De psalm van de drie felicitaties

1999-07-23
  • Jaargang 43
  • nummer 15
'Welzalig' is een woord dat wij in het dagelijkse spraakgebruik niet gauw in de mond zullen nemen. De mensen zouden raar kijken als we het deden.
'Gefeliciteerd', dat is wat wij in plaats daarvan zeggen.
Het gaat bij het woord 'welzalig' om een felicitatie.
En zo staan er in Psalm 84 drie van zulke felicitaties.

In vers 5: 'Welzalig zij die in uw huis wonen', in vers 6: 'Welzalig de mensen wier sterkte in U is' en in vers 13: 'Welzalig de mens die op U vertrouwt'. Over elk van die drie felicitaties wil ik iets zeggen.

In de eerste gelukwens horen we iets van jaloezie.
Een pelgrim is aan het woord, die op weg is naar de tempel in Jeruzalem. Hij verlangt er sterk naar om het heiligdom binnen te gaan.
Maar hij is slechts een pelgrim, een vluchtige bezoeker van de tempel.
Hij komt en hij gaat. Wat moet het niet zijn om daar in de tempel te wonen, er dagelijks in te verkeren, overweegt hij.
Hij denkt aan de priesters en de levieten, hij denkt zelfs aan de vogeltjes die daar in het tempelcomplex hun nestje hebben gebouwd. En hij is jaloers: zij wel, maar hij niet.
Waar hij thuis is, waar hij woont, dat is de wereld.
En dat is ook de wereld van de goddeloosheid.
Daartussen te wonen, dat kan hem wel eens te veel worden. En zo hoor je hem verderop in de psalm, in vers 11, verzuchten: 'Want één dag in uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik wil liever staan aan de drempel van het huis mijns Gods, dan te verblijven in de tenten der goddeloosheid'.

Ja, inderdaad, wat zijn dan diegenen te benijden die in de tempel niet maar even aan de drempel staan, maar die dag in dag uit in de tegenwoordigheid van de heilige God mogen zijn. Jaloers is hij daarop: 'Welzalig zij die in uw huis wonen, zij loven u gestadig'.

Kennen wij ook iets van die jaloersheid? Het kan je zomaar overkomen na het luisteren naar het nieuws, dat het je allemaal teveel wordt, dat je uit deze wereld van de goddeloosheid weg wilt, dat je wilt zijn waar de Here God woont, in die sfeer van zuiverheid en heiligheid die Hij om zich heen heeft.

Wat dat betreft heb ik mijzelf als dominee wel eens bevoorrecht gevoeld.
Altijd bezig te mogen zijn in de dingen des Vaders. Er zijn ook wel mensen geweest die dat met iets van jaloersheid tegen mij gezegd hebben: 'Wat lijkt me dat mooi toe', zeiden ze dan. En eerlijk, het is ook mooi. Ik weet wel, er zitten ook andere kanten aan. Maar dit is er toch zeker ook één.

We gaan naar de tweede felicitatie: 'Welzalig de mensen wier sterkte in U is'. Eigenlijk feliciteert deze pelgrim nu zichzelf.
Hij heeft zich eerst vergeleken met de priesters en de levieten en voelde toen iets van afgunst: zij wel, maar hij niet. Nu vergelijkt hij zichzelf met degenen die zelfs dat pelgrim-gevoel niet kennen, die maar voortstappen door het leven zonder ooit de tempel op te zoeken. Die heb je ook, overweegt hij. En wat ben ik dan bevoorrecht met die drang in mijn leven om van tijd tot tijd voor God te verschijnen!

Daar krijgt het leven toch een heel ander aanzien door. De dichter maakt dat duidelijk aan de hand van een voorbeeld. 'Als zij', die pelgrims, van wie ik er één ben, 'als zij trekken door een dal van balsemstruiken, dan maken zij het tot een oord van bronnen' (vers 7). Wat bedoelt hij? Een dal van balsemstruiken, dat is een kurkdroog dal. Je ziet er in het warme land tegenop er doorheen te trekken. Maar...je hebt de tempel in je hart en dat maakt alles anders. Daar wordt dat droge dal een oord van bronnen door. Je kijkt gewoon anders tegen het leven aan, je ziet om zo te zeggen alles door een rose glaasje, zoals verliefde mensen dat hebben.

Als je in je hart die gebaande wegen naar de tempel hebt en dat verlangen om daar God te ontmoeten, wel, dan kun je in het leven tegen een stootje. Dus wat zien we?
Eerst keek deze pelgrim met jaloersheid naar degenen die in de tempel woonden. Wat miste hij in vergelijking met hen veel.
Maar dan bekijkt hij zichzelf door de ogen van de wereld en zegt hij tegen zichzelf: 'Wat héb ik veel!' Doet u dat wel eens, uzelf bekijken door de ogen van de wereld? Soms hoor je iemand uit de wereld tegen je zeggen: 'Ja, jullie, jullie hebben de kerk, waardoor je veel mensen kent en niet behoeft te vereenzamen. Jullie hebben je geloof, waardoor je anders tegen de dingen aankijkt. En dan zeg je tegen jezelf: 'Ze hebben gelijk; ik mocht daar wel eens wat meer dankbaar voor zijn. Ik bén ook te feliciteren! Ik bén ook bevoorrecht!'

Eén van die voorrechten noemt de dichter dan. Hij kan bidden. 'HERE, God der heerscharen, hoor mijn gebed, neem ter ore, o God van Jakob!' (vers 9). De tempel is vóór alles een huis des gebeds.
En dat geldt net zo voor de kerk: huis des gebeds, plaats waar een mens zijn hart mag uitstorten voor God. Zoals de psalm zegt: 'Alles, alles, wat mij benauwt, heb ik de Here toevertrouwd' (Ps 142 : 1, berijmd). Dat kunnen bidden, wat is dat iets geweldigs!
Wat mooi, dat Psalm 84 dat ook noemt!

Maar dat bidden, dat kan ook buiten de tempel en dat is niet aan de kerk gebonden. Tempel en kerk zijn niet meer dan een middel, het gaat om God zelf. En zo zie je dan ook, naar het einde van de psalm toe, dat de tempel wat uit het gezichtsveld verdwijnt. En in de plaats daarvan komt God zelf te staan: 'Want de HERE God is een zon en een schild, de HERE geeft genade en ere; het goede onthoudt Hij niet aan hen die onberispelijk wandelen' (vers 12).

En zo naderen we dan de derde felicitatie op het eind van de psalm: 'Welzalig de mens die op U vertrouwt'. Hier valt
de nadruk niet langer op de priesters en de levieten die in de tempel wónen, zoals in de eerste gelukwens.
En ook niet langer op de pelgrims die naar de tempel gáán, zoals in de tweede felicitatie.
Maar hier valt alle nadruk op degene die midden in het leven staat en midden in de wereld leeft en die dáár op de Here vetrouwt.
Ik kan het ook zo zeggen: De tempel en het pelgrimeren erheen, de kerk en de kerkgang, zij zijn slechts het middel om te komen tot het doel.
En het doel is dat we midden in de wereld, met al de stuitende goddeloosheid daarin, van terrorisme tot kinderporno, ons vertrouwen stellen op God en aan zijn hand door het leven gaan. Als kerk en kerkgang daar niet op uitlopen, dan zijn ze waardeloos. Dan zijn ze niet anders dan een vlucht uit de wereld.
En zo heeft God het niet bedoeld. Hij is en blijft de Schepper van deze wereld en Hij heeft er ons in geplaatst. Christus bad daarom: 'Vader, Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen in de wereld bewaart van de boze' (Joh 17 : 15).
Inderdaad, 'Welzalig de mens die in deze wereld op U vertrouwt!' En zo is de laatste felicitatie toch de mooiste van de drie.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief