, werd ik gerekend tot ’mensen die dwaas achter de duivel aanrennen’.
Discussie bij verschil van mening juich ik toe, maar een broeder of zuster verwijten dat hij of zij achter de duivel aanloopt vond ik en vind ik nog te ver gaan.
Ik heb verschillende gesprekken gevoerd, met gewone gemeenteleden en ambtsdragers, meegesproken op gemeentebijeenkomsten, ik heb mijn best gedaan. Wat er over bleef was veel verschil van mening, en de uitspraak van de anderen dat men mij wel accepteerde of dat zou proberen te doen. Daarmee bleef ik wel de vreemde eend in de bijt. Er waren meer vreemde eenden daar, die ofwel hun mond hielden, ofwel verdwenen. En zo werd de kerk een eenheid ten koste van de rijke verscheidenheid die er had kunnen zijn.
Het definitieve besluit om de kerk te verlaten nam ik toen ik merkte dat ik ook thuis niet meer onbevangen in de bijbel kon lezen. Overal las ik tussen de regels door de visie die in de kerk werd verkondigd en dan werd ik weer kwaad, ging in gedachten in discussie.
Met deze kerk raak ik God kwijt, was mijn pijnlijke conclusie. Uiteindelijk leek het me beter afstand te nemen van de kerk om zo weer openheid naar God te kunnen krijgen. Naar de God waar ik in geloofde, niet de God die verkondigd was. Ik wilde in een barmhartige God geloven, die ruimte heeft voor alle mensen, of ze nou braaf en ingetogen zijn of niet. Na een poosje vond ik die God weer terug, Goddank. Een kerk is daarvoor niet nodig, wel contact met andere gelovigen. Die zijn er, ook buiten de kerk. Mijn geloof is veranderd, minder vast gedefinieerd. Als vanuit Nederlands Gereformeerde kring mijn geloof langs een meetlat gelegd zou worden, zou ik zeker een onvoldoende krijgen. Maar ik heb die kerkverlating, hoe moeizaam ook, ervaren als een bevrijding, als een exodus uit de slavernij van starheid en bekrompenheid. En ik heb ervaren dat juist bij deze exodus God mij nader was dan in de jaren daarvoor. Ik zou niet meer in een kerk passen.
Het is zoals wanneer je een zomer lang op blote voeten loopt: daarna zitten je schoenen niet lekker, ze knellen aan alle kanten, doordat je voeten gewend zijn aan de ruimte. Zo ben ik gewend aan geestelijke ruimte. Een ruimte die ik niet meer wil inleveren, hoezeer ik soms ook de nestgeur mis van de kerk waarin ik opgroeide.
In de kerk wist bijna niemand van mijn uittocht: zowel vanaf de preekstoel als in het kerkblad werd gesteld dat ik vertrokken was naar elders. Dat is terminologie die gebruikt werd voor mensen die verhuisden. Zo kun je als kerk ook de indruk wekken dat er geen kerkverlating in je eigen gelederen is. Ik denk dat de kerk er heel goed aan zou doen om te luisteren naar wat kerkverlaters te zeggen hebben.
Eigenlijk zou men, net als bij goede bedrijfsvoering, exit-interviews moeten houden. Niet om de kerkverlater terug te praten, maar om erachter te komen: wat is er bij ons aan de hand, dat mensen zich hier niet thuis kunnen voelen.