Theologie
1999-07-09
Naar aanleiding van de commotie als gevolg van de plannen om de theologische opleidingen in Nederland te concentreren op een paar plaatsen, heeft dr. H.W. de Knijff in de Kroniek van het aprilnummer van Kerk en Theologie een beeld gegeven van de ontwikkeling die de beoefening van de wetenschap in het algemeen en van de theologie in het bijzonder heeft doorgemaakt in de laatste paar eeuwen. Een instructief verhaal, wellicht ook voor onze kerken, die dan wel niet op Groningen of Leiden zijn aangewezen, maar die wel Apeldoorn, Amersfoort en Utrecht kennen - om nu maar niet meer te noemen.- Jaargang 43
- nummer 14
Met excuus voor de wat hogere moeilijkheidsgraad dan u van mij gewend bent, neem ik een paar passages uit zijn verhaal over.
Eerst iets over de veranderingen in de beoefening van de wetenschap in brede zin: Men kan deze veranderingen goed demonstreren aan de universiteitsgeschiedenis van Europa en de geschiedenis van de telkens vigerende wetenschapsopvatting.
Voor 1750 is de kennisopvatting ‘kosmologisch’ van aard. Zij is geworteld in de objectieve orde van dingen, de wetenschap zoekt kennis binnen een zijnsopvatting, die de eenheid van de totale werkelijkheid veronderstelt en waarin theologie en filosofie als bezigheid vaak nauwelijks te onderscheiden zijn: het gaat beide om het wezen van alle dingen, God inbegrepen. Vanaf ongeveer 1750 verlegt zich het referentiepunt van de wetenschap naar de mens, het wordt ‘antropologisch’. Dat juist hiermee de empirische wetenschappen tot bloei komen, lijkt daarmee tegenstrijdig, maar is het niet: het denken wordt vanuit de waarnemende mens constructief uitgebouwd. Het kost de nodige moeite om al dit weten onder te brengen en zich aan het stijve en al te globale oude ‘kosmologische’ kader te ontworstelen.
De negentiende eeuw wordt een eeuw van telkens nieuwgestichte leerstoelen, die aan nieuwontdekt weten gestalte geven.
Was eerder de ‘homo universalis’ het ideaalbeeld, thans wordt de ‘persoonlijkheid’ ideaal.
Enerzijds leert de student nu een vak, anderzijds houdt hij ook een beetje het imago van geleerde.
Echter - en nu komt ook de theologie in beeld: In de tweede helft van onze eeuw blijkt deze structuur inadequaat om het snel groeiende weten te organiseren en over te dragen; de academische kennis dreigt haar maatschappelijke relevantie en functionaliteit te verliezen.
De student raakt in toenemende mate in verlegenheid bij de praktijk van zijn vak, dat hij zich meestal pas door werkervaring eigen moet maken - hetgeen nog al eens mislukt of toch maatschappelijk onbevredigend blijft.
De dominee van voorheen kende Latijn en wist hoe Augustinus preekte, maar had geen idee van catechetiek, pastorale psychologie of homiletiek, om nog niet eens over de algemene maatschappijproblemen te spreken.
Geen wonder, dat sinds 1950 met grote nadruk de roep om ‘meer praktijk in het theologisch onderwijs’ klinkt - en die roep klinkt nog steeds, ondanks ingrijpende veranderingen in genoemde richting.
Inderdaad zijn de veranderingen niet gering geweest. Vergelijkt men het theologisch curriculum van vandaag met dat van vijftig jaar geleden, dan moet men vaststellen, dat het aantal praktische vakken (zelfs in de vorm van begeleide praktijk) aanzienlijk is toegenomen en dat de omvang van de klassieke leerstof (kerkgeschiedenis, talen, exegese, dogmatiek) navenant is afgenomen. Bij de meeste vakken krijgt men nauwelijks meer een totaalbeeld van de betreffende discipline, alleen bij het doctoraal hoofdvak is dit op een met voorheen vergelijkbare wijze het geval.
De praktische theologie is zelf een fraai voorbeeld van deze ontwikkeling.
Zocht men hiervoor vroeger een begaafde dominee of zelfs beoefenaar van een andere discipline, thans is de praktische theologie uitgegroeid tot sterk verschillende subdisciplines (men vergelijke eens liturgiewetenschap met catechetiek!), die zelfs niet meer door één persoon behartigd kunnen worden. Het beeld van de oude praktische theoloog is dat van de ‘persoonlijkheid’, die door voorbeeld, karakter en overtuiging zijn leerlingen tot hun aanstaande beroepsuitoefening inleidt; het beeld van de huidige practicus is dat van een wetenschapper, die niet alleen de specifieke theorie van zijn (sub)discipline (met inbegrip van de overeenkomstige attitude), maar ook de gedifferentieerde kunde van de praktische toepassing beheerst. Een vakgroep ‘praktische theologie’ telt thans doorgaans een groter aantal docenten dan de hele theologische faculteit van een eeuw geleden. Geen twijfel aan, ondanks de aanhoudende roep om meer: de huidige predikant komt voor de praktijk aanzienlijk beter beslagen ten ijs dan vroeger.
Maar besef van wat theologie in haar volle omvang werkelijk inhoudt, is veel zeldzamer en moeilijker verwerfbaar geworden. Het onderwijs heeft zich gefunctionaliseerd en de beroepsuitoefenaar is thans ook veel meer een functionaris dan de drager van een ambt.
Wat voor soort dominee hebben wij als kerken eigenlijk nodig? Iemand die de Schrift grondig uitlegt, of liever iemand die pakkend en niet al te moeilijk preekt? Die de pastorale psychologie goed beheerst, of het Woord van God in de huizen brengt?
Iemand die thuis is in de wereld van de bijbel, of in de wereld van vandaag?
Nee, ik weet wel: dat zijn natuurlijk allemaal geen tegenstellingen - maar het zijn wel accentverschillen.
En het kan geen kwaad om daar af en toe eens bij stil te staan.
En dan denk ik aan de woorden die ds. H. Smit op de laatste Landelijke Vergadering sprak, bij zijn afscheid als studiebegeleider.
Releverend aan de roep om meer praktijk in de opleiding, zei hij: “Ik hoop dat u bewaard blijft voor die nare overgang, waarbij eerst wordt gezegd: die specialisten hebben de studenten alles van niets geleerd, nu is het breder geworden, nu leren zij niets van alles....”
M.H.T. Biewenga, Emmeloord