Verantwoordelijk schriftberoep

1999-05-28
  • Jaargang 43
  • nummer 11
Als ik zelf zou mogen aangeven wat het eigene van mijn bijdrage aan de bezinning op het schriftberoep in de ethiek is, dan denk ik, dat in mijn opzetvergeleken met die van andere gereformeerde auteurs- de eigen menselijke verantwoordelijkheid een belangrijker plaats heeft gekregen. Dat is een verantwoordelijkheid die wij dragen coram Deo, voor het aangezicht van de HERE, de Vader van Jezus Christus. Een verantwoordelijkheid die verantwoordend gedragen wordt, een verantwoordelijkheid in afhankelijkheid, maar desondanks onmiskenbaar een eigen verantwoordelijkheid. Bijbelse voorschriften mogen daarom niet ’op de automatische piloot’ toegepast worden, zonder de gevolgen in rekening te brengen en met uitschakeling van de menselijke kennis en ervaring, het menselijke inzicht.

Ik kan me goed voorstellen, dat sommigen met dit aspect van mijn opvattingen moeite hebben, temeer daar de gevolgen behoorlijk ingrijpend zijn. Het sterkst valt dit op bij mijn behandeling van de man-vrouwverhouding en de homofilie. Daar zeg ik inderdaad: Dát staat in de Bijbel, zó moeten we dat mijns inziens uitleggen, maar – dat betekent niet dat wij het ook zó in praktijk moeten brengen. Graag wil ik er dit artikel rekenschap van afleggen hoe ik ertoe gekomen ben om de menselijke verantwoordelijkheid, ontvangen van de heilige God en gedragen voor zijn aangezicht, zo’n belangrijke rol te laten vervullen. Ik kan niet anders dan dat op persoonlijke wijze doen, door iets te vertellen van de ontwikkeling die ik de afgelopen decennia heb doorgemaakt.

Voorgeschiedenis
In feite heeft het boekje dat ik geschreven heb1 een tamelijk lange voorgeschiedenis. Die is begonnen deze zomer drieëntwintig jaar geleden, toen ik iets heb doorgemaakt wat een bekering genoemd mag worden. Na een levensfase waarin de HERE God een bijrol in mijn leven speelde, met alle duistere consequenties van dien, heb ik een knieval mogen maken aan de voet van het kruis. Daar heb ik Jezus Christus leren kennen als de Verlosser van ook mijn zonden, de Middelaar tussen God en mens.
Sindsdien staat het kruis van Jezus Christus in het centrum van mijn geloof, in het centrum van mijn leven.
Geprezen zij de HERE, dankzij wie ik uit genade mag leven! Dit breekpunt vond echter plaats in een kamp van de Bijbel Club Beweging, een uit de VS overgewaaide evangelisatiebeweging onder jongeren, geleid door ’de Annies’2. Deze beweging -waarmee ik een zestal jaren verbonden ben geweest- had een sterk methodistische, biblicistische, piëtistische, puriteinse en fundamentalistisch inslag.
Dit zijn voor mij absoluut geen vieze woorden, daarvoor ben ik de leidinggevenden veel te dankbaar, maar zakelijke typeringen. Het gevolg echter is wel, dat mijn bijbelbeschouwing - inclusief mijn visie op het schriftberoep-
lange tijd sterk gestempeld werd door deze achtergrond. Schriftuurlijk was m.i. een opvatting, die in de meest rechtstreekse zin uit de Bijbel kwam weglopen. In feite dacht ik: Wat na nauwkeurige exegese is vastgesteld, heeft de kracht van het ’Zo spreekt de HERE’. Terzijde: deze opvatting heb ik in wezen nog. Niet in de bovengenoemde biblicistische zin van het woord, maar wel in deze zin, dat een Gode welbehaaglijke theologie alleen maar een theologie kan zijn die de Schrift op elk niveau probeert na te spreken, die zich door de Schrift laat regeren.

Une femme fatale
Gaandeweg echter heeft mijn visie op het schriftberoep zich toch gewijzigd.
De directe aanleiding daarvoor waren de voorschriften die m.n. de apostel Paulus gegeven heeft voor de verhouding tussen man en vrouw. Voorschriften, die ons overigens de hele eeuw al bezighouden – Het Nieuwe Testament leert dat vrouwen hun man onderdanig hebben te zijn. Je zou, gelet op zowel de frequentie als op de centrale plaats van dit voorschrift, kunnen spreken van het abc van de man-vrouwverhouding.
Wat ermee bedoeld wordt leeken lijkt- me helder. Het werkwoord hupotassomai (onderdanig zijn) wordt ook gebruikt voor de houding van de onderdaan jegens de overheid, kinderen jegens ouders en knechten jegens heren. Het veronderstelt een verhouding waarin de één de verantwoordelijkheid draagt voor, zeggenschap en gezag heeft over de ander. Ongetwijfeld is de manvrouw-verhouding vergeleken met de drie andere een verhouding sui generis, maar ook dan blijft er iemand aan wie gezag en zeggenschap zijn toevertrouwd en iemand die zich daarin heeft te schikken.
Alleen, door deze exegese ontstond een probleem. Ik kon ’m in het geheel niet inpassen in de relatie die ik met de door God aan mij geschonken wederhelft had. In die relatie was -en is- geen sprake van gezag, noch van onderdanigheid. Bij mijn weten is er geen sprake van een rangorde, maar van een grote wederkerigheid, een heen en weer van zowel ’gezag’ als van een je daarin voegen. De harmonie die we hierin gevonden hebben verheugde ons en zien we als een gave van God.
Dit gegeven stelde mij voor een zeer ingrijpende -hoor hierin alstublieft geen ironie doorklinken!- vraag. Deze voorschriften functioneren in het geheel niet in ons huwelijk, van ons hoeft dat ook niet, wat moet ik daarmee?
Mag dat wel? Volgens mijn visie op het schriftberoep zou ik me eigenlijk moeten bekeren. Het vreemde echter was, dat het geweten niet ging knagen in de ontmoeting met de gekruisigde Christus -in de gebeden.
Terwijl in die ontmoeting altijd zo onmiskenbaar duidelijk wordt wat goed is en wat kwaad, wat zondig is en wat niet. Maar uitgerekend dit stukje persoonlijke beleving kon en kan ik in de ontmoeting met Hem alleen maar als een grote zegen ervaren.
De vraag rees: Mag ik deze menselijke ervaring aan de voet van het kruis -want daar alleen wil ik leven- een plaats geven?
Het zal duidelijk zijn: inmiddels meen ik al enige jaren, dat deze vraag met ’ja’ beantwoord mag worden. Maar voordat ik de overtuiging had dat dezevraag -onder bepaalde voorwaardenbeaamd mocht worden, zijn er een aantal jaren van bezinning overheen gegaan. Daarover het volgende.

Deel van een groter geheel
Allereerst ben ik steeds duidelijker gaan zien, dat deze persoonlijke, zeer toegespitste vraag deel uitmaakt van een groter geheel van vergelijkbare vragen. Omdat je erop let, gaan een aantal dingen je opvallen.
Het is geen persoonlijke vraagstelling, het is een vraagstelling die zich in wezen aan iedereen opdringt, ook al is zij niet tot iedereen doorgedrongen.
Eigenlijk alle gelovige getrouwde mannen en vrouwen die ik binnen en buiten onze kerken ken, doen praktisch niets met Paulus’ voorschriften op dit gebied. Maar ook zie je, dat met Paulus’ meer kerkelijke regels voor de man-vrouwverhouding heel weinig gedaan wordt. Meer dan eens inmiddels heb ik gewezen op de ’officiële’ vrijgemaakte exegese van 1 Cor. 14:34.3 ’Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten vrouwen in de gemeenten zwijgen.’ Omdat de vrijgemaakte broeders en zusters nog nooit de moeite genomen hebben erop te reageren, herhaal ik het nog maar eens. Hun exegese luidt: Dit vers bevat geen absoluut zwijgverbod, maar beperkt zich tot een bepaald spreken, namelijk het toetsen van profetieën.
Vrouwen mogen de profetieën niet toetsen, want wie de profetieën toetst staat boven de (mannelijke) profeet en dat is in strijd zijn met de vrouwelijke onderworpenheid. Deze exegese maakte het stemrecht van zusters mogelijk, verder werd er echter niets mee gedaan. Terwijl de implicaties toch heel ingrijpend zijn. Nemen de vrijgemaakten hun eigen exegese serieus, zoals je van hen verwachten zou, dan zouden zij vrouwen voortaan niet meer in beroepingscommissies mogen plaatsen. Die immers beoordelen preken, ja, zelfs het hele functioneren van de predikant? Ook zouden zij er op gemeentevergaderingen -waar het kerkenraadsbeleid getoetst wordthet zwijgen toe moeten doen. Noch het één, noch het ander echter is het geval. Aan onze kerkelijke praktijk liggen een aantal vanzelfsprekendheden ten grondslag die zelfs door de officiële exegese niet teniet worden gedaan! Kortom, we staan met z’n allen voor deze vraag.
Ten tweede kwam voor mij vast te staan, dat de moeite met de toepassing van Paulus’ voorschriften betreffende de manvrouw-verhouding niet op zichzelf staat, maar deel uitmaakt van een veel bredere problematiek.
Er zijn vele gebruiken en voorschriften in het NT die wij niet rechtsreeks in praktijk brengen.4 Weer later zie je dat ook de vaderen ruimhartig hun eigen inzicht en ervaring inbrachten bij de wijze waarop zij de Schriften toepasten. Ter illustratie hiervan kan gewezen worden op de wijze waarop Calvijn -en in zijn spoor vele anderen- omging met Jak.5:14, waarin Jakobus schrijft: ’Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij een gebed over hem uitspreken en hem met olie zalven in de naam van de HERE.’ Calvijn stelt in zowel zijn commentaar op Jakobus5 als in zijn Institutie6 kort maar krachtig, dat dit voorschrift op ons niet meer van toepassing is, omdat het slechts hoort bij een tijd waarin de gave van genezing nog volop functioneerde als teken om de betrouwbaarheid van het evangelie te onderstrepen. De gave der gezondmaking is dus verdwenen. Onmiskenbaar hanteert Calvijn hier een ervaringsargument.
Dat ervaringsargument beslist over de vraag wat wij in de praktijk nog met dit voorschrift kunnen.
Overigens, ook op andere momenten geeft hij bij vragen rond het schriftgebruik de ruimte aan wat in zijn heldere geest aan wijsheid opborrelde.
De conclusie was en is m.i. onontkoombaar: onze menselijke beleving, onze kennis en inzicht spelen op tal van punten feitelijk een belangrijke rol bij de wijze waarop we de Schrift als richtsnoer in het heden hanteren. Dit kan niet ontkend worden, hoe overtuigd het Sola Scriptura ook beleden wordt. En des te sterker dringt zich de vraag op: Mag dat? Is er voor deze menselijke inbreng een bijbelse basis te vinden? En zo ja, wat is dan nog bijbels?

Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd
Allereerst kwam ik toen uit bij Rom. 14:1-15:6. Nog meen ik dat dit hoofdstuk een belangrijke sleutel is voor de goede omgang met talloze ethische vraagstukken in de kerk. Merkt u overigens, dat ik het binnen de Bijbel ben blijven zoeken? Ik wil en kan niet anders – Sola Scriptura! In de gemeente van Rome spelen enkele kwesties die buitengewoon gevoelig lagen. Kwesties die in díe tijd qua kaliber vergelijkbaar waren onze kwestie van de vrouw in het ambt. ’De één gelooft, dat hij alles eten mag, de ander eet alleen plantaardig voedsel.’ Hoewel deze kwestie van het al dan niet vegetarisch eten in het vervolg op de voorgrond treedt, lezen we in vers 5 ook nog: ’De één stelt de ene dag boven de ander, gene stelt ze allen gelijk.’ De wijze waarop Paulus vervolgens probeert de eenheid van de gemeente te bewaren, is zeer opmerkelijk.
Opmerkelijk ten eerste om wat hij niet doet: de kwesties met apostolisch gezag regelen door middel van allerlei bepalingen. Hoewel hijzelf een duidelijke mening heeft (’Ik weet en ben overtuigd in de HERE, dat niets uit zichzelf onrein is –’, vers 14a), dringt hij die niet op. Hij behandelt de kwestie niet op het niveau van ’Wat mag nog net wel en wat mag niet meer?’ Opmerkelijk ten tweede is de ruimte die Paulus geeft aan de persoonlijke beleving van de mens die leeft voor Gods aangezicht. Enkele zinsneden die mij buitengewoon troffen waren: ’Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd’ (vers 5). ’Zo zal een ieder onzer voor zichzelf rekenschap geven aan God’ (vers 12).
’Ik weet en ben overtuigd dat niets uit zichzelf onrein is, alleen voor hem de iets onrein acht, is het onrein’ (vers 14b). Hier zie je een verbinding tussen iemands persoonlijke ontwikkeling en beleving en dat wat goed is of niet.
Zonde is híer niet allereerst datgene wat objectief zonde is, maar dat wat subjectief als zodanig beleefd wordt.
Levensverhaal en persoonlijke beleving krijgen de volle ruimte in dit hoofdstuk. Opmerkelijk tenslotte is de wijze waarop Paulus de gemeente bij Christus bewaart. ’Het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken, maar in gerechtigheid, vrede en blijdschap door de heilige Geest.’ Gerechtigheid overigens kan hier niet betekenen ’wetsgetrouwheid’. Die uitleg zou aan de aard van Paulus argumentatie voorbijgaan. Gerechtigheid betekent hier ook niet ’geschonken gerechtigheid’.
Gerechtigheid is hier een woord dat de medemens tot norm verheft: Doe jij je medemens recht? Bloeit die op in geloof als je dit of dat doet?
Zo neemt Paulus de menselijke beleving, het geweten (dat woord gebruikt hij in 1 Kor. 8:7vv en 10:23vv in zijn behandeling van vergelijkbare kwesties) volstrekt ernstig, zonder dat dit tot libertinisme leidt, maar juist tot een levensinstelling waarbij het heil van de medemens uitgangspunt voor de inrichting van het leven wordt!

De wijsheid
Met name de afgelopen jaren is de spreukenwijsheid in m’n blikveld gekomen.
Want ook al blijkt uit Rom. 14:1- 15:6 en andere plaatsen dat Paulus het geweten, de menselijke denk- en belevingswereld volstrekt serieus neemt, een helder zicht op de bijbelse plaats van de menselijke ervaring is daarmee nog niet geboden. Totdat je op een goed moment ziet, dat in de wijsheid -zowel die van het Spreukenboek als de Prediker- heel veel puzzelstukjes op hun plek vallen. Binnen het kader van de Godsopenbaring krijgt de mens die in vreze des HEREN leeft, omdat Hij naar Gods beeld geschapen is, alle ruimte om het leven volop te verwerken. God zelf het uitgangspunt. Zijn volkomenheden.
Zijn gerechtigheid, liefde en trouw.
Deze Godsopenbaring vertaalt zich in de wijsheid echter niet in talloze voorschriften, maar in spreuken. Korte, normatieve uitspraken gebaseerd op talloze ervaringen die de intens waarnemende mens heeft opgedaan. De optiek is steeds: wat is heilzaam, wat niet? Wat is de mens tot zegen, wat is de mens tot vloek? De Godsopenbaring vormt het kader waarbinnen de mens heeft te blijven, tegelijk schept zij de ruimte waarin de mens zich mag bewegen.7 Nu, al met al hebben we hier enkele bouwstenen bij elkaar, die m’n boekje gemaakt hebben tot wat het geworden is. De mens is een schepsel dat van de HERE God een bijzondere verantwoordelijk heeft gekregen. Die verantwoordelijkheid impliceert het afleggen van verantwoording -aan God. Het dragen van verantwoordelijkheid echter kan niet zonder de volledige inschakeling van hart, zintuigen en verstand. Die verantwoordelijkheid impliceert ook een zekere zelfstandigheid, een bepaalde keuzevrijheid, die de mens van Godswege gekregen heeft.8 Zegt Psalm 115 niet: De hemel is de hemel van de HERE, de aarde heeft Hij aan de menskinderen gegeven?
Welnu, al deze belangrijke bijbelse gegevens leren ons, dat wij niet te kopschuw hoeven te zijn om menselijke inzichten, menselijke kennis en beleving, mist die overeind blijven, het houden, in de ontmoeting met de heilige God, in het persoonlijke -en gezamenlijke!- contact met de gekruisigde Christus, luisterende naar de hele Schrift, een rol te laten spelen in de keuzes die wij maken in het heden.
Zien wij dat mannen en vrouwen tot bloei blijven komen, ook in een meer geëmancipeerd rolpatroon? En worden wij keer op keer daarin bevestigd?
De HERE zij dank. Zien wij dat voor een homofiel, die geen genezing gevonden heeft, die vastloopt in de onthouding, het leven weer of meer leefbaar wordt in een op liefde en trouw gebaseerde relatie? Is het voor ons echt niet mogelijk met hen de HERE daarvoor dankbaar te zijn, ook al blijft het fenomeen homofilie voor ons desondanks een pijnlijk raadsel?
Ik sluit niet uit, dat bovenstaande gedachten ons gereformeerden, en verder allen die bijbelgetrouw willen zijn, een uitweg kan bieden uit de onwaarachtige situatie waarin we ons momenteel bevinden. Daarmee bedoel ik: in theorie staan we een vorm van schriftberoep voor die de menselijke inbreng minimaliseert, maar in de praktijk bewegen we ons -door de inbreng van dikwijls niet nader verantwoorde ervaringsargumenten- steeds verder van de bijbelse voorschriften af.
Geen ongevaarlijke situatie. Degenen die krampachtig aan ’de theorie’ vasthouden, lopen het gevaar de exegese van schriftplaatsen die tegen hun gevoelens ingaan in hun richting te forceren. Anderen dreigen in twee werelden te gaan leven: enerzijds in de wereld van de Bijbel en de kerk, anderzijds in een wereld waarin intuïtie, inzicht, kennis en beleving het doen en laten regeren. De Bijbel brengt beiden met elkaar in één verband onder. Het wordt hoog tijd dat wij dat ook gaan doen.
Hoog tijd ook om een punt achter deze reeks te zetten. Niet dat ik alle vragen van mijn critici beantwoord heb. Met name twee vragen van ds. G. van Keulen zijn blijven liggen. Allereerst: zit er niet iets willekeurigs in de wijze waarop ik dan het ene, dan het andere grondwoord hun bijzondere toepassing verleen? En: hoe zit het met de scheppingsordeningen. De eerste vraag vond ik van alle kritische vragen de meest leerzame. Daarover ben ik nog niet uitgedacht.
De tweede vraag heb ik behandeld in het reeds genoemde artikel in Vrouwen op een zij-spoor.
Mogelijk kan ds. Van Keulen dat eens lezen?

Noten:
Dat geldt ook van het artikel dat ik in Vrouwen op een zij-spoor? publiceerde: ’Gij hebt ze allen met wijsheid gemaakt’ De betekenis van de spreukenwijsheid voor de bezinning op de man-vrouwverhouding, Amsterdam 1998, pg. 134-173 Over hun werk is een boekje verschenen: God heeft geen kaas beloofd. Hoornaar 1975, geschreven door Anne Punt ’Vrouwenstemrecht in de kerk’, Ommen 1993, pg.68vv Enkele voorbeelden heb ik in mijn vorige artikelen en in Je weg vinden genoemd.
Johannes Calvijn, Uitlegging op de zendbrieven (vert. A.M. Donner), Goudriaan 19732, pg.269vv IV 19, 18-21 Kort geef ik hier wat breder wordt uitgewerkt in zowel een eerder Opbouw-artikel, 41e jrg. 1997, nr.11, pg. 196-198 en nog weer breder in het reeds vermelde artikel in Vrouwen op een zij-spoor?
Graag verwijs ik in dit verband ook naar enkele belangrijke artikelen van dr. H.G. Geertsema. Homo respondens. Het historische karakter van de menselijke kennis, in Het menselijk karakter van ons kennen, Amsterdam 1992, pg. 102-156 en Achtergronden van en uitweg uit de impasse van de gereformeerde theologie, in Filosofie en theologie, een gesprek tussen christen-filosofen en theologen, Amsterdam 1997, pg. 82-105. In zijn beschouwingen tekent ook hij de mens als een antwoordend en in verantwoordelijkheid geschapen wezen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief