Persschouw
1999-06-25
Wat bezielt die dominees?- Jaargang 43
- nummer 13
„Willen de predikanten eigen baasje zijn? Laten ze dan gauw een bv’tje oprichten. Een startkapitaaltje zullen ze toch wel bij elkaar kunnen krijgen.” Of: „Wat verbeelden die dominees zich wel! ’t Is vroeger niet meer. Toen zaten ze op de hoge stoep met de burgemeester, de dokter en de notaris als notabelen van ’t dorp. Maar vandaag hangen ze hun jas gewoon aan de kapstok met de schoolmeester en de beroepsmilitair.” Of: „Ze zijn roergangers van een krakkemikkige schuit en zelf ook het kompas kwijt. Ze zouden maar eens een toontje lager moeten zingen en blij zijn dat ze nog bij een kerkeraad als werkgever op de loonlijst kunnen komen.” Of: „U zit uw eigen soort mooi vrij te houden, dominees zijn zo glad als water; ze praten zich er altijd weer uit.” Ik heb me wat te doen gemaakt met dat stukje van veertien dagen geleden over ’t goddelijk beroep. Het toegedachte vervolg is nu pure noodzaak geworden. Ja, wat bezielt die dominees eigenlijk en waarom moet je hen onbesmet houden van allerlei knechtelijk teugelwerk?
Zal ik het dan maar zeggen?
Om de roeping, de bezieling, de opdracht die hun aangaat, en dat is net iets meer dan de job waarmee jeje brood verdient. Om hen instrumenten te laten zijn in des Heren hand, en niet gewoon wereldfluiters. Want ’vogeltje dood, mannetje in de sloot’ en einde verhaal. Het gaat om – wat de oosterburen noemen – de begeestering, het enthousiasme, het in vervoering raken; anders keuvelen ze net als iedereen en komt er nooit wat nieuws. Dat het hoge doel niet voor hun oog verdwijnt en dat de heilige taak niet voor hun geest zal verflauwen.
Dat ze ’t vasthouden wat God te doen gegeven heeft. Dat ze ’t ideaal kennen, zodat uitzicht en volharding niet ophouden. Dat ze ’t Woorden ’t geloof en ’t gebed bewaren, ook al hoeft het voor een boel mensen niet meer. Dat ze geen laaglanders worden die enkel naar beneden gaan waar God juist roept om de banier van hoop in de hoogte te steken. Daar ligt de roeping, dat vergt èn kracht èn tijd èn taak. Dat ze in de Geest van Pinksteren zullen wandelen en kunstzinnig en wijs zullen duiden – waar voor de mensen de weg van Christus is.
Zoveel hebben ze gekregen om te geven, dat ze het alleen in creatieve vrijheid kunnen doen. Daarom leg je hen niet aan de tafelpoot en bedwing je hen niet onder allerlei tot geestelijke luiheid strekkende contracten. Dan Worden ze loonslaven die zich het klapperzweet lopen voor hun arbeidsvoorwaarden.
Dan bemoeien ze zich met randzaken en aanschouwen ze nimmer het heilig middelpunt en de kern der dingen meer. Dan stoken ze het huis op kamerwarmte en hun kantoor op werktemperatuur, maar de heilige gloed is voor altoos gedoofd. Dan moeten we de huurlingen vragen waar de herders zijn gebleven en de klerken bij het oplezen van hun verhaal waar de leraars zijn. In de dagen dat we zo nadenken over het ambt van predikant herinner ik mij een lezing die professor A.J.Th. Jonker eens voor de Utrechtse predikantenvergadering hield. ’t Ging over de geestelijke kwaliteit waarop je als dienaar des Woords mag worden aangesproken. Over ’Ons ideaal hoog houden’. Hij stelde het ’ideaal der eeuwigheid’ tegenover wat vandaag wordt genoemd het ’secularisatiemodel’.
Bij de bouw van de tabernakel kreeg Mozes van God te horen: „Zie nu toe, dat gij alles maakt naar het model dat u daarvan op de berg getoond is’” Ook wij hebben het ideaal gezien, op een bergtop ergens. God heeft het ons te zien gegeven. Maar de verzoeking is groot om gaandeweg het ideaal bij te stellen en het aan te passen aan de werkelijkheid. Dan halen we het uit de hoogte van de eeuwigheid neer naar de vlakke bodem van de praktijk, de haalbaarheid.
Als wij niet willen wat het ideaal wil, dan moet het ideaal maar willen wat wij willen. Een dominee die het ideaal verloren heeft, het ideaal van de berg Golgotha om verloren mensen-
kinderen te brengen tot het Lam, die is een verloren dominee. Als ons ideaal dood gaat, dan gaan we zelf ook dood. Niet dat elke preek een huzarenstukje is, niet dat ieder catechisatieuur, elk bezoek, elk stukje tekst, elk denkwerk, elke voorbereidende en leidinggevende aktiviteit subliem zal zijn. Doe de dingen voor God, doe ze gewoon. Laten we in onze roeping trouw zijn. Het komt er, door onze onmogelijkheden heen.
Laten we ons houden aan het ’ja ik, van ganser harte’. Uit de kracht van de werkzame Christus leven en arbeiden wij. En daarmee zullen we elkaar bemoedigen. Het elan mag niet wegebben in de nood van de tijd. We hebben opwekking nodig en gebed: „Geef, o Geest, uw leraars ’t heilig vuur!” Dit artikel knipten wij uit het bekende blad ’CONFESSIONEEL’. Het werd geschreven door Ds. B.H. Weegink, ned. herv. predikant te Katwijk aan Zee. Wij behoeven hier eigenlijk niets aan toe te voegen. Het boeiende stuk spreekt voor zichzelf!
O. Mooiweer, Enschede