Recht verschaffen
1999-06-11
Een rechter bij Israël moest rechtvaardig zijn.- Jaargang 43
- nummer 12
Dat betekende niet in de eerste plaats dat hij geen zwaardere straf mocht opleggen dan toepasselijk was, maar dat hij geen mensen mocht veroordelen die onschuldig waren. Wij vinden dat nogal voor de hand liggend, maar in de toenmalige rechtspraktijk werd er nogal eens tegen gezondigd.
Denk u maar eens in dat u rechter bent in een klein stadje in Judea. Als rechter behoor je tot de notabelen. Je hebt je vrienden onder de invloedrijke figuren. Met de anderen, de dagloners en de kleine sappelaars, heb je geen contact. Je hebt niets tegen hen - dat niet - maar je merkt hen niet eens op. Ze bestaan eigenlijk niet voor je, want je leeft in andere kringen en regionen.
Op zekere dag zit je in de poort van je stadje, wachtend of er iemand komt opdagen met een zaakje. En ja, een van de rijkste mensen uit het stadje, een koopman, komt naar je toe.
Je kent hem goed. Meer dan eens heb je bij hem gegeten. Hij bezit een prachtig huis vol luxe. Hij heeft een verfijnde keuken en schenkt een goed glas wijn. Je komt er graag.
Die koopman sleept iemand met zich mee. Je werpt een vluchtige blik op die man. Je kent hem niet. Hij ziet er armoedig uit. Het is zeker een dagloner of zoiets. De man sputtert nogal tegen. Hij protesteert heftig, maar je kennis heeft hem stevig bij de lurven en trekt zich niets van zijn protesten aan.
Daar staan ze dan voor je. Wat is er aan de hand? vraag je aan de koopman. Daarop begint die zijn relaas: de man naast hem is hem een bedrag schuldig, niet zo groot gelukkig, maar hij weigert te betalen. Hij is echt het type dat op de zak van anderen wil leven.
Alweer zo’n parasiet, denk je geërgerd. Je bekijkt hem eens wat nauwkeuriger. Ja, het is wel te zien. Hij is te lui om te werken. Kijk eens hoe onverzorgd hij eruit ziet. En hij stinkt!
In feite is je oordeel al geveld. Natuurlijk moet je hem nog naar zijn kant van het verhaal vragen en dat doe je ook wel. Maar dat is louter een formaliteit. De man ontkent trouwens, niet dat hij iets schuldig is, maar wel dat hij weigert te betalen.
Tja, natuurlijk! Hij zal niet ontkennen! Dat doen ze toch allemaal. Wedden dat hij ook nog in alle toonaarden zal beloven zijn schuld tot de laatste cent te betalen en om medelijden zal smeken terwille van zijn vrouw en kinderen? En ja, warempel, hij doet het. Het hoort er allemaal bij. Je hebt het al wel gezien, valt hem in de rede en veroordeelt hem tot onmiddellijke betaling van zijn schuld vermeerderd met een boete. Als hij in gebreken blijft, zal zijn bezit geconfisqueerd worden en zal hijzelf de slaaf worden van zijn schuldeiser. Want het moet nu eindelijk maar eens uit zijn met dat parasiteren. Er moet streng tegen opgetreden worden.
Het vervelende is alleen, dat die arme sloeber helemaal geen parasiet was. Je bent op de uiterlijke omstandigheden afgegaan en er zonder meer van uitgegaan, dat die goede kennis betrouwbaarder was dan die arme sloeber. Je hebt als rechter de persoon aangezien.
Tegenwoordig heet dat klasse-justitie.
De hoge heren dekken elkaar en gooien elkaar de bal toe en Jan Boezeroen is er de dupe van.
Waar dat het geval is, wordt geen recht gedaan. Israëls wetgeving keert zich daartegen.
Rechters moeten recht spreken zonder aanzien des persoons. Aan de partij die ten onrechte wordt aangeklaagd, moet recht verschaft worden. En omdat dat vaak gebeuren moet ten aanzien van mensen die verdrukt worden en in de hoek staan waar de slagen vallen, heeft dat recht verschaffen de klank van verlossen en redden.
Bij God is geen aanzien des persoons. Hij bedrijft geen klasse-justitie. Hij houdt er geen speciale vriendjes op na, die worden voorgetrokken.
Hij spreekt de onschuldige vrij en veroordeelt de schuldige, ongeacht de vraag wie van hen arm of rijk is.
Er is bij Hem ook geen sprake van klasse-justitie in omgekeerde richting. Het is niet zo dat Hij de onaanzienlijke, de sloeber, de ellendige, bij voorbaat voortrekt. Positieve discriminatie in de rechtspraak is ook klasse-justitie.
Er wordt vaak gezegd dat God altijd aan de kant van de arme en verdrukte staat. Dat is niet waar. Hij staat niet bij voorbaat aan de kant van een bepaalde groep, aan de kant van de rijken niet en ook niet aan de kant van de armen. En hij waarschuwt de rechters in Israël uitdrukkelijk: denk erom dat jullie de armen evenmin als de rijken voortrekken in een rechtszaak ( Lev. 19:15). Jullie moeten recht doen aan wie onschuldig is.
M.R. van den Berg, Assen