Theologie van het technicisme (1)
1999-06-25
In de bijbel wordt ons geopenbaard, dat ’hemelse machten’ grote invloed hebben op de aardse gebeurtenissen. In onze tijd is het technicisme zo’n geestelijke macht die de gehele westerse cultuur beheerst. Het millenniumprobleem in de computertechniek dreigt met de eeuwwisseling het hele maatschappelijke leven ernstig te verstoren. Dit feit laat ons zien, hoe allesbeheersend de moderne informatietechnologie geworden is voor ons dagelijks leven. In de volgende bijdrage willen we dit verschijnsel vanuit bijbels en theologisch perspectief beschouwen.- Jaargang 43
- nummer 13
Definities
Onder theologie verstaan we in overeenstemming met de reformatorische wijsbegeerte, de wetenschap van het geloofsaspect van onze tijdelijke werkelijkheid in ontslotenheid voor de Woordopenbaring. Zonder de Woordopenbaring hebben we het over godsdienstwetenschap.
Technicisme is de term, die prof.dr. E. Schuurman gebruikt voor het streven van de mens in onze cultuur om met hulp van de techniek heel de werkelijkheid naar zijn hand te zetten. Dus het verabsoluteren van het technisch, formatieve vermogen in onze cultuur.1 Onder cultuur verstaan we het gehele menselijke bedrijf, dat gefundeerd in het technische kunnen van de mens, heel verschillend gekwalificeerde terreinen bestrijkt, zoals wetenschap, kunst, recht, politiek en economie.
De goden der volkeren
In de bijbel wordt er impliciet vanuit gegaan, dat de verschillende volken buiten Israël onder de macht staan van goden of engelenvorsten, elohiem geheten. De sleuteltekst hiervoor is Deut. 32:8. De meeste vertalingen zijn gebaseerd op de Masoretische Tekst.
In de Septuagint en de Dode-Zeerollen luidt de tekst:
– Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfenis toedeelde, toen Hij de mensenkinderen van elkander scheidde, heeft Hij de grenzen der volken vastgesteld naar het aantal der zonen van God. Maar het deel des Heren is Zijn volk, Jakob het Hem toegemeten erfdeel –
Onder zonen van God verstaat de bijbel dikwijls engelenmachten, zoals in Job 1:6. De tekst uit Deuteronomium leert ons dat terwijl Israël rechtstreeks onder het gezag van de Allerhoogste stond , de volken geregeerd werden door engelenvorsten, benej haelohiem.
In Psalm 82 vernemen we, dat de God van Israël als Allerhoogste gericht houdt in de godenvergadering en verantwoording vraagt van hun beleid.
Hebben ze de arme beschermd tegenover de goddeloze, zoals hun opdracht was?
In Micha 4:5 lezen we: ’Want alle volkeren wandelen elk in de naam van zijn god, maar wij zullen wandelen in de naam van de Here onze God voor altoos en immer.’ In Num. 21:29 wordt Moab het volk van Kamos genoemd. Dezelfde gedachte vinden we in Richt. 11:24.
Ook de latere christelijke auteurs als Origenes, Tertullianus en Dionysius kennen de voorstelling van de engelenvorsten, die de volkeren regeren.
Terwijl al deze engelenmachten, naar het woord van Paulus in Rom. 13 van God geordineerd zijn en dus behoren tot Gods goede schepping, worden ze meestal sterk gecorrumpeerd door Satan als overste dezer wereld. Hoewel ze schepselen zijn laten ze zich als onsterfelijke goden vereren. Dat is de afgoderij, waar Israël als Gods eigen volk zich verre van diende te houden. Bovendien hadden deze vorsten elk een beperkt machtsgebied toegewezen gekregen, hun eigen volk en land.
In Gen. 10:8 lezen we van Nimrod, die de eerste machthebber op aarde was.
Hij stichtte het eerste wereldimperium, dat zich later voortzet in de Babylonische en Assyrische rijken. Het woord jager in onze vertalingen wordt door Max Reissel vertaald met veroveraar.
(M. Reissel, Genesis, blz. 57.) Zo breiden aardse heersers hun machtsgebied door oorlogen uit en vergroten daarmee de macht van hun hemelse ’goden’ In 2 Kon.18:35 snoeft de maarschalk van de Assyrische koning: „Wie waren er onder alle goden der landen, die hun land uit mijn macht hebben gered?” Door de veroveringen van hun aardse vertegenwoordigers worden sommige engelenvorsten tot wereldheersers. Ze worden tot de geestelijke en politieke machten die de geschiedenis beheersen.
Wereldheersers, stoicheia tou kosmou (stoiceia ton kosmon)
Deze term, die we vinden in de brieven van de apostel Paulus wordt verschillend vertaald. De St.vert. noemt ze de beginselen van de wereld; de NBG-vert. heeft wereldgeesten. In een artikel van H. Jochemsen: De machten in het N.T. en de kerk vandaag worden diverse mogelijkheden genoemd.
Zijn conclusie is, blz. 98:
„Met de uitdrukking ’stoicheia tou kosmou’ duidt Paulus op de elementen, de principes van religieuze en levensbeschouwelijke systemen, die in hoge mate beslag leggen op de mens, op zijn religieus-zedelijke habitus en hem veelal van de levende God vervreemd houden.” (Tastend zien, opstellen in dankbare herinnering opgedragen aan dr. F de Graaff, 1993, Merwedeboek.)
Behalve te letten op de betekenis der woorden in de contemporaine literatuur dienen we zeker bij de wetgeleerde Paulus het O.T. te raadplegen.
We wenden ons dan ook tot de profeet Daniël.
In hfst. 2 wordt aan Daniël geopenbaard de 4 politieke machten die de komende heilsgeschiedenis zullen bepalen. In Daniël 7 wordt ons ogenschijnlijk hetzelfde verteld. Maar nu staat niet de oorspronkelijke heerlijkheid van deze rijken, maar meer hun negatieve invloed in de historie op de voorgrond; ze worden voorgesteld als dieren.
Meestal wijst men dan op hun verdorven politieke macht.
Maar in onze beschouwingen willen we vooral de nadruk leggen op hun betekenis als cultuurmachten, die een veel bredere maatschappelijke invloed uitoefenen. In het O.T. worden ze dan ook sariem, (hemel)vorsten of prinsen genoemd. We zullen nu deze cultuurmachten, sariem of stoicheia nader bekijken.
De vorst van Babylon
Het eerste dier uit Dan.7 is een leeuw met adelaarsvleugels, een roofdier dat zich tevens kan verheffen in de lucht.
Dit slaat op de veroveringsdrift van de verschillende (oude en nieuwe) Assyrische en Babylonische rijken, waarvan de legendarische Nimrod de eerste vertegenwoordiger was. De adelaarsvleugels duiden op hun macht in de hemelse gewesten, maar die worden uitgerukt. In Gen. 11 wordt ons beschreven, dat de mensen in Babel een toren bouwen, waarvan de top tot de hemel reikt. Dit slaat op de zikkurats in Mesopotamië, waarin men door magie en bezwering contact zocht met de godheid, of anders gezegd een aanval deed op de hemel om een occult, magisch paradijs te stichten.
Dus techniek in dienst van magie en occultisme.
Het godsgericht hierover is de spraakverwarring.
Een latere vertegenwoordiger van de vorst van Babel is Nebukadnezar die ook een godsoordeel ontvangt, totdat hij ’s Heren macht erkent:
’Toen prees ik de Allerhoogste en roemde en verheerlijkte ik de eeuwig Levende, omdat Zijn heerschappij een eeuwige heerschappij is en Zijn koningschap van geslacht tot geslacht. Ja, alle bewoners der aarde worden als niets geacht; Hij doet naar Zijn wil met het heer des hemels en de bewoners der aarde: en niemand is er, die Zijn hand kan weerhouden of tot Hem kan zeggen: wat doet Gij?’ (Dan. 4:34,35)
De vorst van Babel is steeds actief als een cultuur onder occulte machten komt en aan hun aardse koningen goddelijke eer wordt geschonken. Uitvoerig beschrijft Jesaja het drijven van deze hemelvorst in Jes.:14:12-16.
„Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken! En gij overlegdet nog wel: Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het noorden; ik wil
opstijgen boven de hoogten der wolken mij aan de Allerhoogste gelijkstellen.”
De vorst van Perzië
In Dan. 10:13 vinden we deze vorst als tegenstander van de machtige engel, die aan Daniël verscheen en vorst Michaël, de schutsengel van het volk Israël. Wat is het karakter van deze vorst? Hij wordt vergeleken met een beer die veel vlees eet. Hij is dus ook imperialistisch en streeft naar wereldheerschappij. Maar de heerlijkheid van zijn aardse vertegenwoordiger Cyrus is minder dan zijn Babylonische voorganger: de zilveren borst en armen. Dat blijkt uit het vervolg van de geschiedenis. De koning van Babel was een absoluut heerser. De koningen van Perzië zijn onderworpen aan de wet van Meden en Perzen. Het is deze wet die deze hemelvorst tweemaal tegen het volk der Joden zal trachten in te zetten. Eenmaal ten tijde van Darius de Meder (een van de titels van Cyrus?) en later ten tijde van Ahasveros of Xerxes (het boek Ester).
Het regime van deze hemelvorst is gekenmerkt door strakke regelgeving, bureaucratie en legalisme. Overal waar we deze verschijnselen op wereldniveau tegenkomen is deze wereldheerser actief. Het Joodse volk staat sinds de verwoesting van de tempel sterk onder zijn invloed. Ezra die als de grondlegger van het postexilische Jodendom is te beschouwen, verklaart dan ook in Ezra 9:9: ’Want wij zijn slaven, maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten; Hij heeft ons gunst doen vinden bij de koningen van Perzië.’ Ook cultureel en godsdienstig heeft deze hemelvorst grote invloed gekregen bij het joodse volk. Het rabbijnse Jodendom is er uit voortgekomen met alle nadruk op nauwgezette wet-betrachting.
Eénmaal heeft deze vorst bij monde van Darius de Meder moeten erkennen (Dan.6:27,28):
„Hij is de levende God, die blijft in eeuwigheid; Zijn koningschap is onverderfelijk en Zijn heerschappij duurt tot het einde; Hij bevrijdt en redt, en doet tekenen en wonderen in
hemel en op aarde.”
De vorst van Hellas
De komst van deze vorst wordt aangekondigd in Dan.10:21. Zijn karakter is dat van een panter: snelheid en roofzucht, met vier vogelvleugels op zijn rug en vier koppen. Ook hij verheft zich tot in de hemel, maar wordt door het goddelijk gericht getroffen.
Zijn aardse vertegenwoordiger is Alexander de Grote. In Dan.11:3 staat dat hij met grote heerschappij zal regeren en doen wat hem goeddunkt.
Nauwelijks is hij opgestaan of zijn koninkrijk zal verbroken worden en verdeeld onder zijn vier opvolgers, die geen van alle uit zijn dynastie zullen voortkomen.
Alexander heeft geen staatkundige eenheid tot stand gebracht, maar wel een culturele, het Hellenisme. De vorst van Hellas is de genius van het Hellenisme.
Niet het absolutisme van de heerser of de eerbied voor wet en traditie is het leidend beginsel, maar de universele logos, de rede, brengt de culturele eenheid onder de mensen.
Heeft ook Alexander een ontmoeting met de God van Israël gehad? In de Joodse Historie van Flavius Josephus vinden we het volgende verhaal: ik citeer F. de Graaf, Israël, Hellas, Rome, blz.226.
– Als Alexander Jeruzalem nadert zijn de Joden door de Samaritanen bij hem in een kwaad daglicht gesteld. De hogepriester wendt het gevaar af door een Goddelijke ingeving in een droom te gehoorzamen.
De Phoeniciërs en Chaldeeën, die in het leger van Alexander waren twijfelden niet ter oorzake van zijn gramschap tegenover de Joden of hij zou hen toelaten Jeruzalem te plunderen en den Hogepriester anderen ten voorbeeld straffen. Maar het viel geheel anders uit. Want nauwelijks zag deze vorst die grote menigte mensen in het wit gekleed, de priesters met hun linnengewaad, de Hogepriester met zijn Ephod van hemelsblauwe kleur, met goud versierd en zijn muts op het hoofd met een gouden plaat, waarop de naam JHWH geschreven stond, of Alexander naderde alleen tot hem, aanbad die Heilige Naam en groette de Hogepriester, die nog door niemand anders gegroet was.’ De omstanders zijn verwonderd. Parmenion vraagt Alexander. Deze antwoordt: ’Het is niet de Hogepriester, die ik aanbid, maar de God, wiens dienaar hij is.’ –
Toch is deze eerbied voor de God van Israël bij Alexander maar van korte duur. Als hij in Egypte aankomt, laat hij zich daar vrijmoedig als goddelijke zoon van Zeus-AmonRe vereren.
Daarmee verspeelt hij ’s Heren gunst en sterft enkele jaren later op 33-jarige leeftijd te Babylon.
Ondanks deze hoogmoed van Alexander, wordt zijn hemelvorst, de vorst van Griekenland, gekenmerkt door redelijkheid en matigheid. Tegenover de hybris, de overmoed van Babel kent hij de menselijke ’maat’ en in plaats van de macht van de traditie stelt hij de vrijheid van de wereldburger.
Alexandrië, de door Alexander gestichte stad in Egypte, wordt later een centrum van hellenistische cultuur en wetenschap. Als vele Joden zich daar later ook vestigen , wordt aldaar het OT in het Grieks vertaald, de Septuagint.
Dit wordt de bijbel van de Joden in de Griekse diaspora. Zo wordt Mozes bekend in alle steden van de hellenistische wereld. Paulus zal later in deze Synagogen in het Grieks het evangelie verkondigen. Zo heeft deze ’vorst van Griekenland’ de snelle uitbreiding van de christelijke kerk in de hellenistische wereld mogelijk gemaakt.
Helaas is dit de zuiverheid van het Evangelie niet altijd ten goede gekomen.
Het oorspronkelijk Joodse evangelie – het heil is uit de joden, leerde ons Jezus – werd door de kerkvaders Grieks uitgelegd. De Griekse filosofen werden als voorlopers van het evangelie beschouwd. De grote christelijke dogma’s over de Drie-eenheid en de twee naturen van Christus werden met behulp van Griekse begrippen geformuleerd.
Bovendien waren enkele kerkvaders uitgesproken anti-Semieten en werden de Joden, aan wie de woorden Gods zijn toevertrouwd, Rom.3:3, veracht. De Vader God op vele middeleeuwse schilderijen lijkt dan ook meer op de griekse Zeus dan op de niet uit te beelden God van Israël.
Zoals de Joden onderworpen werden aan Wet en Traditie van de Perzische ’vorst’ zo is de christelijke kerk vaak onderhorig geweest aan de ’vorst’ van Hellas.
De vorst van Rome
Het vierde dier is schrikbarend en ongemeen sterk; het verslindt wat het tegenkomt en wat het niet kan verteren wordt met zijn poten vertreden.
Bovendien heeft het tien horens, ongekende macht. Drie horens worden uitgerukt (koningsmacht, legaliteit en redelijkheid?) en een kleine hoorn verheft zich, met mensenogen (antropocentrisch humanisme?) en een mond vol groot spraak. Dit is de genius van Rome.
Rome kent de wil tot de macht (Nietzsche); het vereert het menselijk technisch-formatief vermogen als een god.
Over de hele bewoonde wereld stuurt het zijn legioenen, legt aan de volken zijn wil op, administreert een wereldrijk; bouwt steden , muren (de muur van Hadrianus) bruggen, schepen; laat kanalen graven; aquaducten en amfitheaters getuigen van Rome’s technisch vernuft.
De heerschappij wordt aan de andere dieren ontnomen, maar onder de opperheerschappij van Rome wordt aan hen nog een tijdelijke levensduur geschonken, volgens goddelijk raadsbesluit, totdat in het eindgericht ook met Rome wordt afgerekend.
(Dan. 7:11,12) De verworvenheden van andere hemelvorsten worden door Rome zolang ten eigen bate gebruikt. Het absolutisme van de caesaren is aan Babel ontleend. Het Romeinse recht wordt gesteld boven de rechten der overwonnen volkeren, die door de ’prins’ van Perzië gewetensvol waren ontzien. Men denke aan de politiek van Cyrus, die de eigen rechten van de Joden en andere volken altijd liet bestaan. De culturele eenheid van het Hellenisme wordt de basis van de door de romeinse legioenen opgelegde wereldvrede, de pax Romana.
Ook Rome wordt geconfronteerd met de God van Israël. In het jaar 313 krijgt keizer Constantijn een visioen: een kruisteken ziet hij en hij hoort de woorden ’in dit teken zult gij overwinnen’ Daarmee erkent de vorst van Rome de opperhoogheid van Christus en breekt de Constantijnse aera aan.
De christelijke kerk wordt de leidende cultuurmacht, maar het vierde dier wordt nog niet gedood. De genius van Rome blijft bestaan. Het evangelie heeft Rome overwonnen, maar de overwonnen hemelvorst blijft zijn eigen aard behouden. Deze vorst heeft de verdere geschiedenis van de christelijke kerk diepgaand beïnvloed.
Noot
1 Uit de jongste publicatie van deze auteur: Geloven in wetenschap en techniek, Amsterdam, 1998, Buijten en Schipperheijn, geven we enkele citaten: Machten zijn dus aardse werkelijkheden of cultuurrealiteiten, die de cultuurontwikkeling los van God wensen te bepalen. Behalve door verering van mensen worden ze vooral versterkt door onzichtbare, hogere machten; deze machten worden in de Bijbel ook wel de ’beheersers dezer eeuw’ genoemd... De Bijbel leert ons het volstrekt unieke van Christus, dat Hij over de machten heeft gezegevierd, dat Hij ze - let wel- aan het kruis- dus machteloos- openlijk ten toon heeft gesteld, Hij heeft ze ontwapend.
Niet de machten beheersen uiteindelijk de geschiedenis en de cultuur ontwikkeling, maar Christus is daar het allesbeheersende middelpunt van... De volgelingen van Christus hebben de opdracht de geesten te onderscheiden, de machten in hun strekking te doorzien, om te onderkennen waarop het aankomt... We moeten de geschiedenis van onze cultuur kennen, dienen inzicht te hebben in de geestelijke krachten van onze cultuur.
En ook dienen we inzicht te hebben in de ontwikkeling van de machten en de samenhang daarin. Nogmaals ze zijn aan de schepping ontleend, maar perverteren de schepping vanwege de verkeerde gerichtheid. Mensen zoeken er hun heil in. (Schuurman blz. 144-146)