De rechter staat voor de deur

1998-12-25
  • Jaargang 42
  • nummer 26
Het ontbrekende verbindingswoord
Het laatste zinnetje uit de tekst die we hierboven aanhaalden, roept wat vragen op. In de eerste plaats ontbreekt een woord dat de verbinding legt met het voorafgaande. Reeds in de oudheid heeft men dat kennelijk als een manco gevoeld: in een heel kleine minderheid van onze handschriften vindt men een ’kai’ (= ’cn’) toegevoegd. Enkele nederlandse vertalingen (Stat.Vert. en Luth. Vert.) zijn daarin meegegaan; zo ook de Friese Vertaling. Daarenboven hebben zowel de Leidse vertaling als de Canisius een verbinding gelegd door respectievelijk te vertalen „zonderdat hij zich tegen u verzette” en „ofschoon hij uw vijand niet is”. Intussen: de moeite die men kennelijk had en heeft met de tekst zonder ’kai’ pleit eens te meer voor de authenticiteit ervan. Immers: eerder vergemakkelijkt men een moeilijke tekst, dan dat men een gemakkelijke moeilijker maakt.

De tegenwoordige tijd
Een tweede probleem heeft zich inmiddels al aangemeld in de Leidse Vertaling. Deze spreekt nl. van ’verzette’, verleden tijd, terwijl het Grieks de tegenwoordige tijd geeft.
Een zelfde ingreep als de Leidse veroorlooft zich de Lutherse Vertaling: „en hij heeft u niet wederstaan ”. Men gaat er in deze weergaven kennelijk van uit, dat het hier gaat over het uitblijven van verzet van den rechtvaardige in het verleden, toen hij nl. door de rijken werd veroordeeld en vermoord. Anne de Vries zit op hetzelfde spoor, maar verbreedt het subject: „en niemand kon tegen je op”. Echter: ook de vertalers die hier de overgeleverde tegenwoordige tijd honoreren, lijken er over het algemeen1 toch wel van uit te gaan, dat het slotzinnetje slaat op het hier en nu ontbreken van verweer tegen de misdaden der rijken.

De context
Gezien de context is het echter de vraag, of die gedachte juist is. De emotioneel geladen pericoop (1-6) vertoont nl. retorisch een duidelijke driedeling.

a. „Uw rijkdom is verrot, uw kleren zijn door de mot aangevreten, uw goud en zilver is verroest”.
Deze tirade besluit met het dreigement „het roest ervan zal tegen u getuigen en uw vlees verteren als vuur”.

b. „Gij zijt schatten gaan opleggen, tenzij het de laatste dagen zijn”. (zulks blijkbaar ten koste van hun werkvolk:) „Zie, het loon dat door u is ingehouden van de arbeiders die uw landen hebben gemaaid schreeuwt ” (en dan nog explicieter:) „en het geroep van hen die uw oogst hebben binnengehaald, is doorgedrongen tot de oren van de Heer der legermachten”.

M.a.w. God heeft de roep om wraak in zijn oren geknoopt.2 Beide malen, bij a en bij b, worden de verwijten gevolgd door een dreiging. Daarom mag men m.i. verwachten, dat ook in

c „Gij hebt op aarde weelderig geleefd en u te goed gedaan, gij hebt uw hart vetgemest in de slachttijd” (zulks blijkbaar opnieuw ten koste van den naasten) „gij hebt den rechtvaardige veroordeeld, ja vermoord”, opnieuw een dreigement volgt, en wel in het omstreden slotzinnetje, dat ik daarom zó zou willen vertalen: „Keert zich dat (nl. wat u misdaan hebt) niet tegen u (nl. als getuige à charge in het komend gericht)?”

Nadere adstructie
Tot steun van de gegeven opvatting valt nog het volgende op te merken.

1. Dat misdrijven zich als getuigen in het gericht tegen de bedrijvers ervan opstellen, vindt men o.a. in Jes. 59, 12 („onze zonden getuigen tegen ons”), Jer, 14, 7 („Al getuigen onze ongerechtigheden tegen ons...”), Hos. 6, 5 (= 7, 10). („De hoogmoed van israël getuigt openlijk tegen hem”).

2. Een tegenwoordige tijd in plaats van een toekomende vindt men vaker, vooral als het gaat om een nabije toekomst; zo bijvoorbeeld in Op. 22,20 „Ik kom spoedig”. (Wij kennen dat verschijnsel ook: „ik kom zo”, „morgen ga ik naar huis”).
Nu, op de nabijheid van het dreigende proces wijst het vervolg heel nadrukkelijk: „de komst van de Heer is nabij” (v. 8), „de Rechter staat voor de deur” (v. 9). Het is dus niet vreemd, dat na een toekomende tijd in v. 3 („zal tegen u getuigen”) hier in v. 6 een tegenwoordige tijd („keert zich tegen u”) wordt gebezigd.

3) Een theoretische vraag, d.w.z. een vraag waarop de vrager zelf het antwoord al suggereert, vindt men bij Jacobus naast deze plaats maar liefst tien keer – als ik goed geteld heb – zeven maal met ’ou’ (zoals hier), d.w.z. met de suggestie van een bevestigend antwoord (2,4.5, 6,7.25; 4,1.4), drie maal met ’me’ of ’mèti’, d.w.z. met de suggestie van een ontkennend antwoord (2,14; 3,11.12).

De conclusie
Het is juist op grond van deze drievoudige zinspeling op het voorgaande gericht, dat Jacobus v. 7 begint met de conclusie „hebt dus geduld, broeders”. Omdat Gods oordeel over hun onderdrukkers op handen is, daarom moeten ze nog even volhouden.

Noten
* Een uitzondering vormt de Canisiusvertaling; zie hierboven.
** Ik vat het hier gebezigde perfectum op in z’n oorspronkelijke resultatieve zin, niet als ’aoristisch’, zoals het in de post-klassieke periode soms voorkomt. Jacobus zegt hier dus m.i. niet „dat geroep heeft God ooit eens bereikt”, maar dat geroep zit nu in Gods oren” (als ik het voor de duidelijkheid even zo mag zeggen).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief