Een oogstfeest in een Tala Ingod dorpje

1999-09-03
  • Jaargang 43
  • nummer 18
Arjen Treurniet verbleef zes maanden in de oerwouden van Centraal Mindanao (Filipijnen) bij de Tala ingod Manobo stam om onderzoek te doen tijdens zijn stage Rurale ontwikkelingssociologie.
Een korte impressie.

Met stramme benen stapte ik van de motor af, nadat Dolfi voor zijn huisje gestopt was en z'n motor uitgezet had. Drommen kinderen, maar ook volwassenen dromden om ons heen, en Dolfi begon al z'n eerste praatje met een woest uitziende Manobo (gekleed in een korte rode broek met aan zijn zij een grote bolo (kapmes), en op zijn hoofd een - onder andere met haar - versierde kunstige rode doek) die waarschijnlijk een bagani (een Manobo- krijger) was. Gezien het feit dat hij niet alleen een rode hoofddoek, maar ook een rode broek had, was het zelfs waarschijnlijk dat hij een zogenaamde luto was. Bij de Manobos is er namelijk een hiërarchie binnen de categorie van krijgers, die gebaseerd is op het aantal mensen dat een krijger vermoord heeft.
Bij deze luto, een van de hoogste rangen, was het redelijk te veronderstellen dat hij vijf à tien mensen vermoord had, wat hem de gunst van de vele oorlogsgeesten bezorgde, zo vertelde Dolfi mij later.

Vriendelijk
Ik sjouwde m'n rugzak, de ton met de spullen van Dolfi en wat levensmiddelen het huisje in en liep toen terug naar Dolfi die nog steeds met de bagani en nu ook met wat andere Manobo mannen stond te praten. Ik ging erbij staan en ik glimlachte vriendelijk naar de mannen terwijl ik ze een hand gaf en even met mijn hoofd knikte toen Dolfi mij aan hen voorstelde.
Dolfi, een stevig gebouwde Zwitser met een baard en een easy-rider-petje op zijn hoofd, absoluut niet lijkend op het stereotype van een zendeling wat me voor ogen stond toen ik nog in Nederland was, vertelde me wie de Manobo mannen waren aan wie ik net voorgesteld was. De bagani bleek Butigon te heten, en hij was datu (hoofdman) van het dorpje Bialong waar we zojuist gearriveerd waren om een feest mee te maken ter ere van de rijstoogst.

Nadat we aan elkaar voorgesteld waren, was het eerste wat ik vervolgens deed m'n gezicht dat vol met stof van de reis zat enigszins schoon maken met wat water dat uit een rots stroomde. Ik vulde de vier jerrycans die ik meegenomen had naar het stroompje, met water en liep weer naar het huisje
van Dolfi. Hij was ondertussen met datu Butigon in een gesprek gewikkeld over hoe de verschillende talen van de verschillende volken moesten zijn ontstaan.
Volgens Butigon was dit eigenlijk een onzinnige vraag, omdat het meer dan logisch is: paarden hebben immers ook een andere taal dan varkens of carabaws (waterbuffels).
Dolfi vertelde ook zijn ideeën over het ontstaan van verschillende talen door te vertellen over het verhaal van de toren van Babel. Datu Butigon gaf toe dat dit ook lang niet onwaarschijnlijk klonk. Na dit gesprek ging Butigon over op een ander onderwerp: de gast die Dolfi meegenomen had. Hij was eigenlijk wel benieuwd wie ik precies was en wat ik kwam doen. Via Dolfi, die vloeiend manobo sprak, wilde hij het één en ander over mij te weten komen.

Simpel motto
Ik wist dat ik voorzichtig moest zijn met wat ik zou antwoorden, omdat ik de ervaringen had gehoord van een andere student die voor onderzoek met Dolfi was mee gekomen en die in zijn onwetendheid had verteld dat hij bezig was om te onderzoeken hoe Manobos geholpen zouden kunnen worden op landbouwkundig gebied. Alle Manobos (die toch al vanuit hun cultuur een vrij simpel motto hebben ten aanzien van alle niet-Manobos: 'pluk ze') die dit hoorden, hadden vervolgens bij welk gesprek met deze student dan ook, maar één streven en dat was: geld en middelen los zien te krijgen door goed duidelijk te maken hoe arm ze waren en met hoe weinig gereedschap ze hun stukjes land bewerkten (met de shifting cultivation methode; een methode waarbij elk seizoen een nieuw stukje oerwoud gekapt en bebouwd wordt, zodat eerder gebruikte stukjes land te tijd hebben om zich te herstellen). Aangezien ik toch hoopte enigszins correcte antwoorden bij mijn onderzoek te krijgen, probeerde ik het op een andere manier. Ik vertelde dat ik voor onderzoek hier was en dat ik eigenlijk alleen zo veel mogelijk over de Manobos en hun cultuur wilde weten om het daarna aan mijn docent te kunnen vertellen die hen tenslotte nog niet kende. Dit was voor datu Butigon een bevredigend antwoord, en hij begon een betel-nut (een soort noot die gekauwd wordt, een oppeppende werking heeft, en de tanden helemaal bruin-rood kleurt) voor mij klaar te maken. Hij verzekerde Dolfi nadrukkelijk dat als ik iets wilde weten, hij altijd bereid was om te vertellen wat ik maar wilde. Ik vertelde datu Butigon dat ik hoopte dat hij mij in de komen- de -korte- periode dat ik in Bialong zou zijn, een folktale kon vertellen waarin iets over normen van een goed datu-schap duidelijk zou worden. In mijn onderzoek wilde ik namelijk het één en ander over verschillende Manobo-normen te weten komen, en deze worden overgeleverd van vader op zoon in verhaalvorm.

Grote bos kroeshaar
Ondertussen begon het buiten steeds rumoeriger te worden en toen we naar buiten gingen, zagen we dat er verschillende groepen Manobos in het dorp arriveerden, om het oogstfeest met hun familie mee te maken. Dolfi ging snel zijn motor in z'n kleine schuurtje zetten om te voorkomen dat deze om zou vallen door een per ongeluk er tegenaan leunende Manobo. Ik bewonderde ondertussen stilletjes de Manobos die net gearriveerd waren.
Ruig uitziende, gespierde mannen met allemaal een gigantische grote bos kroeshaar. Op blote voeten, amper gekleed, maar allemaal met de karakteristieke bruin-zwarte beenbandjes onder hun knieën en zonder uitzondering een grote bolo aan hun zij. Sommigen hadden een lange speer of een boog met bijlen bij zich en een enkeling droeg een lang geweer over z'n schouder. Deze mannen waren, samen met hun vrouwen die er al even karakteristiek uitzagen met hun nek-kettingen en de stukjes hout in de grote gaten van hun oorlellen, en kinderen, afkomstig uit enkele van de kleine dorpjes die diep in het oerwoud liggen.
Deze dorpjes liggen nog dagen lopen van Bialong, alleen toegankelijk over hele smalle steile bospaadjes, op plekken waar geen blanken of andere niet-Manobos komen vanwege de ontoegankelijkheid van het gebied.

Muziek
Tegen de tijd dat het donker begon te worden was het lawaai in het dorp buitengewoon geworden.
Maar dit was alleen nog maar het begin, omdat men nog moest beginnen met muziek maken. Op een gegeven moment ontstond dit ergens midden in het dorp. Een Manobo man begon op een kuglung (een tweesnarig gitaar-achtig instrument) te spelen, terwijl een Manobo vrouw haar saluroy (een vijf-snarig harp-achtig instrument) ter hand nam en begon te zingen. De man en de vrouw dansten ondertussen om elkaar heen, terwijl de menigte er omheen met luid gejoel en gejuich hen aanmoedigde zodat van de muziek niet veel meer te horen was.
Even later begonnen op een andere plek vier vrouwen op een boomstam te spelen met hun rijst-stampers.
De vrouwen brachten op dit instrument (een bankakol), een soort ritme voort wat het best vergeleken kan worden met 'akoestische house-muziek'.
Een opzwepend regelmatig ritme, waarbij door een vrouw met haar stok voor de variatie gezorgd werd. Terwijl de vrouwen dit instrument bespeelden, 'dansten' ze tegelijkertijd er ook nog op een bepaalde manier bij, zodat er een opzwepend geheel ontstond dat - tezamen met de joelende menigte- in hoge mate bij droeg tot de feestvreugde.

Feestvarken
Om een uur of tien 's avonds kwam dat u Butigon Dolfi en mij waarschuwen dat het slachten van het feestvarken spoedig zou beginnen. Dolfi vertelde me dat dit het centrale deel van het oogstfeest zou zijn, het slachten van het grootste varken. Later op de avond zouden er nog meer varkens geslacht worden maar deze eerste was toch het belangrijkste, omdat het bloed van dit dier ook als eerste gebruikt zou worden om de geesten gunstig te stemmen. We liepen snel achter Butigon aan naar de plek waar het varken al heen gebracht was door een stel mannen.
De poten van het gigantisch grote beest werden vastgebonden, en vervolgens werd hij op z'n kop aan een stevige tak gehangen. Bij het licht van enkele walmende fakkels waren een man of tien met dit klusje bezig terwijl anderen het beest met de punten van hun bolos aan het prikken waren zodat het beest zich woest brullend probeerde te verweren terwijl het hulpeloos aan de tak hing. Via Dolfi probeerde ik erachter te komen waarom het zo lang duurde voordat het beest daadwerkelijk gedood zou worden. Het bleek dat men wachtte op een bolo die speciaal voor deze gelegenheid door de tovenaar ingezegend moest worden. Na een kwartiertje kwam er een man aangelopen met het betreffende kapmes, terwijl de tovenaar klaarblijkelijk in zijn hutje bleef, misschien zich voorbereidend op het nuttigen van het warme varkensbloed dat even later bij hem gebracht zou worden. Een stevige tak werd nu in de strot van het varken geduwd, zodat het niet meer met zijn kop kon bewegen en eventuele omstanders zou kunnen bijten. Vervolgens stak iemand met vaardige hand de bolo in de nek van het beest zodat de halsslagader geraakt werd en het leven van het varken met een luid gebrul in een dikke rode straal de wond uit gutste. Alle Manobos die er omheen stonden schreeuwden het uit van vreugde, terwijl een van de Manobos probeerde het dikke bloed op te vangen in een teiltje.

Bloed
Toen het leven en het bloed helemaal uit het varken weg gevloeid was, en het gebrul was afgelopen, werd de teil die vol met dik schuimig bloed zat, haastig naar de tovenaar gebracht die er waarschijnlijk wat van zou drinken, en de rest aan de geesten zou offeren om hen gunstig te stemmen zodat de oogst niet aangetast zou worden door rot, ratten etc. Plotseling had ik het heel koud, ondanks de tropische tempe ratuur, en bleef ik met kippevel staan, toen ik terug dacht aan deze korte, macabere gebeurtenis, die precies aan gaf waar het in de Manobocultuur allemaal om draait: bloed. Bloed dat bedoeld is om de boze geesten (busaw) met hun eeuwige dorst naar bloed gunstig te stemmen. In de Manobo-cultuur bestaan er geen geesten die hen gunstig gestemd zijn, uitgezonderd oorlogsgeesten (tag busaw), die een bagani willen helpen, zolang dit verdiend is met de dood (het bloed) van tegenstanders.
In een onzekere wereld van oogsten die kunnen tegenvallen, ziekten die kunnen uitbreken, regens die kunnen uitblijven, of juist te overvloedig kunnen, zijn zoeken Manobos naar zekerheid. In een omgeving met verdwijnend oerwoud, toenemende druk op het land door een be- volkingstoename, en steeds grotere erosieproblemen proberen Manobos de natuurgeesten te behagen in de hoop dat ze niet met nieuwe tegenslagen ge confronteerd zullen worden.

Demonen
In deze omgeving werd ik mij meer bewust van de geestelijke wereld om ons heen. Ik werd me bewust van de macht die demonen over deze mensen hebben. Ze zijn gevangen in een web van angst voor deze boze geesten, dat hen verlamd en het moeilijk maakt hen te bereiken met de Blijde Boodschap van vrede en eeuwige zekerheid door Jezus Christus. Ik werd me echter ook bewust van het feit dat het onwaarschijnlijk is dat er bij ons, in onze westerse samenlevingen, veel minder demonen zouden zijn.
Misschien manifesteren ze zich in onze culturen minder in hun angstaanjagende vormen, maar sussen ze ons in slaap, terwijl wij ons niet bewust zijn dat het klauwen zijn die ons vast houden (om een beetje Peretti-beeldspraak te gebruiken), in plaats van liefdevolle armen van onze Liefdevolle Vader waar we in liggen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief