Goed voorgaan doet goed volgen
1999-06-11
Hoe loopt de vergelijking?- Jaargang 43
- nummer 12
De tekst die ik wilde bespreken, heb ik ditmaal in de Statenvertaling laten afdrukken. Dat heeft zijn reden daar heeft men het woord waarom het hier draait - het eerste van v. 5b - zo verstaan als dat voor de hand lijkt te liggen.
Het Griekse woord ’kathoos”, dat hier staat, betekent nl. veelal ’zoals’ (of in wat ouderwetser Nederlands ’gelijk’). Met de Stat.-vert. stemt de lutherse bijna letterlijk overeen.
Het probleem is echter: wat vergelijkt Paulus nu eigenlijk met het in v. 5b door hem gestelde? Wélke overeenstemming constateert hij tussen wat hij in v. 5a had gezegd (nl. dat de gelovigen in Thessalonica zijn boodschap niet maar hadden aangehoord, maar door de kracht van den Geest daarnaar ook waren gaan leven) en wat hij hier in v. 5b stelt (dat ze weten - en nu neem ik maar even de (al te) letterlijke weergave van Stat.-vert. en NBG over - ”hoedanig Paulus onder hen geweest is”)? Ik vrees, dat niemand dat duidelijk kan maken.
Een andere weergave
Andere vertalers hebben het hier gebruikte woord (’kathoos’) blijkbaar redengevend verstaan, gezien het feit dat ze het met ’immers’ weergeven.
Zo prof. Brouwer. Ook in de Friese vertaling vindt men ’ommers’. Nu is die opvatting op zichzelf zeer goed te staven. Men vindt in de NBG het bewuste woord zo weergegeven in Rom. 1, 28 (”En daar zij het verwerpelijk achtten ...”), 1 Cor. 5, 7 (”gij zijt immers ongezuurd”), Ef. 1, 4 (”Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren ...”) en 1 Thess. 2, 4 (”daar God ons waardig heeft gekeurd”) 1) Toch blijft men dan opnieuw met een vraag zitten: hoe kan het weten ”hoedanig Paulus onder hen geweest is” de reden zijn voor het feit dat het evangelie krachtig in hen heeft gewerkt?
Ik vermoed, dat het onoplosbare probleem dat zowel de ene als de andere opvatting meebracht, weer anderen bewogen heeft tot vertalingen als ’zelfs wel’ (Leidse vert.), ’zelf nog we” (Anne de Vries), ’toch nog wel’ (Canisius) en ’trouwens’ (NBG, Gr.Nws2 en Will.2). Maar dit zijn enkel noodsprongen, die ik niet zou weten te rechtvaardigen,
De oplossing
We komen m.i. uit de problemen, als we - zoals ik al voor meer teksten heb voorgesteld2) - een wijziging in de interpunctie aanbrengen: de ’kathoos’- zin behoort niet verbonden te worden met wat voorafgaat, maar met wat volgt. Opnieuw uitgaande van de Stat.-vert. zette men aan het eind van v. 5a - dus na de woorden ”en in vele verzekerdheid” - een punt. En dan zou moeten volgen: (5b) Omdat gij weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil, (6) zijt ook3) gij onze navolgers geworden”. D.w.z.: omdat de gelovigen in Thessalonica Paulus’ gedrag kennen, zelf hebben meegemaakt,- zijn zij dezelfde weg gegaan.
Het is zijn voorbeeld, zoals zij dat voor ogen hadden, dat hen tot navolging heeft bewogen.
Nadere informatie
Hoe Paulus zich in hun midden heeft gedragen, horen wij nader in 2, 2: ”Ondanks de mishandeling en de smaad die wij - zoals gij weet4) - te Filippi tevoren ondergaan hadden5), hebben wij u, in onzen God vrijmoedig, onder zware strijd het evangelie Gods gebracht” (NBG). De apostel heeft dus, toen hij zijn prediking in Filippi met mishandeling en smaad had moeten bekopen, in Thessalonica toch niet zijn mond gehouden, maar ter wille van de mensen daar (d.w.z. wetend, hoezeer ze ook daar de boodschap van verlossing nodig hadden) is hij doorgegaan met prediken ondanks de hevige tegenstand die hij ondervond.
(Dát behelzen de woorden ”in zware strijd”. 6)) En ziedaar: nu de gelovigen in Thessalonica dat hebben meegemaakt, ervaren hebben, wat Paulus zich ter wille van hun behoud getroostte, zijn zij hetzelfde gaan doen: ”onder zware verdrukking” (v. 6; vgl. daarover nader 2, 14!) hebben ze het evangelie verder gedragen (v. 8). Die woorden ”onder zware verdrukking”, die van de gelovigen in Thessalonica worden gebruikt (1, 6) corresponderen op de woorden ”onder zware strijd”, die van Paulus worden gebezigd (2, 2). Hij en zij dragen ondanks hevige tegenstand het evangelie uit. En zo kan hij hen met recht zijn ’navolgers’ noemen.
Wij begrijpen uit deze nadere informatie, hoe wij de woorden ”hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil” uit v. 5b moeten verstaan. De apostel bedoelt: ”hoe flink wij ons hebben gehouden ter wille van u”. Paulus heeft, om de mensen in Thessalonica hun eeuwig heil te kunnen prediken, de mishandelingen en smaad, die hem ook hier te wachten zouden kunnen staan, getrotseerd.
En als de gelovigen in Thessalonica zijn voorbeeld volgen, dan volgen ze daarin uiteindelijk het voorbeeld van hun Héér (v. 6), vgl. Hebr.12,2.3.
Noten
1) ’Kathoos’ is een samenstelling met ’kata’ = ’naar’, ’overeenkomstig’. Van de ontwikkeling tot redengevend voegwoord kan men een parallel vinden in het wat ouderwetse Nederlandse woord ’naardien’ (eigenlijk ’overeenkomstig het feit dat’), dat ook ’daar’ is gaan betekenen.
2) Zie De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1999, o.a. blz. 515 vlgg.
3) Men zou uit dit ’ook’ kunnen opmaken, dat Paulus al meer navolging had gevonden. Dat zou zo vreemd niet zijn: hij roept op tal van plaatsen zijn lezers op hem na te volgen (1 Cor. 4, 16; 11, l; Fil. 3, 17). Mogelijk is hier in onze tekst echter een lichte contaminatie in het spel. Ik acht het mogelijk, dat Paulus zijn volzin is begonnen met de bedoeling te zeggen: ”ook u bent gaan doen, wat ik deed”, maar dat hij naderhand is overgeschakeld op ’navolgen’, dat het aanvankelijke ’ook’ overbodig maakte.
4) Men lette op deze herhaling van het element ’weten’ uit 1, 5b.
5) Vgl. Hand. 16, 22-24.
6) Het ’in’ heeft hier een concessieve bijsmaak: ’ondanks’. Voor het Latijn herinner ik me hiervan uit een schoolgrammatica het voorbeeld ’in summa senectute ambulat cotidie’ (op zijn hoge leeftijd wandelt hij nog elke dag). Over de tegenstand in Thessalonica vergelijke men Hand 17, 5-10.