Kerkorde – levensorde

1999-04-30
  • Jaargang 43
  • nummer 9
’Petite histoire’ – zo noemt men verhalen en belevenissen van gewone mensen in het dagelijks leven. Als die mensen christenen zijn, wordt dat leven doorkruist door het evangelie, dat je ’grande histoire’ kunt noemen. Op het snijpunt van die twee ontstaat de kerk.
Grote denkers uit de christelijke traditie voelden zich thuis in de kerk en hebben uitgelegd waarom. De 20e-eeuwse theoloog dr. O. Noordmans (1871-
1956) greep terug op gedachten van Augustinus om uit te leggen waarom de kerk hem na aan het hart lag. Kunnen wij vandaag iets leren van hen?

Op kunstwerken staat hij soms afgebeeld als een man met in zijn linkerhand een bisschopsstaf en in de andere een brandend hart, dat hij omhoog houdt: Aurelius Augustinus (354-430). ’Gekend wordt iets in zover het wordt bemind.’ Zulke uitspraken deed die man. (Tip: hangt u deze ergens goed in het zicht op in uw huis). In de tijd van de oude kerk heeft hij over alle belangrijke vragen met betrekking tot het christelijk geloof zijn licht laten schijnen. Mensen uit alle hoeken van het Romeinse rijk vroegen de geleerde bisschop om praktisch advies.

De drie gouden woorden
Aan het einde van zijn leven wendde zich iemand met de naam Laurentius tot hem met een aantal vragen. Niemand weet tot de dag van vandaag precies wie Laurentius was: sommigen denken dat hij een diaken uit Rome was of een notabele uit die stad.
Zeker is dat hij een zogenoemde leek was, een niet-theoloog. Aan Augustinus vroeg hij: ’Schrijf de belangrijkste dingen van het christelijk geloof eens voor mij op in een handzaam boekje, dat ik altijd in mijn achterzak kan stoppen.’ Daar voelde de inmiddels zestig-plusser Augustinus wel voor en hij schreef rond het jaar 421 het ’Enchiridion ad Laurentium’, ’het handboekje voor Laurentius’. Deskundigen noemen het de zwanenzang van Augustinus. Na alle theoretische bespiegelingen en na alle pastorale kwesties die hij in zijn leven had doorstaan, legde Augustinus nog één keer uit wat christen-zijn is. Het boekje heeft als ondertitel: ’Over geloof, hoop en liefde’. Als iemand met een staat van dienst als Augustinus aangeeft dat in deze drie woorden het hart van het christendom klopt, dan is het raadzaam daar eens goed over na te denken.
Dominee Oepke Noordmans, in denken en spreken een struise Fries, heeft dat ook al gedaan en schreef in 1934: ’Als men het leven der kerk met enkele trefwoorden wil aanduiden, dan kan men niet beter doen dan geloof, hoop en liefde te noemen. Paulus spreekt erover in 1 Korinthe 12 en 13, als hij het heeft over de geestelijke gaven. Maar ook Augustinus gebruikt ze in zijn Handboekje en dan in een enigszins andere zin. Bij hem zijn het geen bijzondere geestesgaven, maar hij vat onder die hoofden het hele christelijke geloof, het kerkelijke leven, samen.’

Belijden is vertalen
De dingen die mensen echt de moeite van het vertellen waard vinden, blijken inderdaad te maken te hebben met geloof, hoop en liefde. De ervaring leert, dat als het leven op z’n echtheid beproefd wordt – en dat gebeurt heel regelmatig (of niet soms?) – de woorden ’geloof’, ’hoop’ en ’liefde’ in de buurt komen. Probeert u het maar uit: als er werkelijk belangrijke dingen opduiken in ons huis-tuin-en-keukenbestaan dan komen juist die grote woorden na verloop van tijd in het gesprek. Oók in een gesprek met nietchristenen.
Het kan zelfs gebeuren dat mensen lijden onder wat hun is overkomen, omdat ze de weg naar die drie woorden niet kunnen vinden. Ze snappen niet hoe de zaken ervoor staan in hun leven, ze hebben er ’geen woorden voor’. De woorden die ze dan zoeken, liggen dicht in de buurt van de grote woorden uit 1 Corinthiërs 12 en 13. Het lukt ons kennelijk niet altijd om onze lotgevallen - petite histoire - te begrijpen en te vertellen in termen van ’geloof, hoop en liefde’ - grande histoire.
Het wordt pas beter als je ’erover leert praten’. Het is de ervaring dat op het raakvlak van de ’kleine’ en de ’grote’ geschiedenis de drie gouden woorden van Paulus opduiken.
Echt christelijk is het naar mijn mening als mensen de vragen en vreugden van het leven vertalen in wat ze belijden.
Als de ’kleine’ geschiedenis en de ’grote’ - het reddend verschijnen van Gods goedheid - gaandeweg aan elkaar verknocht raken. Mensen die op deze manier proberen te leven, zijn samen de kerk. Omdat de ’kleine’ geschiedenissen van mensen nooit af zijn, is die gehechtheid van de ’kleine’ en de ’grote’ geschiedenis aan elkaar ook nooit definitief af. Sterker nog, hoe vaak hunkeren mensen niet naar dat definitieve moment, waarop alle tranen nou eindelijk eens zullen zijn afgewist.
Steeds weer moet de verbinding gelegd worden, steeds opnieuw moeten mensen in de kerk zich realiseren vastgehouden te zijn door de liefde van God. De kerk is zo een levend en groeiend lichaam, een drama waarin mensen gaandeweg hun plaats en functie vinden.

Gebed en kerkorde
U ziet wel: de kerk is van een heel andere orde dan de wereld. De wereld draait om consumptie, media, snelheid, prestige en schijn. Als je met ons mee wilt gaan, moet je ónze manieren verstaan, zeggen ze in de wereld. ’Zo zijn onze manieren’. In de gemeente kennen we een andere orde. Daar is het verhaal aan de orde van ’het zachte juk’ en ’de lichte last’. De ’manieren’ van de kerk kun je herkennen aan de ernstige en tegelijk speelse betrokkenheid op de Goede Herder. De kerk is pas in orde als zijn stok en zijn staf vertroostend een weg wijzen aan een gemeenschap. Van díe orde is de kerk, dat is de kerkorde.
De belangrijkste eigenschap van de kerk is daarom haar dienstbaarheid aan het reddend verschijnen van Gods genade. Die genade laat ons leven in de orde van ’geloof, hoop en liefde’.
Eerst en voor alle dingen moet de kerk - op straffe van ontrouw - zich in dienst stellen van die redding. Noordmans schrijft ergens: ’We moeten blijven in de weg van het kruis en met God de diepe wegen gaan, de donkere wegen ook, waar het zwaaien met beginselen ophoudt en waar we leren bidden, ook kerkrechtelijk: ’Heer, ai maak mij uwe wegen door uw Woord en Geest bekend. Leer mij hoe die zijn gelegen en waarheen G’uw treden wendt’. Waar dit gebed ophoudt, daar is geen kerkrecht, maar iets anders.’ Als beginselen het hoogste woord hebben, komen logica en ander denkgeweld en daarmee de zonde de dienst uitmaken in de kerk.
Bezinning op de ’beginselen’ van een kerkorde mag nooit het reddend dóórwerken van het Woord in de weg staan.

Geduldig en pastoraal
In een gereformeerde kerk en een gereformeerde kerkorde past daarom geduld, zegt Noordmans. Enerzijds zijn de kerk en haar orde een teken van Gods barmhartigheid met menselijke zwakheid. Want in de kerk mogen we elkaar telkens terugleiden naar het gesprek in de kring rond de Goede Herder. Als we elke dag zijn blootgesteld aan de ’maniertjes’ die het in de wereld zo goed doen, is de orde van de kerk niet vanzelfsprekend. Slechte gewoonten zijn meestal hardnekkig.
Maar anderzijds hoort een gereformeerde kerkorde naar zijn aard pastoraal te zijn, zoekend wat verloren raakt of geraakt is. Als die twee zijden gecombineerd worden, dan zijn geduld en toegeeflijkheid geen teken van zwakte, maar van kracht. Een geduldige kerkorde weet hoe het kan toegaan in het hart van de mensen met hun ’petite histoire’. Dat geeft nimmer een vrijbrief voor gemarchandeer met ’de waarheid’ - de ’grande histoire’ -, maar evenmin voor bestuurlijke opgeblazenheid en organisatorische kunststukjes.
’Breedheid naar buiten’, zegt Noordmans over de kerkorde, ’en gezag naar binnen. Liefde voor het verlorene en meedoen aan het streven naar eenheid enerzijds en omranding van vrijheid en geest in de eis van de apostoliciteit anderzijds’. Dat ruime en die frisheid proef je in het deemoedige woord vooraf van de kerkorde van de NGK, het Akkoord van kerkelijk samenleven. Gelukkig verneem je het ook bij broeders en zusters van andere gereformeerde kerken met een andere gereformeerde kerkorde. De Herder trekt zich nou eenmaal weinig aan van kerkmuurtjes.

Geroepen en herschapen
We zagen het al: de kerk is niet ’van deze wereld’. De kerk is een geloofsartikel.
Je ’gelooft’ de kerk, je ziet haar meestal niet. Maar omdat de kerk niet van deze wereld is, daarom heersen er ook andere regels dan in de wereld.
Waar in de wereld geweld van allerlei soorten en veelal onmenselijke toestanden heersen, mag de mens in de geloofsruimte van de kerk werkelijk en echt op adem komen, desnoods uitrusten, daar proberen mensen elkaars tranen te drogen. Christenen zijn in dat opzicht allemaal asielzoekers.
Alleen in de kerk kan openbaar worden wie je echt bent, hoe het zit met jouw ’geloof, hoop en liefde’. In de kerk worden mensen uitgetild boven de anonimiteit van de wereld en worden zij tot ’geroepen heiligen’ (Rom. 1: 7), aldus Noordmans.
De kerk is het terrein waar de ’petite histoire’ en de ’grande histoire’ met elkaar te maken krijgen, ’leven’ en ’leer’, existentiële levensvragen en de belijdenis van Christus. Aan het tot stand komen van die band zal alles gelegen zijn in de kerk. Mensen krijgen zo’n verband niet voor elkaar, de Geest van Christus heeft hier zijn werkterrein. Alleen Hij kan de kerkorde een ’levensorde’ doen zijn, een geestelijke levensorde. ’De Heilige Geest zelf is de herschepper’, schrijft Noordmans, ’De kerk is de getuige van de kritiek van het Evangelie op de gevallen schepping. In het fragment, dat de geschiedenis der kerk is, hebben wij een onderpand van de Geest voor de wederoprichting van alle dingen’. Een kerkorde mag ’pastoraal’ zijn, hij mag een middel zijn in de hand van de Geest om de schapen ’te kooi’ te brengen (Lied 13A). Hij zal hen leren de belijdenis in het hart te dragen.

Een gedeelte uit de dissertatie ’Het heilige en de Heilige Geest bij Noordmans’ (p. 166-184) door A. van der Kooi heeft me geholpen bij het nadenken over de inhoud van dit artikel.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief