Opwekkingsliederen

1999-06-11
  • Jaargang 43
  • nummer 12
In het vorige nummer van Opbouw citeerde ds. Mooiweer een artikel van de chr. geref. ds.J.Groenleer over Opwekkingsliederen.
De strekking van dat artikel was: als het moet, vooruit dan, maar laat het niet te gek worden. Ds. Mooiweer voegt daar als wens aan toe, dat de Psalmen als liederen van het Verbond de boventoon blijven voeren in de erediensten en suggereert, dat we daar eens over van gedachten zullen wisselen. Ik doe daar graag aan mee, overigens als aanzet tot een breder onderwerp, waarover ik volgende keer hoop te schrijven.

Om te beginnen is het onmiskenbaar, dat in heel veel van onze gemeenten gestoeid wordt met de vraag, welke rol Opwekkingsliederen in de dienst kunnen hebben. In aparte bundeltjes, op sheets, in lofprijzingsdiensten of gewoon tussendoor komen we een bonte variatie van liederen tegen, al of niet begeleid door gitaren, fluiten en bandjes.
Dit sluit helemaal aan bij de realiteit, dat deze liederen voor heel veel jongeren en vrij veel volwassenen erg belangrijk geworden zijn. Een belangrijke rol speelt daarbij de enorme populariteit van de jeugd-activiteiten van de EO. Het meest onvoorstelbare voorbeeld daarvan is dezer dagen de Jongerendag die in de Amsterdamse Arena gehouden wordt. Maanden tevoren waren daarvoor al meer dan 50.000 kaarten uitgegeven, het maximum dat deze sport-tempel bevatten kan. En ook het grote aantal weekends van Wervelwind of Ronduit of hoe ze heten - meestal zijn ze al uitverkocht zodra de datum uitlekt. Een heel bijzondere ontwikkeling, die geen mens een twintig jaar geleden voorzien zou hebben.
Met een glimlach denk ik aan de tijd dat we Jeugddagen organiseerden voor onze eigen kerken en dat het ons dan wel leuk leek om eens een bandje uit te nodigen. Kom daar nu eens om, nu er een keur aan internationale groepen plus surprise acts nodig is...
Ik kom nogal wat ouderen of niets eens zo heel veel ouderen tegen, die over heel deze ontwikkeling meesmuilend of kritisch het hoofd schudden.
Waar gaan al die jongeren voor naar de Arena; voor het evangelie of voor de sfeer? - zo mopperde een collega tegen me. Maar ik zie niks in dat gemopper. Waar dacht je dat de mensen voor bij jou naar de kerk komen?zo was mijn wedervraag. Dat is natuurlijk ook een mengsel van de sfeer en de ontmoeting en de gewoonte èn een echt verlangen naar God. Trouwens, wat trok in de Gouden Tijd van Vroeger al die duizenden jongeren naar de Bondsdag? Gingen die echt voor het referaat van professor zus-of-zo, of zat daar ook gewoon het gezonde verlangen bij om vrienden of vriendinnen tegen te komen, liefst van de andere sekse? Daar is toch niks mis mee?

Zuilen en zuiltjes
Een belangrijk verschil met vroeger is natuurlijk, dat we deze ontmoetingen niet meer zelf organiseren, maar dat er de grote evangelische beweging voor in de plaats gekomen is. Onze Jeugddagen bestaan niet meer, bij degelijker kerken dan de onze leiden ze een kwijnend bestaan en tot mijn verbijstering las ik pas, dat zelfs de Vrijgemaakte Schooldag met een teruglopend aantal bezoekers te kampen heeft. Eerlijk gezegd kan ik er niet om rouwen en tegelijk denk ik, dat je de gevolgen niet moet onderschatten.
Wat dat ’niet rouwen’ betreft: we hebben als gereformeerde kerken van allerlei snit zo ontzettend ieder onze eigenheid opgepoetst, dat we in een onvruchtbare patstelling terecht gekomen zijn. Mogen we van Christus, die de kerk regeert door zijn Woord en Geest, nu echt verlangen dat Hij al die zuilen en zuiltjes die elk menen de echte te zijn, apart zegent en laat bloeien? Persoonlijk zie ik er een zegen in, een zegen en tegelijk een gericht van God over onze specialités de la maison, dat Hij bezig is al die kerkelijke muurtjes te doorbreken en ons ongedachte nieuwe dingen te schenken. En dan denk ik waarachtig niet alleen of allereerst aan zo’n Jongerendag.
Maar dan denk ik aan verdieping van geloof die ik om me heen zie nadat ik het eerst zelf meegemaakt heb. Aan deuren die toch nog open gaan, her en der, voor het evangelie.
Aan herkenning van christenen over de kerkmuren heen. Zulke momenten zijn er in het leven van de kerk gelukkig steeds geweest: momenten van verdieping, toewijding, nieuw elan. Het verschil is alleen, dat we ze niet meer voor elk kerkje apart krijgen. De ontwikkelingen (goede èn slechte) trekken zich van kerkgrenzen weinig meer aan. En dat is wennen, net zoals het voor de Israëlieten wennen was dat ze vanaf de ballingschap hun bevrijding steeds moesten delen met de andere volkeren. Een raar idee is dat voor velen: dat nieuw elan voor evangelisatie (Alpha-cursus) niet uit eigen kring komt. Dat bijbelkringen niet meer alléén draaien op boekjes van Van den Brink en Van den Berg, maar dat er steeds meer engelse namen komen. Dat je kinderen, àls ze met christelijke vrienden thuis komen, het zo vaak buiten onze kerk zochten.
Over al die dingen hoor ik nog wel eens moppers. Maar ik zou zeggen: tel je zegeningen en dank de Here toch voor het ongedachte, dat Hij zelfs in ons land nog nieuw elan geeft.

Minzame teksten
Heb ik het nu nog over Opwekkingsliederen?
Ja, toch wel. Mijn punt is, dat we die liederen niet los op de pijnbank moeten leggen, maar dat we ze moeten zien als een onderdeel van het aparte verschijnsel van onze tijd, dat gereformeerden en evangelischen, elk van allerlei snit, elkaar steeds meer ontmoeten en elkaar ook corrigeren.
Laat ik het nu maar over ons deel hebben: dat wij de afgelopen jaren gewoon veel gehad hebben aan de evangelische invloed waarvan Opwekkings-liederen een uiting zijn.
Waar je in onze kerken op dit moment bloei en elan en nieuwe toewijding ziet, daar waait de wind meestal uit deze hoek. Kent iemand ergens jeugdleiders of drijvende krachten achter evangelisatie of mensen met visie voor diaconaat, die helemaal niet zijn aangeraakt door de evangelische beweging?
Daarom krijg ik er de kriebels van, als ik minzame teksten lees zoals hier van ds. Groenleer geciteerd: ”Er zijn nu eenmaal mensen in de gemeente die zich op deze wijze uiten en die zich in die uitingsvorm thuis voelen. En zou daarvoor geen ruimte mogen zijn?”. Ik kwam zo’n tekst ook tegen in een van onze eigen gemeenten, in het voorwoord van een gemeentebundel. Er stond iets als: hoewel deze liederen niet uitblinken door zeggingskracht of muzikale kwaliteit, hebben wij in onze gemeente zó’n tolerantie, dat ook deze liederen gezongen mogen worden.
Wat ik hierin node mis, is de erkenning dat wij als kerken gewoon heel veel te danken hebben aan de beweging waar deze liederen een uiting van zijn. En dat we de Here God intens danken voor de nieuwe impulsen voor geloof en omgang met Hem die we in die weg ontvangen hebben. Ik ben Hem zelf in elk geval dagelijks dankbaar, dat ik Hem meer persoonlijk heb leren kennen, dat ik meer heb mogen zien van gebedsverhoring dan vroeger en, ja, ook dat ik mijn zonden scherper ben gaan zien. En zonder evangelische invloed kan ik me die ontwikkeling niet voorstellen.
Voor wie dit te subjectief vindt: het zou niet gek zijn om eens een student te laten onderzoeken, hoe het in onze kerken zit met het verschil tussen gemeenten die in de versukkeling zitten en gemeenten die groeien en bloeien. Mijn werk-hypothese zou zijn, dat je groei en bloei alleen daar ziet, waar op enige manier openheid is voor het evangelische en z’n nadruk op persoonlijk geloof. Een openheid die, inderdaad, ook blijkt uit de liederenkeuze - al is dat bepaald niet het hele verhaal.
Wat de kwaliteit van de liederen betreft: ach, er zit inderdaad rijp en groen tussen. Het versje dat in ’t vorige nummer geciteerd werd, heb ik nooit horen zingen. Maar als we met de Oude Berijming zongen: ”Gij hebt geen pest te schromen. Hij zal, in lijfsen zielsgevaar, U met Zijn vleug’len dekken; Zijn waarheid u ten beukelaar, En ten rondas verstrekken” (Psalm 91), dan ben ik blij dat we óók kunnen zingen: ”Ik bouw op U, mijn Schild en mijn Verlosser” (Opw. 124). En als ik in de stilte van mijn kamer ga bidden, dan zingt er vaak door mijn hoofd: ”Heer, ik kom tot U, hoor naar mijn gebed. Vergeef mijn zonden nu, en reinig mijn hart” (Opw. 125). Laat daar in de kerk toch geen minzame, maar dankbare ruimte voor zijn!

De geest van de Psalmen
Het merkwaardige is: het lijkt nu alsof ik niks anders wil dan Opwekkingsliederen promoten. In werkelijkheid vind ik juist de Psalmen zo belangrijk. Het is helemaal waar: het zijn de Psalmen, die de hele breedte laten zien van loflied en klaagzang, van geloof en aanvechting, van dankbaarheid en verwijt.
Zo bont als in de Psalmen, zo is het in die gele bundeltjes niet en we hebben het toch nodig. Je vindt in de Psalmen het persoonlijke geloof met zijn vertwijfeling en z’n dankbaarheid. En dat persoonlijke wordt verbonden met de gemeenschap van de kerk van alle plaatsen en tijden.
Het gekke is nu, dat ik vaak merk dat dezelfde mensen die zo voor Psalmen zijn, tegelijk heel bedenkelijk kijken als gemeenteleden in de kerk of in kleinere kring over hun persoonlijke ervaring met God spreken.
Wat de blijdschap betreft, de Psalmen zeggen soms zo simpel: ”ik riep tot God en Hij verhoorde mij”, of: ”nauw richtte ik tot Hem mijn smeken of in mijn hart was reeds een lied”. Wij zeggen dat niet zo gauw, want zo makkelijk gaat het allemaal niet, en anders lijkt het wel of je bij Feike zit! En aan de andere kant: de god-verlatenheid zoals in Psalm 22, ja, dat probeer je toch ook wat af te zwakken.
Ik zou zeggen: laten we inderdaad blij zijn met de Psalmen. Maar laten we dan in de gemeente ook leven en handelen in de geest van de Psalmen.
Dat is onder meer: dat je veel opener spreekt over wat je met God meegemaakt hebt in goede en kwade dagen.
Dat je ervan spreekt, wat God gedaan heeft aan mijn ziel. Dat je daar samen met de gemeente God dank voor brengt. En je zult merken: waar je in dat vertrouwen leeft en handelt, daar gaan de Psalmen leven en daar kunnen de betere Opwekkings-liederen een prima ondersteuning zijn.

Wonderlijke combinatie
U merkt: ik pleit er in dit artikel voor, dat we wat meer ronduit zullen erkennen wat we te danken hebben aan evangelische invloed. Pas wanneer je dat doet, dan zul je ook eerlijk kunnen zeggen dat die invloed heus het eind van alle tegenspraak niet is. Dat je niet moet bouwen op je ervaringen, maar op Gods beloften. Dat er meer is dan halleluja en meer dan het persoonlijke van de eenzame ziel.
Wat het zingen en de kerkdienst betreft, denk ik zelfs dat er een tegenbeweging aan zit te komen. In plaats van steeds méér rumoer en muziek kon er wel eens meer ruimte komen voor momenten van stilte. Naast Psalmen, Gezangen en Liederen zie ik belangstelling groeien voor het onberijmd Psalmen zingen op de klassieke Psalm-tonen, zoals dat in de kloosters gebeurt. Van dat laatste kom ik mooie voorbeelden tegen in het nieuwe ”Dienstboek - een proeve” van de SOW-kerken. Een wonderlijke combinatie vind je daar: aanwijzingen om stille tijd te houden, die zo uit een evangelisch handboek konden komen, gevolgd door ideeën voor doordeweekse ’getijden’ uit de katholieke traditie.
Zou het niet prachtig zijn om van het een èn het ander te leren? Het evangelie is sterk genoeg om in alle tijden in vernieuwde vorm te klinken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief