Geeft (on)geloof rust? (3)
1999-09-03
In een eerste artikel ging ik in op de vraag hoeveel de rust van het ongeloof waard is? Is innerlijke vrede mogelijk, als je denkt aan de buurt waarin je woont of aan het journaal, dat elke dag weer met 1001 varianten van dood en onrecht komt. Toch komt die vraag als een boemerang bij je terug!- Jaargang 43
- nummer 18
Want is er in geloof wèl rust te vinden, te midden van onrecht, zonde, dood?
Dat is een vraag, die je niet uit de weg kunt en waaraan ik een tweede artikel besteedde.
Een eerste rustpunt is te vinden in de bijbelse boodschap van de schepping, waardoor mens en wereld op hun plaats vallen, zoals de stukjes van een puzzel.
Een langer verhaal is nodig als het gaat om de kwaadaardige onruststokers van dood, onrecht, zonde en ziekte, die stuk voor stuk krachtig genoeg zijn om ons tot in het diepst van onze ziel te verontrusten.
Rustgevend?
Slechts een enkele bijbelse bladzijde is gewijd aan de schepping, daarna volgt het getuigenis dat God ook na de grote ontwrichting van mens en wereld een nieuwe weg heeft gezocht. God koos ervoor om het niet op een akkoordje te gooien met de machten van de duisternis, maar die te lokaliseren, te benoemen en te bestrijden. In dat hele proces heeft God van meet af aan mensen 'door het geloof' betrokken.
Maar als je tot zover gekomen bent - en zo ver was ik aan het eind van het tweede artikel - is het niet gek om eerst maar eens de vraag te stellen of je dit project van God wel zo rustgevend kunt noemen. Want het brengt op het eerste gezicht juist allerlei nieuwe onrust met zich mee.
De scherpe diagnose van het evangelie geeft een onrustig gevoel. De aansporing om in verzet te gaan tegen zonde, dood en onrecht betekent strijd en ongemak. Dat je daarin niet alleen moet letten op je eigen belang, maar ook op dat van anderen, betekent opnieuw onrust.
Allemaal onrust in geloof (Gezang 484).
Precies zoals Jezus het zei, dat "de Mensenzoon geen plaats heeft om het hoofd neer te leggen"
(Mattheüs 8:20). Dat voel je zodra je in de voetstappen van onze Heer treedt en partij kiest tegen zonde, onrecht, lijden en dood.
Dat alles maakt de vraag naar de rust, die in geloof te vinden is, des te prikkelender.
Want er moet toch iets van Rust met een hoofdletter te vinden zijn, wil het evangelie werkelijk goede boodschap zijn?
Perspectief
Ik zou een viertal rustpunten willen noemen, die stuk voor stuk een uitnodiging zijn om de weg van Jezus in te slaan.
In de eerste plaats denk ik aan het perspectief van een uiteindelijke verlossing: 'Toch overwint eens de genade' (Gezang 297).
Eigenlijk vind je dat perspectief al direct in het begin van de bijbel, als de zonde voor een diepe breuk heeft gezorgd tussen God en mens. Waarbij je direct voelt dat deze breuklijn, niet als vanzelf weer zal helen.
Integendeel, het vervolg maakt duidelijk, dat het kwaad besmettelijk is en het vermogen heeft om te woekeren en zich voort te planten. Voor de heling (zo is de indruk die vanaf het begin gewekt wordt) zal een geweldige inspanning nodig zijn - grotendeels van de kant van God zelf. En toch is er ook vanaf dat eerste begin het perspectief van een uiteindelijke overwinning op de duisternis van dood en zonde. Want God zegt vrijwel direct, dat die duisternis, met als beeld de slang, overwonnen zal worden. God zegt tegen de mens: "Het zal u de hiel vermorzelen, maar gij zult het de kop vermorzelen".
De aarde draait dus niet tot in eeuwigheid onverlost door.
En dat is toch een dijk van een bericht! Eens zullen de onruststokers van dood en ziekte, zonde en onrecht het veld ruimen.
Eens komt de grote zomer (Gezang 288). Dit perspectief is kenmerkend voor de bijbelse boodschap en onopgeefbaar.
Als je die goede boodschap van een nieuwe mens en nieuwe aarde aanvaardt en beaamt, dan valt er ook nieuw licht over de oude mens en de oude aarde. Vergelijk het maar met het bericht dat er een medicijn is uitgevonden tegen een venijnige vorm van kanker, waar je zelf aan lijdt.
Dat bericht maakt de ziekte niet anders, de pijn niet minder, maar het perspectief is 180 graden gedraaid. Die impact heeft een woord als 'zie Ik maak alle dingen nieuw'.
Dat is hèt christelijk vooruitzicht, dat ons in het hier en nu een nieuw perspectief wil geven.
In ongeloof moet je het zonder dat perspectief doen en is er geen enkele aanleiding om te denken, dat het met deze wereld nog eens beter zal worden.
Zeker niet na de eeuw, die we bijna hebben afgesloten.
Always winter and never Christmas
Alleen, gemakkelijk is het niet om die boodschap van uiteindelijke verlossing werkelijk een plaats te geven in je leven hier en nu. Zodat dat perspectief van de uiteindelijke verlossing ook in het hier en nu al vrede en rust brengt.
Dat komt alleen al omdat dat nieuwe zo pijnlijk ver weg lijkt. Wat ogen mens en wereld oud als het evangelie de nieuwe mens en de nieuwe aarde ter sprake brengt. Het lijkt wel een beetje op een hele koude winterdag in februari, met een venijnige noordoosten wind. Als je dan even op het balkon van je flat gaat zitten, vol in de wind, dan is het toch onvoorstelbaar dat je daar twee maanden later in je korte broek zit te puffen.
Het evangelie heeft wel iets van een boodschap over een grote zomer, terwijl de kou je door de kleren snijdt. En dan valt het niet mee om van die boodschap van de lange termijn in het hier en nu warm te worden. Het lijkt vaak nog zo onvoorstelbaar ver weg, die verlossing van dood en onrecht en zonde. Want midden in het leven zijn wij met de dood omgeven. Het is 'always winter and never Christmas' zoals Lewis de faun laat zeggen in één van zijn Narnia-verhalen.
De vraag is dan of het evangelie je in deze specifieke moeite tegemoet komt en steun biedt.
Therapeutisch
Ik denk om te beginnen aan al die keren, dat ik in de bijbel merk, dat ik niet de enige ben, die heb te leven met een perspectief waarbij de werkelijkheid van het hier en nu zo afsteekt.
Bemoedigend om te merken dat door de tijden heen diezelfde pijn van het onverloste leven is gevoeld. Wat is er gezucht, geklaagd, getreurd en gekleumd. Je vindt dat in de psalmen: hoe lang nog moet ik in het zwart gaan (Psalm 43). Hoe lang nog, o God. Tot in het boek Openbaring toe, waar de martelaren roepen om wraak over dat wat ze is aangedaan. En ook daar met die woorden: tot hoe lang nog (Openbaring 6:10)! Dat geeft herkenning voor hier en nu - we zijn niet de eersten, die gebukt gaan onder het onverloste van mens en wereld. Het is bijna wat therapeutisch - als een moderne praatgroep met mensen die aan dezelfde moeite lijden als jij.
Ik denk, dat een mens in ongeloof ook wel eens zal verzuchten: moet dit altijd maar zo doorgaan ... hoelang nog? In geloof heb je dÏt plus, dat je zulke verzuchtingen eerder hebt gehoord uit de mond van Godvrezenden. Waarbij komt - en dat is van groot gewicht - dat die voorgangers zich met hun klacht tot God hebben gericht: hoe lang nog, o Here. Dus geen verzuchting, die in het intermenselijke blijft steken of het lege heelal wordt ingeslingerd, maar als een bede met adres. Zoals één van de psalmisten het aanbeveelt: "Werpt al uw bekommernissen op Hem en Hij zal voor u zorgen"
(Psalm 55).
Schuilen
Het derde punt zit weer dicht tegen het vorige aan. Want dat therapeutische is niet het enige. In de psalmen vooral worden hartekreten als 'hoelang nog' afgewisseld met getuigenissen van intense nabijheid van God. Het zijn momenten, die iets hebben van schuilen.
Zoals je onder een boom schuilt voor een pittige maartse bui. Dat is echt iets anders dan thuis zitten bij de warme kachel.
Maar toch! Of in oorlogstijd.
Schuilen (of onderduiken) was iets heel anders dan in alle vrede thuis zitten bij je gezin.
Maar toch! Wat zijn zulke schuilplaatsen tot een zegen geweest voor mensen, die bedreigd werden met gevangenschap en dood. En bij alle ongerief ontkwamen ze al schuilend aan veel groter kwaad.
Zo vind je ook in de psalmen het motief van het schuilen. De kwaadaardige onruststokers zijn er nog. Dreigend aanwezig zelfs en soms is er ook lijden door terreur of ziekte.
Net als vandaag. Je merkt aan alles, dat de definitieve verlossing nog ver is. Maar er is bij God wel te schuilen tegen het grootste kwaad.
Psalm 91 is daarvan een indringend voorbeeld. Dat is echt Schuilen met een hoofdletter, zo onaantastbaar is de toegezegde schuilplaats bij God - "Al vallen tienduizenden rondom u, tot u zal het niet genaken". Je ziet, bij wijze van spreken, de stormloop van 1944 op de kust van Normandië voor je. Het schuilen van psalm 91 heeft bijna de trekken van een volkomen verlossing van die ene. Toch blijft het schuilen, want in vers 15 lees je: "Ik zal in de benauwdheid bij hem zijn, Ik zal hem uitredden en tot ere brengen". Het kwaad is dus nog niet de wereld uit en dan is het schuilen. Zoals ook psalm 23 het bezingt: "Al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij me". Ook dat is schuilen.
Tekenen
Mijn vierde punt gaat nog weer een stapje verder.
Want het is in de bijbel niet alleen maar schuilen tegen het kwaad. Je hoort daarvoor te vaak over heuse verlossing van de duistere machten. Als David vergeving ontvangt over het kwaad dat hij met Bathseba begaan heeft. Als Hizkia van zijn ziekte geneest en nog vijftien jaar extra te leven krijgt. Als Israël uit de ballingschap terugkeert (Psalm 126). En zo is er zoveel te noemen. In elk van die gevallen is er geen sprake van de totale verlossing, maar is het een soort pars pro toto. Het is een vlaggetje van Gods verlossing, geplant in onze werkelijkheid, als teken van het grote dat komen zal. In het bijzonder bij dit vierde punt moet ik aan Jezus denken. Als je ergens wilt zien dat het evangelie toch vooral een boodschap van verlossing is, dan in Hem. Jezus, de sleutel tot het geheim van Gods verlossing. Lezend in het evangelie ontmoet je in Jezus, die verlost door te genezen en te vergeven, even zovele verwijzingen naar de uiteindelijke verlossing van zonde, ziekte en dood.
Rust vinden
Is er in geloof rust te vinden?
Dat was de vraag van het tweede en derde artikel, nadat ik in het eerste toch niet anders kon zeggen, dan dat een weg zonder God, maar met journaal mij zo uitzichtloos voorkomt. Maar juist dat perspectiefloze prikkelt tot de vraag of er wél rust te vinden is in de weg van het christelijk geloof. Ik kom dan toch weer uit waar ik vier weken geleden begon (Mattheüs 11:28). Of eigenlijk een klein stukje verder, want ik land nu bij het tweede deel van Jezus' uitnodiging. Want juist in dat vervolg bespeur je iets van de lange weg, die nog te gaan is voor ieder die aan Jezus uitnodiging gehoor geeft.
Jezus zegt namelijk: "Leert van Mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart en U zult rust vinden voor uw zielen"
(Mattheüs 11:29). Dat is dus geschonken rust, die vervolgens in een lang proces bevochten moet worden met de eigenaardige wapens van zachtmoedigheid en nederigheid.
'U zult rust vinden', zegt Jezus, nadat Hij begonnen is met te zeggen 'Ik zal u rust geven'.
'Rust vinden' - laat ik daarmee dan nog één keer het traject van de laatste twee artikelen langs gaan. Dan wordt het: rust vinden, elke keer als je thuis komt in de boodschap van de schepping; rust vinden, omdat je getroffen wordt door het bijbels realisme en de scherpe diagnose van de kwalen van mens en wereld; rust vinden, omdat de oproep tot verzet tegen zonde, onrecht en dood zoveel meer uitstraling heeft dan het compromis; rust vinden in de praatgroep van de bijbelse getuigen met hun bange vraag: 'hoelang nog'; rust vinden, omdat er bij God te schuilen is; rust vinden, omdat er tot op vandaag tekenen van Gods verlossing zijn; rust vinden, omdat de bijbelse getuigen ons in alle toonaarden verzekeren, dat deze wereld niet altijd oud zal blijven, maar nieuw zal worden. Rust vinden, tegenover de onruststokers van dood, lijden en zonde. Rust vinden door onrust heen, die de boodschap van Gods komend Koninkrijk met zich meebrengt. Jezus nodigt uit tot die weg, die zoveel vóór heeft boven de weg van ongeloof.
Meer dan Hij deed kunnen ook wij niet doen. Zo zijn deze artikelen ook niet bedoeld als bewijs, laat staan gebod, maar vooral als uitnodiging, vanuit de overtuiging dat in geloof een diepere rust te vinden is dan in ongeloof.