Persschouw
1999-04-16
Vragen in de kerk- Jaargang 43
- nummer 8
Hoe ben je gemeente van Christus in deze wereld, in deze tijd? Met die vraag krijgt elke kerk op de een of andere manier te maken. Ook de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika. In het landelijk weekblad van dit kerkgenootschap, De Saambinder, schrijft op 18 maart ds. A. Moerkerken een artikel naar aanleiding van de zorgen die hij heeft over het grote aantal mensen dat de Gereformeerde Gemeenten verlaat; en dan niet om naar een verwante bevindelijke kerk te gaan (dat zou zo erg niet zijn), maar gevreesd moet worden dat zij weggaan om terecht te komen onder een leer die beduidend anders is dan die welke zij hebben verlaten.
Waarom gaan mensen weg uit de Gereformeerde Gemeenten? Daar kunnen heel verschillende redenen voor zijn.
Leer en leven beide zijn in het geding, zegt Moerkerken. En vervolgens somt hij op wat hij zelf in de loop van de jaren zoal aan bezwaren te horen heeft gekregen. Eerst met betrekking tot de leer van de kerk: De prediking zou te beschrijvend zijn, te weinig appellerend. Het stuk van de ellende zou buitensporig veel aandacht krijgen, ten koste van de prediking van Christus - om over de dankbaarheid nog maar te zwijgen. ’t Zou allemaal zo sómber zijn - en het Evangelie is toch een blijde boodschap? Allerlei voorwaarden zouden gepredikt en allerlei barrières opgeworpen worden om tot Jezus te kunnen gaan - maar iedereen mag toch tot Hem komen zoals hij is? De prediking zou ook zo dogmatisch zijn en zo weinig verband houden met het dagelijks leven. En de taal... zo hopeloos ouderwets! De taal van de zeventiende eeuw.
En ook over het leven van de kerk valt heel wat te noemen: Er zou een verrechtsing plaats hebben gevonden binnen onze gemeenten: de regels worden op een wettische wijze aangescherpt. Er zou krampachtig worden omgegaan met de media (televisie, internet), de traditie zou heersen over de eenvoud van de Bijbel, ’groepskenmerken’ als haardracht en kleding veel te veel aandacht krijgen, terwijl de grote vraagstukken waar deze tijd ons voor stelt nauwelijks aan de orde komen.
Nu, dat is dus een stevige lijst van bezwaren. En het getuigt van eerlijkheid en moed om zo’n verhaal zwart op wit in je kerkblad te schrijven.
En dan wordt het natuurlijk spannend: want wat doe je daar nou mee? Hoe ga je om met dit soort dingen? Het antwoord op die vragen is wat teleurstellend; zo ervaar ik dat tenminste wel.
Moerkerken - één van de leidende figuren binnen de Gereformeerde Gemeenten - heeft de mensen die dergelijke moeiten hebben in feite niets te bieden.
Hij gaat niet in op de genoemde bezwaren, en de mogelijkheid dat sommige daarvan terecht zouden kunnen zijn, komt al helemaal niet in beeld. In plaats daarvan schrijft hij over de voorbereiding op de openbare belijdenis; in de gesprekken die juist in deze tijd daarover plaatsvinden roept hij enerzijds de kerkenraden op tot getrouwheid en anderzijds de belijdeniscatechisanten tot oprechtheid: Soms vraag ik me af: zijn onze kerkenraden daarin wel altijd getrouw genoeg?
Als het over de leer gaat, mogen wij toch van jonge mensen die - geheel vrijwillig!
- belijdenis gaan afleggen, verwachten dat zij van ganser harte áchter die leer staan? Men hoort soms dingen waarvan men schrikt. Is het een normale zaak als een predikant tegenover zijn belijdeniscatechisanten het hele jaar door de leer van onze gemeenten moet verdedigen? Is het een normale zaak als een kerkenraad dan vervolgens zulke door en door kritische jongeren toelaat - waarop zij vervolgens niet zelden ten Avondmaal gaan? ’k Zou ook willen vragen: is dit van de kant van zulke jóngeren wel integer en oprecht?
En hoewel hij er begrip voor heeft dat (jonge) mensen worden toegelaten uit zorg dat ze anders zullen afhaken, stelt Moerkerken de vraag: Beseffen we als kerkenraden wel dat het vasthouden van mensen wel eens kan leiden tot het verlies van onze gemeenten?
Eenmaal teruggebracht tot dát dilemma is de keus duidelijk: je kunt moeilijk je hele kerk opofferen aan een aantal mensen die niet bereid zijn van ganser harte achter de opvattingen van die kerk te staan. Intussen heb je dan wel het model van wat kerk-zijn is - in leer en leven - geijkt en gebonden aan een bepaalde historische vorm daarvan. En dat gaat dan blijkbaar zelfs zover, dat je liever mensen kwijtraakt dan ook maar iets te veranderen aan die historisch gegroeide gestalte van kerk-zijn.
Ik word er niet vrolijk van.
P.S. Mijn vorige Persschouw (over ”Vuur en vlam”) was nogal verfomfaaid in Opbouw terechtgekomen. Ik hoop dat het de lezer gelukt is de puzzelstukjes (wat was citaat en wat commentaar) op de juiste plaats te krijgen.
M.H.T. Biewenga, Emmeloord