De weg kwijt?

1999-04-16
  • Jaargang 43
  • nummer 8
Onlangs gaf drs. H. de Jong in Opbouw een bespreking van Je weg vinden, een boekje dat ik vorig jaar voor jongeren geschreven heb.1) Het handelt over de vraag hoe wij aan de hand van de Bijbel in deze verwarrende en steeds veranderende samenleving onze weg kunnen vinden. Naast ds. De Jong hebben ook anderen uit zowel eigen als aanverwante kerken op het boekje gereageerd.
2) Overheerste bij de eerste de instemming, van de andere besprekingen kan dat bepaald niet gezegd worden. In enkele artikelen wil ik op die reacties ingaan. Allereerst omdat de zaak waar het om gaat zeer de moeite van een nadere bezinning waard blijft.
Ten tweede omdat de bezwaren tegen het boekje van een dusdanig zwaar kaliber zijn, dat ik er eigenlijk niet aan voorbij kan gaan. Ten derde omdat door één van de scribenten ’van buiten’ naar aanleiding van het boekje ook de kerkelijke verhoudingen in het geding gebracht werden.

Laat me eerst eens de kritiek op een rijtje zetten.

Wissel om in het Schriftgebruik?
Graag geef ik eerst het woord aan mijn zeer gewaardeerde leermeester prof. W. van ’t Spijker. Hij vat het boekje als volgt samen: ’De inzet van het geheel is, dat er dingen in de Bijbel staan die ieder mens vrijwel automatisch laat voor wat ze zijn: het is een andere cultuur waarmee we in aanraking komen. Centraal staat de boodschap van de liefde van God in Christus die uitgesproken duidelijk blijkt bij het kruis. Daar weten we pas wat liefde is en daar leren we ook wat gerechtigheid en ootmoed inhouden.
Die christelijke deugden functioneren in het boekje als wegwijzers. In die richting moeten we het gaan zoeken in verantwoordelijkheid en afhankelijkheid.
Wie in dit spoor zijn gang zoekt, kan in vrijheid een keuze maken in de belangrijke problemen die het leven vandaag oplevert. Schriftberoep dus op een materiële manier. Niet slechts een formeel verwijzen naar een tekst hier of daar ...’ Niet zonder zorg stelt hij vervolgens: ’Het laat zich denken dat ds. Mudde met zijn benadering van deze dingen en zich beroepend op wat hij op wat hij beschouwt als grondwoorden, de tekst van de Bijbel op een bepaalde manier achter zich laat.’ Zelf zoekt prof. Van ’t Spijker het in een andere richting: ’Het is een kwestie van Woord en Geest. Die twee zijn op een wonderlijke, onbegrijpelijke manier wederzijds met elkaar verbonden: zo spreekt Calvijn er over.
Bij hem is er geen onderscheid te maken tussen een formeel en een materieel gezag van de Bijbel. Hij spreekt ook weinig over ’grondwoorden of kernbegrippen. Hij kwam sowieso uit de school waar hij geleerd had eerbied te hebben voor de tekst zoals die er lag.’ En als gevaar van ’mijn’ benadering noteert hij: ’De scholastiek leefde bij gratie van theologische begrippen, zorgvuldig uitgebalanceerd.
Maar de Schrift, het klinkende Woord, de levende stem, de letterlijke tekst was verdwenen. ... Luther zei ’Ik ben in het Woord gevangen.’ Wat gebeurt er, wanneer in de leer fundamentele begrippen de denkweg bepalen?
Systeemdwang, zeggen we dan.
Daar wil niemand graag aan geloven.
En wat gebeurt er wanneer in het leven enkele ethische deugden, want dat zijn het, moeten gaan functioneren als koersbepalend, wegwijzend, zodat de teksten erachter verdwijnen? Gaat dan niet een wissel om, niet slechts met betrekking tot de beoordeling van een concreet ethisch probleem, maar ook inzake een fundamenteel gegeven wat gereformeerde theologie wil zijn?’ Prof. Van ’t Spijker sluit zijn bespreking af met de opmerking dat de kwestie ons allen raakt. ’Op het punt van de aard, functie en werking van het gezag van de Schrift all-in valt ook de beslissing
omtrent de eenheid van de gereformeerden.’

Aantasting van het Schriftgezag
Een andere invalshoek koos ds. H. J. Boiten in Nader Bekeken, een blad van vrijgemaakte snit. Hij besprak mijn boekje onder de titel Is de Bijbel een doolhof? en toetst het aan art. 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: De kerk belijdt dat de Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden. Ds. Boiten meent dat ik deze belijdenisen dus de Schrift- tekort doe. ’Mudde neemt weliswaar de Bijbel als uitgangspunt, maar die scoort een gedeeltelijke onvoldoende. De Bijbel is niet altijd duidelijk, noch eenduidig, zo citeert hij het boekje. ’Wat blijft er van de duidelijkheid van het Woord over?’ vraagt hij zich af. En: ’Mudde creëert een tweedeling in de Schrift: enerzijds is er onvoldoende informatie, een complex van tijdgebonden en verwarrende regels, anderzijds zijn er de eenvoudige grondwoorden, die met behulp van eigen kennis en ervaring nieuwe gestalten van liefde en gerechtigheid mogelijk maken, bijvoorbeeld een homoseksuele relatie.’ ’Is die tweedeling, die een aanzienlijke inperking van het gezag van de Schrift meebrengt, voor een christen wel aanvaardbaar?’ Ook vraagt hij zich af: ’...
betekent het werkboek van Mudde geen aantasting van de erkenning van het gezag van de Schrift? Het gezag dat aan Gods Woord toekomt is toch niet te beperken tot enkele grondwoorden?
En zijn eindconclusie luidt: ’De eigenschappen van de Heilige Schrift moeten het ontgelden: de eenheid, het gezag, de duidelijkheid, de genoegzaamheid en de volkomenheid der Schrift. Mudde claimt dat op deze wijze de Schrift nieuwe antwoorden geeft op nieuwe vragen. Maar is het nu wel de Bijbel die antwoorden geeft, of heeft Mudde veel van de bijbeltekst achter zich gelaten? En zijn de vragen naar de vrouw in het ambt, de emancipatie en de homoseksuele praxis wel zo nieuw? En zijn sommige antwoorden niet eerder een tikje vrijzinnig dan nieuw? Is het niet eerder nieuw dat een en ander zich voltrekt in de NGK?
En zijn sommige antwoorden niet eerder een tikje vrijzinnig dan nieuw?’

Meer modern dan bijbels?
Ook ds. G. van Keulen - sinds 4 april jl. emeritus-predikant van Wezepmaakt een aantal kritische kanttekeningen bij het boekje.
* ’Mijn eerste opmerking is dit: overdrijft ds. Mudde niet als hij de Bijbel zo’n moeilijk boek noemt, waarmee je nauwelijks overweg kunt in de doolhof van het leven?’ * ’Een tweede bedenking die bij me opkwam is deze: wordt niet teveel uitgegaan van de moderne leefwijze?’ * ’Ik heb ook (ten derde) moeite met de manier waarop M. de gidsfunctie van de Bijbel vrijwel geheel beperkt tot enkele kernbegrippen of oriëntatiepunten.
.. Neem het begrip liefde. Dat is toch nooit een vervanging van de wet, maar juist een vervulling van de wet ...’ En wat betreft het begrip gerechtigheid: ’Ik had de oriëntatie op God veel sterker willen benadrukken.’ * ’Wat ik een ernstig gemis vind is het volgende: M. gaat helemaal voorbij aan wat men wel de scheppingsstructuren of de scheppingsordinanties heeft genoemd. Heeft God niet vanaf het begin gewild dat man en vrouw op een bepaalde manier in verhouding tot elkaar zouden staan in de dienst van Hem?’ ’Is deze zaak ook niet fundamenteel als het over de beoordeling van homofilie/homoseksualiteit gaat?’ * ’Tenslotte: ik vrees dat M. z’n benadering aanleiding geeft tot subjectieve, individualistische keuzes. Typisch naar de geest van de tijd. .... Ik ben bang dat we zo gemakkelijk door onze eigen omgeving laten bepalen wat onze houding is. Flexibele en trendgevoelige christenen. Maar nog steeds op
de weg die de HERE ons in Zijn Woord wijst?’

Korte kritiek op de kritiek
Al deze kritische opmerkingen -hoe pittig en voor mij hier en daar pijnlijk ook- stel ik zeer op prijs. Hopelijk zal blijken, dat ik me er ook wat van aantrek.
Toch kan ik het niet laten eerst iets van de kritiek van de critici te zeggen, om te voorkomen dat bepaalde kwalificaties een eigen leven gaan leiden.
Maar wel kort, zodat de bezinning niet verzandt in een kritiek op de kritiek. Een drietal opmerkingen.
De eerste is, dat ik de wijze waarop mijn boekje door bovenstaande scribenten is samengevat lang niet altijd adequaat vind. Dat kan liggen aan de wijze waarop ik me uitdruk - die is ongetwijfeld verre van volkomen -, maar soms vraag ik me af: had hier echt niet voorkomen kunnen worden, dat de lezers op het verkeerde been worden gezet? Zo heeft het artikel van ds. Boiten als kop: ’Is de Bijbel een doolhof?’ Met het woord doolhof meent hij mijn kijk op de Bijbel te typeren!
Nu wordt het woord ’doolhof’ geregeld gebruikt in mijn boekje.
Alleen, niet voor de Bijbel, maar voor de situatie waarin deze wereld ons plaatst. Van de Bijbel schrijf ik (verwijzend naar o.a. 1 Pet. 1:24): ’Stap voor stap hoop ik te laten zien, dat het nog steeds mogelijk is aan de hand van de Bijbel je weg door de doolhof van het leven te vinden.’ Een ander voorbeeld.
In mijn boekje gebruik ik het woord ’gemeenschapstrouw’ als een kenmerk van de rechtvaardige. Er is mee bedoeld dat de rechtvaardige zich deel weet van en zich verantwoordelijk voelt voor de gemeenschap waarin hij leeft. Hij is een naaste, trouw aan de mensen om zich heen. M’n kritiek op de emancipatiegedachte, zoals die zich in onze samenleving ontwikkeld heeft, is - op basis van dit woord -, dat het daarin draait om zelfverwerkelijking, zelfontplooiing en zelfstandigheid van de vrouw. Met alle schadelijke gevolgen van dien! Hoe nu geeft ds. Van Keulen het woord gemeenschapstrouw weer? Hij vindt dat ik wel erg royaal de moderne beleving van de man-vrouw verhouding aanvaard en geeft mijn standpunt als volgt weer: ’Hoe je met elkaar omgaat is vooral een kwestie van gemeenschapstrouw.
Dus: je moet de ander de ruimte gunnen.’(!!)

Een tweede opmerking betreft de bespreking van prof. Van ’t Spijker.
Eerlijk gezegd vind ik het jammer dat hij al bij de weergave van mijn boekje een begrippenapparaat invoert, dat ik niet gebruik en waarvan het maar de vraag is of het recht doet aan mijn boekje. Zo schrijft hij, dat ik ’de christelijke deugden’ als uitgangspunt neem. Vervolgens plakt hij daar bij zijn beoordeling het stickertje ’scholastiek’ op, om te eindigen bij ’systeemdwang’.
Nu ben ik geen ethicus, in die zin, dat ethiek m’n vak niet is. En misschien ligt het wel heel erg voor de hand om in een boek over christelijke levensstijl, waarin woorden als gerechtigheid, liefde, ootmoed en dergelijke een zeer centrale plaats innemen, te denken aan een deugdenethiek. Toch, niet bepaalde ’deugden’ vormen het uitgangspunt van mijn boekje, maar de HERE Zelf, de HERE van Wie geschreven staat ’De HERE doet gerechtigheid en recht aan alle verdrukten.
Hij maakte Mozes zijn wegen bekend, de kinderen Israëls zijn daden. Barmhartig en genadig is de HERE, lankmoedig en rijk aan goedertierenheid, niet altoos zal Hij twisten, niet eeuwig zal Hij enz.’ (Psalm 103: 6vv). Om het leven voor het heilig aangezicht van deze God gaat het in mijn boekje en niet om een procédé van het leven proppen in begrippen, die vervolgens een gevangenis worden voor zowel de Schrift als het leven zelf. Ook het discutabele en historisch belaste onderscheid tussen materieel en formeel Schriftgezag komt van prof. Van ’t Spijker en niet van mij. Toch plaatst hij mijn boekje door het te gebruiken meteen in een bepaalde hoek, waar in ieder geval Calvijn niet te vinden is. Eerlijk gezegd, daar wordt een mens niet vrolijk van.

Tenslotte vind ik het jammer dat geen van de schrijvers ingaat op het door mij aangedragen materiaal. Het boekjeoe klein ook- bevat toch genoeg voorbeelden van zowel de evidente afstand die er soms bestaat tussen de bijbelse voorschriften en onze tijd, als pogingen mijnerzijds om die afstand te overbruggen. Ook laat ik aan de hand van nogal wat Schriftgegevens zien, hoe ik bij die grondwoorden uitkom.
Waar ik echter geprobeerd heb om zo concreet mogelijk te zijn in zowel het luisteren naar de Schrift als het toepassen daarvan, blijven de critici steken in algemeenheden. Terwijl juist een bezinning op het Schriftberoep nooit zonder concrete voorbeelden kan, om te voorkomen dat die bezinning een puur theoretisch karakter krijgt.

Leren van kritiek
Toch, of de scribenten de inhoud van het boekje nu helemaal recht hebben gedaan of niet, alle drie hebben moeite met de wijze waarop de Heilige Schrift in mijn beantwoording van ethische vragen van deze tijd functioneert.
Ze signaleren allemaal één gevaar, dat, indien zij gelijk hebben, zeker een gevaar is. Ook in mijn ogen. Waarin dat schuilt? In mijn opzet begin ik met te constateren, dat het directe beroep op de Schrift niet altijd eenvoudig is.
Vanuit dit startpunt ga ik binnen de Schrift op zoek naar ’vaste punten’, basiszekerheden en die vind ik in woorden als gerechtigheid, liefde en trouw. Dreigt bij deze opzet de Bijbel op een gegeven moment niet gesloten te blijven, op zijn minst aan relevantie te verliezen? Ook ds. De Jong signaleert dit gevaar, vermoed ik, als hij schrijft: ’... het aanwijzen van die basiswoorden blijft toch slechts een hulpmiddel dat de geduldige en gestage lezing van Gods Woord bepaald niet overbodig maakt.’ Eerlijk gezegd heb ik dit mogelijke neveneffect niet voorzien en al helemaal niet bedoeld. Mocht m’n boekje bij jongeren een houding van wantrouwen tegenover de Bijbel voeden en de indruk wekken dat we de Bijbel wel dicht kunnen laten nu we daaruit enkele grondwoorden gedistilleerd hebben, dan heb ik de accenten verkeerd gelegd en is mijn boekje simpel mislukt. Mijn doelstelling was namelijk precies omgekeerd: jongeren laten zien, dat je met de Bijbel juist wel uit de voeten kunt. Waarom ik dan begonnen ben met de problematiek van het Schriftberoep? Dat heeft te maken met de doelgroep die ik bij het schrijven voor ogen had. Catechisanten die de Bijbel op onderdelen maar een barbaars boek vinden en te hoop lopen tegen regels en voorschriften waarmee ze werkelijk niet uit de voeten kunnen. Weliswaar herken ik me voldoende in deze verwarring om aan te voelen waarmee zij zitten, maar het is mijn bedoeling geweest niet in de verwarring te blijven hangen, maar te laten zien dat uiteindelijk héél de Schrift, ook wanneer sommige voorschriften op het eerste gezicht vervreemdend werken, relevant is. Dit is ook de boodschap van hoofdstuk 8, dat handelt over 1 Tim. 5:23 (’Drinkt voortaan niet (alleen) water, maar gebruik een weinig wijn voor uw maag en uw gedurige ongesteldheden’).3) Dat hoofdstuk eindigt met de volgende zinnen: ’Door elk schriftwoord willen we ons in de kerk van Christus tot nadenken laten prikkelen, bij de hand laten nemen om zijn bedoeling met ons in het heden te ontdekken. Ja, zo ontdek je, elk van God ingegeven schriftwoord is nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden tot gerechtigheid (2 Tim.3:16)’ Had het duidelijker gekund?
Want, mocht daarover enig misverstand bestaan: héél de Bijbel is voor mij de Heilige Schrift, het Woord van de levende God. Van dat Woord léven wij, ook ik. Ik meen dat deze belijdenis ook in mijn boekje terug te vinden is, maar mocht dat niet helder genoeg zijn doorgekomen, dan is er alle reden om het hier nog eens te onderstrepen.
Alleen, wie meent dat de vragen rond het Schriftberoep in de ethiek met deze hartelijke belijdenis van de baan zijn, die vergist zich.

Noten
1. Opbouw, 43e jrg. nr. 1, pg.16 vv.
2. Respectievelijk Prof. Dr. W. van ’t Spijker in het Nederlands Dagblad van 19 september 1998; Ds. H. J. Boiten in Nader Bekeken, jrg. 5 no. 12, december 1998, pg. 289-294 en Ds. G. van Keulen, Kerkblad voor Nederlands Gereformeerde Kerken in de provincies Flevoland, Gelderland en Overijssel, 19e jrg. Nr. 11 en 12, resp. 22 januari en 5 februari 1999.
3. Daarin zit een oud-Opbouw artikel over 1 Tim. 5:23 verwerkt. Zie Verantwoordelijkheid in afhankelijkheid (4, slot), Opbouw, 41e jrg. nr. 13, pg. 236vv

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief