In memoriam mr.dr. Jan Meulink
1999-04-30
In dr. Jan Meulink is ons een vertrouwde figuur in de Nederlands Gereformeerde kerken ontvallen. Iemand die, allang voordat dit gewoon geworden was, voor iedereen Jan heette. Hij behoefde er geen enkele moeite voor te doen joviaal over te komen, dat paste gewoon bij hem. Goedlachs en met open vizier trad hij je tegemoet.- Jaargang 43
- nummer 9
’Een Israëliet in wie geen bedrog was.’ In de Eenhoorn in Amersfoort heb ik wel eens gezocht naar het zaaltje waar we voor de redactievergadering van Opbouw moesten zijn, maar de bulderende lach van Meulink wees mij onfeilbaar de weg. Hij had natuurlijk weer een van de vele anekdotes over zijn vader verteld. De oude ds. H.
Meulink van Enschede had namelijk vooral vanwege zijn pastoraat een onuitwisbare indruk op zijn zoon gemaakt.
Echt Nederlands Gereformeerd
Ik vond hem ook echt Nederlands Gereformeerd. Iemand met een rotsvast geloof die van daaruit veel wist te relativeren en daarover ook in- en uitnemend wist te discussiëren. Toen hij van een van onze landelijke vergaderingen de voorzitter werd, bleek dat een baan die hem op het lijf geschreven stond. Soepel en geestig leidde hij de kruiwagen met kikkers, die onze kerken-in-vergadering zijn, naar de eindstreep. En toch nooit leukerig of frivool, maar steeds stijlvol. In diezelfde mentaliteit heeft hij aan de wieg van ons kerkelijk akkoord (het AKS) gestaan. Dat draagt juist in zijn souplesse duidelijk zijn sporen. Kortom, hij heeft ons door de royale inzet van zijn grote bestuurlijke kwaliteiten in menig opzicht aan zich verplicht. Wij hadden hem juist voor die begintijd zo nodig!
Politicus
Meulink was een doorgewinterd politicus.
Gemeenteraadslid in Enschede, lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal en lid van Gedeputeerde Staten van Overijssel (in historische volgorde), tja, dan bouw je heel wat ervaring op. Hij heeft als jong jurist ook nog een rol gespeeld, als officierfiscaal, in de bijzondere rechtspleging van na de oorlog tegen de Nederlandse oorlogsmisdadigers. De werkzaamheden daaromtrent hebben grote indruk op hem gemaakt. Het ging daarbij immers meer dan eens over leven of dood. Meulink was er de man niet naar zulke ingrijpende dingen enkel vakmatig af te doen. Warmmenselijk wist hij daarover te spreken.
De menselijkheid zat hem trouwens altijd hoog. Voor ons blad OPBOUW heeft hij lange jaren bijgehouden wat er politiek-geestelijk in ons land speelde, om dat van principieel commentaar te voorzien. Daar hebben we menig artikel van zijn hand aan te danken gehad. Maar nooit was hij in onze redactievergaderingen enkel politicus.
Zijn belangstelling was breed en het was dan ook een goede greep van de Evangelische Omroep hem als voorzitter aan te trekken. Dat hij voor die functie te vinden was, tekent hem.
Hij toonde daarin moed, want de EO was toen maatschappelijk nog weinig geaccepteerd. Meulink stónd ergens voor, dat kon je daaraan merken. Er zat trouwens ook wel iets avontuurlijks is, want hoe zou dat gaan, een CDAman bij de EO aan het roer? Het ging best.
Laat ik op Meulinks persarbeid voor ons blad nog even terugkomen. In de tweeëntwintigste jaargang (1978) schreef hij een artikel in drieën over de C van het CDA. Duidelijk kwam daarin naar voren hoe hij op politiek gebied zich op twee fronten verweerde.
(Daarom kom ik er ook even mee.) Aan de ene kant sprak hij in die artikelen zijn zorg uit over wat hij als een heilloze ontwikkeling binnen het CDA zag: de te ver gaande aanpassing aan de praktijk. Dat is herkenbaar genoeg. Maar van de andere kant wilde hij ook niet in het andere uiterste van de theocratie vervallen, waar de SGP zo’n handje van heeft. Naar die zijde maakte hij als volgt front: ’In de politiek gaat het vaak om de keus tussen slecht en heel erg slecht. En dan moet je kiezen voor slecht. Een dezer dagen had ik (...) daarover een discussie in de Provinciale Staten. In verband met de eisen van natuur en milieu was het gewenst het gebruik van snelle motorboten in N.W. Overijssel tegen te gaan. Een uitzondering was tijdelijk gemaakt voor een water skibaan, omdat anders het gevaar bestond, dat men overal op de meren clandestien ging waterskiën. PvdA en SGP maakten bezwaren. In beginsel was dit een onjuiste zaak. Dus moest er een absoluut verbod komen. Toen mijn verweer was dat daardoor wellicht het doel voorbijgestreefd zou worden, kreeg ik te horen: gezag is gezag. Men kon er geen begrip voor opbrengen, dat de arm van de overheid toch maar beperkt is en dat een eenmaal gegroeide situatie niet zomaar door een wettelijke bepaling ongedaan is te maken’. Aldus de christen-realist Meulink.
Onderwijzer
In wetten en regels, hoe noodzakelijk ook, zag hij maar een beperkt nut. Net als Paulus, die zei dat de wet krachteloos is door het vlees, en de apostel stelde daar de ’wet’ van de Geest des levens tegenover (Romeinen 8 : 3).
Daarmee zijn we bij het evangelie. In de kerk kan in principe meer dan in de politiek, wist Meulink. Dank zij de Geest van Christus. Daarom lag in kerkenwerk, in gemeentewerk vooral, zijn eigenlijke lust en zijn leven. Veel heeft hij voor de kerk gedaan. Veel heeft hij in het gemeenteblaadje van Enschede geschreven. Over van alles.
Hem lezend, ook in Opbouw wel, dacht ik soms: Het zou me niet verbazen, Jan, als je daarover nog meer in huis had. Ga eens wat verder! Maar hij hield het eenvoudig. Hij schreef niet met de eenzijdige diepte van een onderzoeker, maar met de evenwichtige breedte van een onderwijzer. Hij heeft er velen mee geholpen. Ook met zijn guitigheid en plaagzucht waarmee hij dingen (niet tot ieders plezier) wist te relativeren. Je zag het voor je, hoe hij dan grinnikend achter zijn typemachine zat. Hij kon aanstekelijk grinniken.
Bij zijn begrafenis hebben we, behalve natuurlijk voor de familie, ook voor de overheden gebeden. Dat had ik nog nooit op een begrafenis meegemaakt.
Maar wat was het gepast! Helemaal in zijn lijn! Zoals ook dat prachtige paaslied waar de naam van het Huis van Oranje zo sterk aan verbonden is: U zij de glorie, Opgestane Heer! Het was goed daar in Enschede met zeer velen
samen te zijn.