Verbond en zending
1999-06-11
De tweede dissertatie van onze Kampense zendeling, ds. B.Wielenga! De eerste verscheen onder de titel ”’Volk van het land’ als missiologisch model: Oude Testament en Zending in zuidafrikaanse contekst” (Pretoria 1990). Volgens de auteur miste de eerste dissertatie de nodige dogmatische diepgang. Daarin moest de tweede - ”Verbond en zending; Een verbondsmatige benadering van zending” - voorzien!- Jaargang 43
- nummer 12
(XI) Een hartelijke felicitatie is op zijn plaats. Wat een werkkracht!
Wat een belezenheid!
Wat een vermogen tot formulering en samenvoeging van gedachten!
De lezer moet wel een stevige doorzetter zijn. De recensent heeft het nog moeilijker! Een gedachtenvolheid die doet denken aan een overladen fruitboom.
Een gedreven tempo. Een hoogwaardig theologisch jargon, om het eens wat oneerbiedig uit te drukken.
Ik geef van dat laatste één sprekend voorbeeld. Handelend over de overeenkomsten tussen de godsdiensten zegt de schrijver: ”Dat die overeenkomsten er zijn, hoeft ons niet te verbazen, als we bedenken, dat alle religies, inclusief de christelijke, binnen het christocentrische verbondsbereik van de geschapen werkelijkheid responderen op de centripetale krachten van (het) christocentrische verbondscentrum, wat openbaringsgehalte heeft” (298). Zo, daar sta je dan als recensent en dat nog wel in een blad als ’Opbouw’, dat naar de opvatting van Prof. H.J. Jager (met verwijzing naar Maarten Luther) in de eerste plaats voor Hansje en Liesje bestemd is!
We plukken slechts enkele appels van deze volgeladen boom. We doen enkele grepen uit wat we van deze dissertatie begrepen hebben (ook al een aanzienlijke beperking, dat laatste).
Van schepping naar volkomenheid
Zending wordt door de auteur getekend als ”de beweging door God op gang gebracht, al van vóór de schepping, om een voltooid samenlevingsverband met mensen op een ontsloten en voltooide aarde te realiseren”.
Op deze voltooide verbondsgemeenschap was de schepping naar Gods plan van meet af aangelegd. Zij was verbondsmatig gestructureerd (239v.).
We zouden hier kunnen denken aan Zondag 3, Vr/Antw. 6, waar sprake is van een weg, die van de schepping naar de volkomenheid heeft te leiden (H.S.).
In deze door God ingezette beweging hebben wij als partners-in-het-verbond te participeren. Denk hier aan de typering van het verbond als ”éénzijdig in ontstaan, tweezijdig in bestaan”.
Sinds de komst van Christus heeft de zendingsbeweging zich versneld. Door de verwerping van de Christus door de zijnen - de grootste crisis in de verbondsgeschiedenis - zijn de ”laatste tijden” aangebroken en komt het evangelie in de kracht van de Geest tot de einden van de aarde (248v.).
Het ene verbond
Het verbond gaat aan de schepping vooraf, in die zin, dat de schepping van meet af was ingericht op de realisering van de verbondswerkelijkheid.
Door de geschiedenis heen is er sprake van grote en kritieke mijlpalen: de zondeval, de mislukking van het oude Sinaïverbond, de verwerping van de Christus door de zijnen. Toch is er sprake van het ene verbond! Al wordt het door de zondeval van een gunstverbond tot een genadeverbond, waarin het offer van het vleesgeworden Woord centraal staat. Kenmerkende begrippen zijn continuïteit en discontinuïteit: de doorgaande lijn en talrijke grote vernieuwingen, die toch de ene lijn niet breken (158v.) De auteur ziet het verbond als binnenkant van de zending en de zending als buitenkant van het verbond. In deze aan Barth herinnerende maar toch allerminst barthiaanse formulering komt het volgende naar voren: De elementen, waarin de verbondsgemeenschap aan de dag treedt - Verkondiging, Doop, Avondmaal, Cultus, Wetsgehoorzaamheid als dankbaarheid -, waarbij de kerkgemeenschap en niet het ’Genootschap’ een centrale dienst verricht, vormen het uitgangspunt en tegelijk ook weer doel en rustpunt van de beweging die zich in de zending realiseert.
Het verbond wil niet binnen grenzen besloten blijven, maar dringt naar buiten, waarbij het door de zending wordt gedragen en geleid (277vv.).
Christus als het centrum
In verbond en zending neemt de Christus de centrale plaats in. Aanvankelijk als het niet-vleesgeworden Woord, daarna als het vleesgeworden Woord is Hij centrum en integratiepunt van de verbondsstructuur, die aan het geschapene van meet af is opgelegd.
Men zou kunnen denken aan Schriftgegevens als Joh. 1:1-18 en Col. 1:15-20 (H.S.).
Het is de taak van de zending mens en wereld weer te richten op het verbondscentrum, dat in Christus gevonden wordt.
Uiteraard brengt de vleeswording van het Woord een geweldige vernieuwing teweeg en markeert zij het verlossingskarakter van het werk van God.
Toch wordt ook hier de ene lijn van de werken van God niet gebroken. Het vleesgeworden Woord is Dezelfde als het Woord vóór zijn vleeswording. Een grote verandering in zijn optreden tot ons heil, maar geen verandering in zijn wezen, karakter en liefde (238v.).
Inculturatie
Het feit, dat de schepping van meet af gericht was op de realisering van de verbondsgemeenschap, brengt met zich mee, dat de zending gebruik kan en moet maken van de cultuurvormen van het volk, waaronder zij werkt: Inculturatie. Dat dient kritisch te gebeuren, omdat alle culturen ten gevolge van de zonde ook doortrokken zijn van elementen, die van het verbondscentrum Christus afsturen en dus verkeerd gericht zijn. Men mag aan de religies van de volken geen ’heilswaarde’ toekennen, omdat zij van de Christus àf gericht zijn. Toch kan men telkens waarheidsfragmenten aantreffen, die in het gesprek een uit gangspunt kunnen verschaffen. Men zou kunnen denken aan Paulus’ optreden op de Areopagus - Hand. 17:22- 31 (H.S.). Grote voorzichtigheid is geboden, omdat het gevaar van Syncretisme (vermenging van christelijke boodschap en heidense religie) op de loer ligt.
Toch mag men de verbondsmatige structuur, die aan de schepping gegeven is, in de praktijk van zijn werk niet veronachtzamen (285vv.).
Bij de wetsprediking (naar Matth.28:19) dient men te beseffen, dat vele bijbelse formuleringen en geboden niet van ’absolute’ aard zijn maar gelezen moeten worden binnen de ’setting’ van de historische en maatschappelijke context van de tijd, waarin ze zijn gegeven.
Regels voor de slavenhouderij in Israël en de erkenning-de-facto van de slavernij, die we bij Paulus vinden, hebben voor ons vandaag geen zeggenschap, ook al houden ze indirect hun waarde. De factor van context en geschiedenis is niet te verwaarlozen!
Dit leidt temeer tot voorzichtigheid ten aanzien van de levensinrichting onder de koepel van andere culturen. Oppervlakkig overbrengen van het ons vertrouwde is niet de juiste benadering.
Maar ook hier snijdt het mes naar twee kanten. Men dient kritisch tewerk te gaan vanwege de zonde-ontwrichting, die in alle culturen zijn doorwerking heeft gevonden.
Maar men vermijde de fout van het verleden, toen bijvoorbeeld ten onzent de zending optrad onder de ’vleugelen’ van de Verenigde Oost-Indische Compagnie en het heil maar al te gemakkelijk werd gelegd in Christus en(!) de eigen Westerse cultuur, die in alle opzichten zonder meer superieur werd geacht aan de cultuur van het zendingsgebied (260vv.).
Ecologie
Omdat de beweging van de zending gericht is op een voltooid samenleven van God en mensen .... op een ontsloten en voltooide aarde, moet ook gesproken worden van de zendingstaak ter zake van de ecologie. In prediking, catechese en pastoraat behoort zij een bewustwordingsproces in gang te brengen, waarin ’heling’ en ’heelheid’ van de schepping alle aandacht krijgen.
De Israëlitische sabbatsrust, waarin gezinnen, personeel en dieren mochten delen, kan model staan voor onze vieringen en daarin een plaats verzekeren voor recht beheer van de schepping (295).
Beknopt commentaar
Nu een zeer beknopt commentaar!
Wat me het meest is opgevallen is de kijk van de auteur op de eenheid van Gods werken en zijn ernstig pogen om alle elementen, die ter zake zijn, onder één noemer samen te vatten.
De ene zendingsgeschiedenis daterend van voor de schepping.
Het ene verbond, dat aan de schepping voorafgaat.
De nauwe verstrengeling van zending en verbond als buiten- en binnenkanten.
De grote voorkeur voor de ene doorgaande lijn in al Gods werken, ondanks de geweldige ’barsten’ in de geschiedenis: de zondeval, de mislukking van het oude Sinaïverbond, de verwerping van Christus door de zijnen.
In alles de ene noemer waaronder alles valt.
Hierin betoont de schrijver zich een echte dogmaticus. Bewonderenswaardig!
Door de sterke nadruk op het werk van God, waarin wij mogen en moeten participeren, wordt ’ons’ zendingswerk duidelijk als verbondsgehoorzaamheid in het licht gesteld en bevrijd uit de sfeer van vrijblijvendheid of - nog platter - hobbyisme! Eerste taak van de kerk!
Explosie van het begrip zending
Ik vraag me af, of de kracht van dit boek niet tegelijk zijn zwakheid is.
Ik herinner me van de catechisatie, dat de heilsgeschiedenis meermalen werd voorgesteld als een boom: Beneden een wijd vertakt wortelstelsel; dan de versmalling tot de ene stam (Abraham en zijn nageslacht Israël); tenslotte de verbreding in de boomkroon (Pinksteren - de gang van het evangelie de wereld in). De smalle stam (Israël) wordt gekwalificeerd door Psalm 147:19v. ”Hij heeft Jakob zijn woorden bekendgemaakt, Israël zijn inzettingen en verordeningen. Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan, en zijn verordeningen kennen zij niet.
Halleluja”.
Ik heb er geen moeite mee de gehele boom met wortels, stam en kroon te vatten onder de koepel: Beweging van God naar de volheid van de verbondsgemeenschap.
Maar om nu stam èn kroon beide onder te brengen onder de noemer ’zending’, .... dat gaat me te ver! Hier wordt het begrip zending zo opgeblazen, dat het explodeert!
Het dient niet alleen de theorie maar zeker ook de praktijk (waaraan door de auteur veel aandacht wordt besteed), als we hier een decentralisatie toepassen. Het werk van de Here is één, al verstaan we dat vaak niet.
Maar het is niet te vatten onder de éne noemer ’zending’.
Een boek voor doorzetters
Verder wil ik eigenlijk van commentaar afzien!
Wie de auteur volgt op zijn lange weg passeert rakelings heel wat slagvelden, waarop in de geschiedenis van de theologie grote gevechten zijn uitgevochten en nog worden uitgevochten.
Ik noem enkele ’probleemkernen’: De Algemene Openbaring, De Algemene Genade, Het Aanknopingspunt (al dan niet) in de natuurlijke mens voor de christelijke boodschap, Christus (al dan niet) als Scheppingsmiddelaar, De Tijdbetrokkenheid (minder voorzichtig: Tijdgebondenheid) van de Bijbel. Daarom vergt deze dissertatie een veel diepere en bredere studie.
Deze zou de boekbesprekingsruimte verre te buiten gaan.
Dit boek is geen ’meepakkertje’ voor een regenachtige vakantiemiddag. Het is een boek voor een doorzetter, die het bespreken gaat in een studiekring van doorzetters, die daar een jaar voor uittrekken. Zo kan ik het boek hartelijk aanbevelen. Maar niet als ’vluggertje’!
Nog één fragmentje: Over de uitverkiezing zegt de auteur: ”In de missionaire verbondstheologie wordt .... de uitverkiezing niet ontkend, maar een plaats gegeven in de doxologie (lofverheffing), waarop iedere theologie wel moet uitlopen....” (282).
Eén van de ’gulden woorden’ in deze dissertatie!
Barend Wielenga, VERBOND EN ZENDING; Een verbondsmatige benadering van zending; Dissertatie-uitgeverij Mondiss, Kampen 1998, ISBN 90-5337-022- 6, Prijs: fl 30,-.