Christocentrische scheppingstheologie in bijbelse zin?

1999-04-30
  • Jaargang 43
  • nummer 9
Prof. A. van de Beek wil een consequent-christologische theologie. Maar in de lijn van de theologische traditie ontkomt hij niet aan een onbijbelse visie op de plaats van Christus in de schepping. Zijn filosofische werkelijkheidsbeschouwing staat hem daarvoor in de weg.

Christus en de kosmos
Uiteraard besteedt Van de Beek in beide genoemde boeken aandacht aan deze relatie. Daarbij komt uiteraard ook het bekende gedeelte van Kol. 1:15-20 meermalen aan de orde.
Maar het ’christologisch perspectief’ waarin hij op grond van dit schriftgedeelte Gods scheppingswerk plaatst, is dan wel (waarschijnlijk niet geheel naar zijn bedoeling) vergelijkbaar met Barths visie, en beperkt tot het perspectief in soteriologische zin. Dat wil zeggen alles, ook de schepping, ziet hij als deel van het geheel van het verzoenings- en verlossingswerk van Christus. Helaas niet andersom: het heilswerk van Christus tegen de achtergrond van schepping en zondeval.
De schepping is zijns inziens ’Voorspel voor de eeuwigheid’.

Christocentrische scheppingstheologie
Mijns inziens kan een inderdaad wenselijke en nodige Christocentrische scheppingstheologie als theologie niet ontstaan zonder bijbels geloof als uitgangssituatie, en zonder een christelijk- filosofische visie op de werkelijkheid en haar geschiedenis, in plaats van de gangbare niet-christelijke filosofische varianten, die impliciet nog de hele theologie doorademen.
Voor dit laatste feit is echter de traditionele orthodoxe theologie veelal nog niet toegankelijk. Anderzijds, elders gaan de overal groeiende inzichten in het structureel filosofisch gehalte van elke theologie meestal niet gepaard met het inzicht in de mogelijkheid en noodzakelijkheid van een intrinsiekchristelijke filosofie. Vandaar de combinatie van christelijk geloof met alle mogelijke ’eigentijdse’ filosofische stromingen.
Zelfs zwaar orthodoxe theologen (onder wie ook ’evangelischen’) in binnen- en buitenland die graag ’bij de tijd’ willen zijn, doen nog liever aan die ’synthese’ mee, dan erkennen dat God ook de vernieuwing van ons eigenlijke filosofisch denken vraagt. Zo schreef K. Schilder in het jaar 1933 in een bespreking van Vollenhovens boek over ’De noodzaak ener christelijke logica’ dat zelfs de duivel, als hij zou willen, perfecte logica zou kunnen doceren. Vermoedelijk was toen ook zijns inziens de logica slechts een religieus-
neutraal technisch instrument, een natuurlijke basis voor bovennatuurlijk (genade-)leven.

Tijd en geschiedenis
Voorts is het voor de wetenschappelijke theologie ’up to date’ en zelfs urgent zich opnieuw te bezinnen op de relatie tussen tijd en geschiedenis, alsook tussen de geschiedenis en haar boven-historische geestelijke dimensie.
1 Laatstgenoemde verhouding is in onze orthodoxie regelmatig, en dit al eeuwen lang, aan de orde in de praktijk van het geloofsleven. Als recent voorbeeld noem ik de zoveelste discussie in het Nederlands Dagblad met Kamsteeg over het in Christus zijn, het in en met Hem gestorven, begraven, opgewekt en ten hemel gevaren zijn enerzijds (allemaal feiten, weergegeven in de ’voltooid verleden tijd’), en anderzijds de dagelijks nodige en geboden strijd tegen de zonde (’onvoltooid tegenwoordige tijd’).
Beide partijen komen daar theologisch nooit uit, tenzij.... Er zijn allerlei wankele noodoplossingen met behulp van evenwichtsconstructies tussen elkaar afwisselende eenzijdigheden, of ook met behulp van dialectische tegenstrijdigheden zoals ’zijn’ en tegelijk ’nog niet zijn’. Beide standpunten hebben geloofsmatig gelijk als ze zich op talrijke schriftplaatsen beroepen. Zelf leerde ik vroeger mij te behelpen met de uitdrukking ’word wat je bent’.
Onzinnig was dat, want wat je bent, hoef je en kun je niet meer worden.
Begrijpelijker voor de dagelijkse strijd zou geweest zijn het woord van Openb. 3:11 ’houd vast wat gij hebt’.
Nee, in wetenschappelijk-theologische zin hebben eeuwen van discussies hiervoor nooit een oplossing gevonden en mogelijk komen daar nog eeuwen bij.... tenzij (!) je onze normale tijdrekening van verleden, heden en toekomst in het geloof te ’boven’ kunt gaan, de geestelijke of boven-historische diepte-dimensie ervan in Christus ontdekt. De mijns inziens voorlopig enig juiste en volop bijbels interpretatie van wat door alle genoemde discussianten bedoeld wordt, is die van de erkenning van de ’boventijdelijkheid’ van Christus en van ons eigen (ook boventijdelijk en bovenplaatselijk) ’in-Christus’-zijn, alsook van de noodzakelijkheid in heel ons tijdelijk leven tegen de zonde te strijden. Dat laatste heet in de Schrift ook ’het zoeken van wat boven is, waar Christus is’, Kol.
3:1. Dit ’boven’ is geen geografische of astronomische ’plaats’, maar is ook bedoeld als boven-plaatselijk, transcendent.
Ons tijdelijk creatuurlijk leven is door het geloof in Christus geheel en al, van begin tot eind, (boventijdelijk en bovenplaatselijk) ’in Hem’ geconcentreerd, geworteld of gefundeerd en het wordt daarom ook door Christus zelf al, ondanks alle creatuurlijkheid, ’eeuwig’ genoemd: wie in de Zoon gelooft heeft (dus nu al) het eeuwige leven, al zal zijn tijdelijke bestaanswijze, zijn ’aardse tent’, aan de ’tijdelijke dood’ onderworpen blijven. Maar een mens is meer dan zijn tijdelijke bestaanswijze, veel meer dan ’zijn aardse tent’.
Alleen, de hele loop van zijn tijdelijk bestaan op aarde is bij wijze van spreken, creatuurlijk gecon-centreerd in dat éne boventijdelijke middelpunt, in die ’volheid’, hoe men dit dan ook wil aanduiden (ik, hart, geest, ziel, zelfbewustzijn, Ebeling: ’Punktuelle Verdichtung der Zeit’, Barth: ’unhistorische Geschichte’, Bultmann: ’eeuwigheid hier en nu’, Dooyeweerd: boventijdelijk concentratie-punt, Joh.Fischer: ’öbergeschichtlichkeit’, e.d.). Zijn werkelijke en volledige ’identiteit’ is niet te vinden ergens in zijn aardse tijdelijk bestaan, maar ligt daar ’boven’, waar Christus is en wel ’in’ Hem.
Men hoeft dat natuurlijk niet altijd met de genoemde filosofische termen te formuleren. Maar het is wel kort samen te vatten in de filosofische onderscheiding van (tijds)transcendentie en (tijds)immanentie. Dooyeweerd noemde kortheidshalve alle niet-christelijke filosofie ’immanentie filosofie’, omdat ze Christus niet erkende als de ’wortel’ of het ’fundament’ van alle geschapen werkelijkheid en daarom ook het bovenfunctionele menselijk ’hart’ niet kon ontdekken en filosofisch op de juiste wijze duiden. 3
Christus als eerste boventijdelijk schepsel, de ’wortel’ der schepping
In een fors boek over de christologie zou men verwachten dat, evenals in talrijke speciaal-studies, ruim aandacht zou zijn gegeven aan de alom als ’moeilijk’ erkende passage over de relatie tussen Christus en de schepping ’in de beginne’. Maar ook hier stelt Van de Beek teleur.
Zo is het tekenend, dat wanneer de Schrift spreekt over Christus als het eerste schepsel (Kol. 1:15, Openb.
3:14) of over Christus als de ’alpha’ (Openbaring 1:12-19, 22:13, (zie hierbij ook van de Beeks christologie pg.111), dit nog geen weerklank kan vinden in de theologie, ook niet bij Van de Beek. Zelfs de uitvoerigste geleerde verhandelingen over Kol. 1:15-20 en Openbaring 3:14 kunnen er soms totaal over zwijgen. Exegeten klagen dat zowel het ’eerste schepsel’ zijn van Christus (dus niet van Adam, Kol. 1: 15), alsook het ’IN Christus’ geschapen zijn van alle dingen (vs 16) ’moeilijk’ (H.N. Ridderbos) te verstaan is.
Twee theologen van internationale faam (onder wie Pannenberg!) heb ik er al op betrapt dat zij Kol.1:16 uit de Schrift letterlijk citeerden, compleet met aanhalingstekens, maar dan ’in Christus’ gewoon weglieten! Natuurlijk niet uit oneerlijkheid, ook niet op tekstkritische gronden, maar omdat het blijkbaar niet tot hun bewustzijn doordringen kòn, vanwege de blokkerende werkelijkheidsvisie die gefilterd is door de filosofisch tint in hun theologische brillenglazen. Een hoogleraar exegese die aan een bijbelvertaling heeft meegewerkt waarin deze woorden verkeerd vertaald zijn, verdedigde dit openhartig tegenover mij met de opmerking: je weet toch niet wat je moet denken bij dat ’in Christus’ geschapen? Inderdaad, met dat ’denken’ kom je hier niet uit: het is allereerst een geloofskwestie, een zekerheid omtrent ’zaken die men niet ziet’, en omtrent zaken die men niet kan begrijpen. Pas in en via dit geloof kan het theoretisch denken tot de erkenning komen van de boventijdelijkheid van Christus als de ’eenheid’ of ’wortel’ van de gehele geschapen werkelijkheid, niet alleen van David.
Geen ’theologie’, maar een geloofsbelijdenis: alles is volgens de Schrift in Christus geschapen, in Hem die ook de ’alpha’ genoemd wordt, of de alpha en de omega. Of de ’eerstgeborene’ der ganse schepping, of ’het begin der schepping Gods’: Openb. 3: 14 en Kol.1:15.

Kans op theologische correcties
Er is in onze tijd sinds enige decennia een kans, dat de gangbare, en daarvan voornamelijk de min of meer orthodoxe theologie, zich enigszins in een goede richting gaat bewegen, door een nieuwe, echt andere dan gebruikelijke, visie op wat ’mythen’ zijn. 4 Het is namelijk zo, dat in de oude, min of meer primitieve godsdiensten, die ook nog sterk naleefden in de tijd waarin de boeken van het Nieuwe Testament ontstonden, het heidense geloofsleven van het volk in hun mythen-geloof geen enkele moeite bleek te hebben met het (wat wij, moderne mensen, zouden noemen) dooreenhaspelen van verleden, heden en toekomst, noch met het geloof in een boven-tijdelijke en bovennatuurlijke wereld. Wel hadden de Griekse filosofen daar moeite mee.
Zij speelden dan ook met hun redeverafgoding in het heidendom een sterk ontmythologiserende, pagaanseculariserende rol. ’Verhorizontalisering’, historisering en ’vermoralisering’ van de visie op de werkelijkheid, zouden wij in onze tijd zeggen. Daarom heeft de orthodoxie terecht het gevaar ingezien van Bultmanns rationalistische en tegelijk existentialistische ’ontmythologiseringsprogramma’.
Maar Bultmann is niet meer in de mode. De mode is tegenwoordig veeleer een remythologiseringsprogram.
Daardoor is de kwestie van taal en geschiedenis haast overal zo actueel in de theologie, en in verband daarmee de hele werkelijkheidsbeschouwing.
In Van de Beeks primair toe te juichen programma van een meer radicaal christocentrische theologie, blijven we echter geconfronteerd met een in zijn theologie doorwerkende werkelijkheidsbeschouwing (filosofie) die de onze niet kan zijn. Zou dat de oorzaak zijn, dat op weer een andere wijze dan bij Barth, het christocentrische geen recht kan doen aan de schepping, en zelfs niet aan de zondeval? Want beide thema’s komen mijns inziens in deze nieuwe christologie ernstig te kort.
Ook Dr Hoek heeft dat aangevoeld, zij het in genoemd dagblad niet nader uitgewerkt.
Maar waarschijnlijk ben ik met hem van mening dat zowel schepping als zondeval bij Van de Beek ten dele verdwijnen in de universaliteit en goddelijkheid van Christus als Verzoener.
Schepping wordt slechts een ’voorspel’, de zonde is door ’God’ zelf veroorzaakt en overwonnen en er resteert alleen het ’eigenlijke’, de eeuwigheid in de voleinding. In hoeverre Van de Beek net als Barth (met diens ’christomonisme’!) in de buurt komt van de onbijbelse leer der algemene verzoening, is mij niet geheel duidelijk geworden, maar het moet er wel heel dicht bij zijn.

Noten
1. In het Duitse taalgebied heeft vooral de bekende dogmaticus G. Ebeling zich uitvoerig bezig gehouden met deze problematiek.
Hij onderscheidt, zij het niet al te scherp (vgl. zijn Dogmatik I,312 ev., II,350 ev. en vooral III, ý38 Zeit und Ewigkeit) goddelijke en menselijke eeuwigheid, en ziet laatstgenoemde, die wij ’boventijdelijkheid’ of voltijdelijkheid zouden noemen, als een dieptedimensie van de tijd en van onze tijdservaring.
Wat Dooyeweerd noemde het ’ boventijdelijk concentratiepunt’ noemt Ebeling haast letterlijk net zo: ’eeuwigheidservaring’ (die niet mijns inziens maar zijns inziens wetenschappelijk-fenomenologisch is aan te tonen) is een ’punktuelle Verdichtung menslicher Zeiterfahrung’ in een tijdloos ’Augenblik’. Overigens vgl. ook de scherpe kritiek op Ebeling van K.H.Manze in zijn grote werk (Göttingen 1992) ’Ewigkeit und Zeitlichkeit.
Aspekte für eine theologische Deutung der Zeit, p.26-29. Ook Joh.Fischer (vgl. noot 5 vorig art.) spreekt zakelijk veel over de boventijdelijke dimensie van de geschiedenis, maar noemt dat dan het ’bovenhistorische’ van de geschiedenis.
2. Uitvoeriger schreef ik daarover in mijn opstel Geschapen in Christus. De wijsgerige concentratie-idee in Bijbels licht, in: Radix 20,4 (oktober 1994) p. 260-283.
3. Het zou nieuwe misverstanden wekken en is daarom niet wenselijk, maar men zou zijn filosofie heel goed ’christocentrische wijsbegeerte’ kunnen noemen, in plaats van calvinistische of zelfs in plaats van reformatorische wijsbegeerte. Althans voorzover men doelt op de grondslag en richting van die wijsbegeerte. Beperkt men zich tot het wijsgerig systeem dan zou de term ’antropocentische wijsbegeerte’ beter zijn, omdat de verbinding van Christus als de ’wortel’ of ’fundament’ in Wie alles geschapen is, met de gehele tijdelijke werkelijkheid via de mens loopt die in zijn ’hart’ deel heeft aan Christus, ’IN Hem’ is.
4. Ook Fischer (zie noot 5 bij het vorige artikel) besteedt daar veel aandacht aan, mede onder verwijzing naar een standaardwerk over dit onderwerp, namelijk Kurt Hübner Die Wahrheit des Mythos (Müchen 1985). Onder andere aan laatstgenoemd boek ontleende ik ook veel materiaal voor mijn (nog niet gepubliceerde) opstel Nieuw zicht op de mythen. Een actueel onderwerp uit de godsdienstfilosofie (1996).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief