Een prachtig boek!

1999-06-25
  • Jaargang 43
  • nummer 13
De Tempel. De tempeldienst ten tijde van Jezus Christus.

Een van de bekendere rechtzinnige Bijbelgeleerden uit de 19e eeuw was de Messias-belijdende Jood Alfred Edersheim. Samen met andere Hongaarse Joden die tot geloof in Jezus gekomen waren werkte hij als zendeling.
Adolph Saphir werd in 1854 zendeling onder Joden in Hamburg, Alexander Tomory richtte zich een jaar tevoren op Joden in Constantinopel en later in Galac. Alfred Edersheim (1825-1889) was werkzaam onder Joden in ’t Roemeense Jassy. Hij werd doctor in de Theologie in Edinburgh en in de Filosofie in het Duitse Kiel. Samen met Saphir werd hij een vooraanstaande Presbyteriaanse predikant in Engeland, maar in 1875 werd hij lid van de Anglicaanse Staatskerk.
Bekend voor het grote publiek werd hij door zijn magistrale boek The Life and Times of Jesus the Messiah, dat in 1883 in Oxford uitkwam en ook, inmiddels al weer lang geleden, o.a. in het Nederlands vertaald werd. Al decennia lang is ’t niet meer te verkrijgen.
Bij uitgeverij Groen verscheen een vertaling van een vroeger werk The Temple – its Ministry and Services as they were in the Time of Jesus Christ (1874). Hoe het oorspronkelijke boek er heeft uitgezien weet ik niet, maar het is onwaarschijnlijk dat het aantrekkelijker kan hebben uitgezien dan deze editie, met zeer vele foto’s van een maquette die in onze eigen tijd van de Tempel en alle toebehoren gemaakt is door de Brit Alec Garrard.
Laatstgenoemde is „een boer uit Norfolk, voormalige aannemer, en Methodistisch voorganger”. Hij is een bekwaam en enthousiast maquettebouwer; zijn maquette „is zo groot dat ze een hele schuur in beslag neemt”.
Het boek is daarmee een uitermate aantrekkelijk vorm gegeven; de tekst biedt zeer veel informatie. Lezing van dit boek is zeer aanbevolen. Toch wat kritische kanttekeningen. Spijtig vind ik het dat alle aangehaalde Bijbelteksten weergegeven worden in de Statenvertaling; dat is te verwachten bij Uitgeverij Groen, maar remt m.i. toch de animo van vooral jongere lezers om het boek ter hand te nemen. Mattheüs 10:9,10: „Verkrijgt u noch goud noch zilver noch kopergeld in uw gordels; Noch male tot den weg, noch twee rokken, noch schoenen noch staf” (53) is niet meer voor ieder even goed verstaanbaar.
Hebreeën 7:26 is ook niet meer duidelijk: „Zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden” (88). Had daar in het belang van het lezerspubliek geen concessie gedaan kunnen worden, vraag ik me af.
Bezwaarlijker is dat de vertaalster ’Judaism’ als ’Judaisme’ en niet als ’Jodendom’ of ’Joods geloof’ weergeeft; ik meen dat ’Judaïsme’ meestal verwijst naar de opvattingen van die Joodse gelovigen in Jezus die een heftig pleidooi voeren voor het erg stringent nakomen van de hele Joodse wet, ook door heidenen. De houding die we in de Brief aan de Galaten tegenkomen (en er daar fel bestreden wordt.) Om een ’halve sikkel’ gelijk te stellen aan ’1s.4d’ (56) is stellig voor de oorspronkelijke lezers in 1874 nuttige informatie geweest; nu het Verenigd Koninkrijk alweer zo’n twintig jaar geleden betreffende munten (die ook wel een wat mindere waarde hadden dan een eeuw tevoren) afgeschaft heeft, is het door Nederlandse lezers zo bereikt inzicht in de materie veilig op nul te stellen! Noten die naar artikelen in de jaren 1870 in Engeland verwijzen schieten ook hun doel ruim voorbij. Edersheims in 1874 ongetwijfeld zinnige opmerking „De totale som die jaarlijks uit de tempelbelasting werd verkregen is berekend op ongeveer honderddrieëennegentigduizend gulden” (56) lijkt me zeer discutabel in onze context. Opnieuw, het is prima mogelijk om Edersheims gegevens te lezen, maar vertaling maakt er soms iets twijfelachtigs van. Dat zijn echter narrige notities die maar een klein stukje van het boek raken.
Misschien is het goed eens een stukje van het werk te citeren; dat doe ik tamelijk willekeurig, uit het begin van het boek.
„Van de vier hoofdingangen van de tempel daalde de meest noordelijke mogelijk met trappen af in de Benedenstad; terwijl twee andere naar een aanbouwsel, de Parbar, leidden. Dit was mogelijk ’de opgang...in het huis des Heeren’, waarover de koningin van Scheba zo verbaasd was (1 Koningen 10:5). Het zal inderdaad moeilijk geweest zijn om de pracht van deze toegang te overdrijven. Een kolossale brug op bogen overspande het zogenaamde Tyropoeondal en verbond de oude stad van David met ’t zogenaamde koninklijke voorportaal van de tempel. Vanuit de ruïnes kunnen we de brug reconstrueren. Iedere boog overspande 12,6 meter en de onderste stenen van de bogen waren 7,3 meter lang en 1,8 meter dik. Het is bijna onmogelijk om je deze afmetingen voor te stellen, tenzij je ze vergelijkt met andere gebouwen. Een enkele steen 7,3 meter lang! En dit waren nog niet eens de grootste stenen in het metselwerk van de tempel.
Zowel in de zuidoost- als in de zuidwest- hoek zijn stenen gevonden van 6 tot 12 meter lang, en van meer dan 100 ton in gewicht.” (35) Edersheim vertelt: „Het was regel, dat je rechts hield, als je de tempel binnenging en links als je hem verliet. Het grote voorhof der heidenen, dat de laagste en buitenste omheining van het heiligdom was, was geplaveid met prachtig, bont geschakeerd marmer.
Volgens de joodse traditie vormde het voorhof een vierkant van 229 meter.
Daar werden de ossen, schapen en duiven, uitgezocht als offerdieren, verkocht als op een markt; hier waren de tafels van de wisselaars die de Heere omkeerde, toen Hij degenen die kochten en verkochten uitdreef uit het huis van Zijn Vader (Matth. 21:12; Joh. 2:14).
Vlakbij in het voorhof hing een marmeren plaat van 1,37 meter hoog, mooi versierd; deze droeg een opschrift in het Grieks en het Latijn, dat de heidenen waarschuwde niet verder te gaan, op straffe van de dood.” (38,39)

Zo gaat het 256 prachtig vormgegeven pagina’s lang, waarbij het accent niet alleen ligt op gebouwen, maar ook aandacht is voor de betekenis van het priesterschap, de offers die er zijn gebracht en de diverse feesten. Het is een zeer aangenaam boek waaruit je veel informatie opdoet, maar dat de lezer bovendien brengt naar het hart van het heil, de verzoening. Edersheim is immers niet alleen een Jood, maar ook een Messiasbelijder.

Alfred Edersheim, De Tempel; De Tempeldienst ten Tijde van Jezus Christus. Groen, Leiden; 1997; 256 pagina’s, ƒ 59,95

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief