Van wie is de tijd?
1999-07-23
Wij komen in onze geseculariseerde en verindividualiseerde wereld steeds meer onder de invloed van de gedachte, dat de tijd van ons is, dat wijzelf de enigen zijn die er zeggenschap over hebben en erover kunnen beschikken.- Jaargang 43
- nummer 15
Als iemand een beroep op ons doet, zullen we zelf wel uitmaken of we het belangrijk genoeg vinden om erop in te gaan en of we onze eigen belangen en genoegens er een poosje voor opzij willen zetten. Het besef dat onze uren en onze tijd van God zijn, dat Hij het beschikkingsrecht erover heeft, zinkt steeds verder weg en dreigt helemaal te verdwijnen. De devaluatie van dat besef gaat ook onze deur niet voorbij.
Wie van ons kent er geen voorbeelden van uit zijn of haar eigen leven? Wie van ons kan bij zichzelf niet aanwijzen dat hij of zij persoonlijke genoegens en plannen liet prevaleren boven het beroep dat op hem of haar gedaan werd om zich in te zetten in dienst aan het evangelie?
Dat kan variÎren van een avondje sporten of naar de film gaan ten koste van een broeder of zuster die je juist op dat moment hard nodig heeft, tot het zich volledig gedeisd houden en zich niet beschikbaar willen stellen voor welke dienst aan het evangelie dan ook.Wij delen onze tijd zelf in en wijzen daarbij God al dan niet een plekje toe. Sommigen zeggen: God krijgt van mij één avond in de maand of in de week. Bij wie heel gul is, krijgt Hij misschien twee avonden in de week. Maar de van rest van onze tijd moet hij afblijven, vinden we. Die is voor ons. Daar doen we mee wat we zelf willen. Ik denk dat we allemaal door het virus van deze instelling zijn aangetast en dreigen te ontzinken aan het besef dat we niet autonoom zijn in het beschikken over tijd. De ouderlingen van Efeze beschikten niet automatisch over hun tijd. Er kwam een afgezant van Paulus bij hen en ze namen afscheid van hun vrouwen, hun kinderen en hun relaties en vertrokken naar Milete. Het kan in onze tijd geen kwaad het aspect van de tijdsbesteding eens aan de orde te stellen. De ouderlingen van tegenwoordig hoeven nauwelijks te verwachten dat ze pardoes voor een kleine week ergens ver weg ontboden worden. In de huidige maatschappij zal een dergelijke claim wel niet meer op hen afkomen. Maar wat hun uren en avonden betreft en ook wat betreft het al of niet beschikbaar willen zijn voor werk binnen de gemeente van Christus, is dit punt actueler dan ooit.We doen er goed aan - en dan heb ik niet alleen het oog op ambtsdragers - ons af te vragen of er in dit opzicht bij ons misschien iets veranderen moet.
M.R. van den Berg