Het verhaal van Hans
1999-04-16
Deze keer in ’Opbouw’ een verhaal over zomaar een jongen uit een gewoon gezin, ergens in Nederland. De naam ’Hans’ is niet zijn echte naam; ook is de gezinssituatie op papier zó veranderd dat de familie niet herkenbaar is.- Jaargang 43
- nummer 8
Hans werd 14 jaar geleden geboren als tweede zoon in het gezin. Later werden er nog twee zusjes geboren. Hans was als baby erg rustig. Wel was hij erg gevoelig voor geluiden. Als er lawaai in of rond het huis was, dronk hij slechter of kwam hij moeilijk in slaap. Ook reageerde Hans direct op spanningen in het gezin.
Hans was als peuter vaak verkouden en had last van zijn oren en zijn keel.
Hij transpireerde veel en had vaak koude handen en voeten.
Intens
Als kleuter leefde Hans zeer intens. Hij leefde zó naar gebeurtenissen toe, dat het hem teveel werd. Zo had hij zich enorm verheugd op zijn vierde verjaardag.
De week voor zijn verjaardag sliep hij bijna niet en op zijn vierde verjaardag was hij dan ook ziek. Toen hij een week later voor het eerst naar school zou gaan, moest hij steeds overgeven.
’s Nachts werd hij vaak angstig wakker.
Ook plaste hij weer in zijn bed.
Hans had een goede band met de juf op school. Wel had hij moeite met de aansluiting met andere kleuters. Hij nam zelden vriendjes mee naar huis.
Leren lezen, schrijven, rekenen
In groep 3 bleek dat Hans goed kon leren. Hij deed ook erg zijn best. Hij bleef echter een eenling. Ook waren er klasgenoten die hem pestten. Ze waren jaloers op zijn schoolprestaties. Hans dacht dat hij er wel bij zou horen als hij dezelfde merkkleding zou dragen of als hij evenveel wist van voetbal. Het bleek niet te helpen en Hans trok zich dus weer wat meer terug.
In de kerk was er een bijbelclub. Het was een klein groepje, waar Hans zich veilig voelde en goed in gedijde.
Thuis zat Hans het liefste te tekenen, te lezen of naar de televisie te kijken. De momenten waarop ook zijn zusjes in de kamer waren, waren moeilijk voor hem.
Er ontstonden dan gemakkelijk ruzies.
Zijn vader kwam vaak doodmoe uit zijn werk en kon heel kortaf reageren. Hans trok zich deze reactie van zijn vader erg aan, sloot zich af of reageerde zich soms af op zijn jongere zusjes.
Catechisatie
In de laatste klassen van de basisschool blonk Hans nog steeds uit op school. De onderwijzer gaf hem vaak speciale opdrachten. Aan gymnastiek had hij een hekel; hij werd vaak als laatste gekozen voor de spelletjes. Nog steeds waren er kinderen die het -voor zijn idee- op hem gemunt hadden.
Soms droop hij af en reageerde de spanning thuis af. Op andere momenten verloor hij zijn zelfbeheersing en sloeg er rond de school driftig op los.
Overigens zonder het door hem gewenste effect, want hij was veel zwakker dan zijn kwelgeesten.
Hans ging nu ook naar de catechisatie van de kerk. Hij vond het er plezierig, vooral als hij veel kon leren. Twee jongens hadden echter wel een ’oogje’ op hem en treiterden hem als hij naar huis ging. De leiding van de catechisatie merkte dit nooit en Hans vertelde ook thuis nooit iets over deze plagerijen.
In de winter was Hans regelmatig ziek.
Hij zag er dan slecht uit, was moe en moest veel schoolweken verzuimen.
Voortgezet onderwijs
Na de basisschool volgde voor Hans de brugklas. De hele vakantie had hij tegen deze grote stap op gezien. Eenmaal op school bleek het mee te vallen: hij genoot van de nieuwe vakken.
Voor de docenten was hij een gemakkelijke leerling. Wel had Hans grote moeite om zich aan te passen aan het nieuwe schoolsysteem. Het voortdurend moeten veranderen van docent en gebouw kostte hem veel energie. De onrust in de klas werd door hem moeilijk verdragen; hij gedijde het beste in de meest ordelijke lessen. Ook hier vond Hans niet gemakkelijk aansluiting met zijn medeleerlingen. Hij kon door plagerige opmerkingen van anderen helemaal blokkeren. Gelukkig had hij wel een paar leeftijdgenoten die hij vertrouwde.
In februari volgde weer een periode van kwakkelen met de gezondheid.
Toen hij weer wat opkrabbelde leek het of hij steeds somberder werd.
Hij sliep vaak laat in en was dan de volgende dag erg moe.
Ondanks zijn frequente ziekteverzuim ging Hans zonder problemen door naar de tweede klas van het VWO. Hij deed erg zijn best om goede cijfers te halen.
Daar maakten klasgenoten wel eens denigrerend opmerkingen over.
Wat is er met Hans aan de hand?
Ieder kind is door God uniek geschapen, Hans ook. Ouders moeten proberen om aansluiting te vinden bij die uniciteit van hun kinderen. De ouders van Hans hebben dat ook geprobeerd. Het ging hen niet gemakkelijk af, want Hans heeft iets ongrijpbaars. Er is wel eens gedacht aan een aan autisme verwante stoornis, maar dat beeld blijkt toch niet echt bij Hans te passen.
Hans’ moeder zag al snel dat hij zeer gevoelig is voor indrukken. De positieve kant daarvan is dat hij graag en snel leert. De gevoeligheid maakt hem echter ook kwetsbaar. Op stress reageert hij vooral met weerstand: eet- en slaapproblemen.
Omdat er zoveel op hem af komt, heeft hij tegelijkertijd de neiging om zich af te sluiten; het biedt hem enige bescherming tegen een overmaat aan informatie. Hans houdt van orde en regelmaat, dat geeft hem meer houvast. Moeder vertelt dat hij als peuter, meer dan zijn zusjes, hechtte aan vaste rituelen. Alles moest op dezelfde manier verlopen, anders raakte hij in paniek.
De gevoelsthermostaat is stuk
Op de basisschool verwerkt Hans zijn emoties door te gaan tekenen of te gaan lezen. Deze hobby’s leiden echter niet tot voldoende spanningsontlading.
Ook nu is hij -vooral in de loop van het schoolseizoen- vaak ziek. Het lijkt alsof de gevoelsthermostaat stuk is. Het feit dat hij op school goed presteert is mogelijk zelfs een valkuil.
Hans wil graag presteren, maar juist deze gevoelige jongen overvraagt zichzelf daarmee. De hoge eisen die hij aan zichzelf stelt, leiden vervolgens weer tot een verhoogde mate van kwetsbaarheid. Hans is een actieve jongen, maar hij lijkt zijn lichamelijke en psychische energie niet goed lijkt te doseren. Hij ziet veel, hoort veel, is actief, maar dat put hem teveel uit.
Alleen al daarom lijkt hij niet zoveel vrienden te hebben: dat kost teveel energie. Als de ’accu’ in de loop van het jaar leeg is, volgt een periode van ziekte (ziekte om weer in balans te komen). Nu hij moet leren om meer los te komen van zijn ouders tast de lege accu dus ook zijn emotionele reservoir aan: op de perioden van ziekte volgen ook nog eens perioden van somberheid.
Zelfbeeld
Veel pubers denken negatief over zichzelf.
Achter hun branie-achtige gedrag schuilt veel onzekerheid. Hans camoufleert zijn onzekerheid niet. Al in het eerste gesprek met een orthopedagoog vertelt hij dat ’ze’ groot gelijk hebben als ze hem een slappeling vinden. Als het gesprek op zijn schoolprestaties komt lichten zijn ogen even op. Hij streeft er naar om goed te presteren en denkt ook veel te kunnen. ”Maar”, zegt hij even later, ”het breekt me toch weer bij de handen af.” Daardoor heeft hij alsnog het gevoel dat hij gefaald heeft.
Het roept bij hem een gevoel van machteloosheid op. Hij denkt ook dat zijn vader zich wel aan hem zal ergeren.
Daarom valt hij hem ook maar niet lastig. Wel droomt Hans er van om zijn vader ooit eens te verrassen met een grootse prestatie. Dat zou misschien een zelf geschreven boek kunnen zijn.
Geloof
Hans blijkt een kwetsbare jongen, die zichzelf daarnaast ook nog eens voortdurend overvraagt. Bovenop de lichamelijke gevoeligheid groeit een (te) streng normsysteem. Hans voelt zich steeds schuldig, omdat hij niet presteert wat hij zou moeten presteren. Zijn perfectionisme zit hem in de weg.
In het gesprek met de orthopedagoog komt ook de kerkelijke achtergrond van Hans ter sprake. Hij weet veel over de Bijbel. Maar als er gevraagd wordt wat hij een mooie geschiedenis uit de Bijbel vindt, weet hij niet echt een antwoord te geven. Het denken van Hans lijkt vooral bepaald te worden door de vraag wat goed en wat fout is. Mensen hebben steeds weer de neiging om in fouten te vervallen. Daarom is het goed als er veel duidelijke regels zijn. ”Maar helaas”,
zegt Hans, ”je blijft toch fouten maken, eigenlijk helpt het allemaal toch niet.”
Gezin
Omdat de vader van Hans het zo druk heeft, draait het gezin grotendeels op zijn moeder. Hans houdt er niet van dat ze veel dingen voor hem regelt. Aan de andere kant vindt hij die bescherming ook plezierig.
De relatie met zijn vader lijkt gekenmerkt te worden door vermijding. Hans denkt dat hij zijn vader irriteert, hij is immers een slappeling?
De relatie met zijn (oudere) broer is zeer beperkt. Deze broer is vaak met vrienden op stap. Hans weet niet wat hij van zijn broer kan ’leren’. Op de vraag: ”Zou je niet óók veel vrienden willen hebben?” antwoordt Hans: ”Nee, want ik lijk toch niet op hem.” Met zijn jongste zusje heeft Hans de beste band, het andere zusje ziet hij min of meer als een rivaal.
Ouders
Vooral in de jaren ’60 en ’70 was het in de hulpverlening heel gewoon om ouders de schuld te geven als het niet goed ging met een kind. Dat is niet terecht. De meeste ouders hebben heel veel over voor hun kinderen. Bovendien: opvoeden gaat altijd gepaard met fouten, je kunt dus ook altijd wel een fout bij ouders aanwijzen.
Het verhaal van Hans en zijn vader laat zien dat ouders en kinderen elkaar soms - met de beste bedoelingentoch verkeerd begrijpen.
Hans heeft ouders die veel van hem houden. Ze zijn hulp gaan zoeken, omdat ze het gevoel hebben dat zijn ontwikkeling vastloopt. De orthopedagoog neemt met de ouders de ontwikkeling van hun zoon door. De bedoeling is om de persoon achter het gedrag van Hans te ontdekken. Er wordt gesproken over zijn temperament (zie Opbouw 43/6). Hans reageert vrij traag, maar zijn ouders willen graag dat alles snel verloopt. Ze willen doen en slaan daardoor soms de stap van het luisteren over. Door het tempo meer op elkaar af te stemmen, zou een aantal irritaties voorkomen kunnen worden.
Vooral wordt stilgestaan bij het feit dat Hans zoveel weet. Hij lijkt groter dan hij emotioneel is; hij kan meer dan hij emotioneel áán kan. Ondanks de goede bedoelingen van de ouders komt hij daardoor soms steun te kort. De christen-orthopedagoog Dr. G. de Lange heeft daar in zijn boeken veel aandacht aan besteed. Een knuffel vormt de basis van het zelfvertrouwen.
Dat geldt voor peuters, maar ook voor pubers, al zal het bij hen minder om een lichamelijke en meer om een emotionele knuffel gaan. Met andere woorden: waar vinden we bij Hans ingangen voor troost? (zie Opbouw, 42/26; 43/5).
Bij troost is altijd sprake van twee aspecten: geborgenheid en perspectief (aldus Prof. dr. W. ter Horst in Over troosten en verdriet). De ouders geven aan dat ze er van overtuigd zijn dat Hans troost nodig heeft. Maar je geeft als ouders gauw de moed op, omdat Hans zo afwerend lijkt. Zijn moeder: ”Daarom doe ik het dan maar weer voor hem, ik zoek een oplossing.”
Samen doen...
”Waar hebt u vroeger van genoten?
Wat is een dierbare herinnering aan vroeger met uw vader?” vraagt de orthopedagoog aan de vader van Hans. ”De mooiste herinnering was dat we er een dag met de fiets op uit trokken, ik alleen met mijn vader. Ik zie ons nog zitten, op de dijk, aan het water van de Rijn.” (Prof. Ter Horst noemt dit: de Gouden Momenten). ”En als u nu naar Hans kijkt, wat zijn dan úw dierbare momenten met úw zoon?” Hans’ vader verzucht: ”Eigenlijk lijkt hij heel erg op mij en toch heb ik hem niet kunnen bereiken. De laatste momenten zijn eigenlijk toen hij nog bij mij achterop de fiets zat.” De vader herkent ook uit zijn eigen jeugd het gegeven dat een puber zijn vader heel hard nodig heeft. ”Maar waarom lukt het dan niet? Ik hád het toch kunnen weten?” Duidelijk is dat de vader van Hans graag vaker met zijn zoon op wil trekken.
En omgekeerd: dat is nu juist ook wat Hans graag wil. Alleen dachten ze van elkaar dat ze elkaar alleen maar in de weg liepen. Hans was onzeker over de relatie met zijn vader, zijn vader was onzeker over de relatie met Hans....
Afgesproken wordt dat Hans en zijn vader maandelijks samen een dag iets zullen ondernemen. Zo’n uitstapje biedt goede ingangen voor én geborgenheid én perspectief: hoe gaat mijn wereld er verder uit zien?
Niet af...
Is dat alles? Nee, het verhaal van Hans is nog lang niet af. Het vormt ook geen recept voor andere ouders. Ieder kind is immers uniek? Opvoeden kan niet zonder fouten en gaat altijd gepaard met groeipijnen. Ook in opvoedingssituaties is de gebrokenheid van de Schepping nadrukkelijk voelbaar.
Hans heeft regelmatig gesprekken met een hulpverlener. Hij leert er meer voor zichzelf op te komen. De vader van Hans heeft het nog steeds erg druk.
Tijd lijkt een schaars en dus luxe artikel in de westerse samenleving te zijn geworden. Toch groeit er voor Hans en voor zijn vader weer een stukje perspectief in de opvoeding. Het investeren in de relatie, het bieden van troost, geborgenheid en perspectief: dat heeft alles met christelijk opvoeden te maken.