Is god God? (2)

1999-09-03
  • Jaargang 43
  • nummer 18
"Ja" zeiden we in de vorige Snipper. De volken die na de torenbouw de wijde wereld introkken hadden in hun bagage ook de kennis van de levende God. De gang van de mens door de geschiedenis is een riskante tocht in afhankelijkheid van en verantwoordelijkheid aan God. Hij was voortdurend present en liet dat merken ook. Hij was bekend en liet zich niet onbetuigd.
Maar Zijn naam raakte verloren. Het werd een tocht met een noodlottige afloop. Het beeld dat men van God meedroeg werd een karikatuur. De goede souvereine God werd een grillige manipuleerbare god.
Het beeld van de god van onderweg werd een bespotting van de God van het begin. Soms werd hij wel verward met een uit de oertijd nog bekende stamvader.
Continuïteit en discontinuïteit.
Is god God? Ja en nee tegelijk. Kennen en niet-kennen tegelijk. Paulus kan met heel veel reserves bij het kennen aansluiten wanneer hij de Atheners toespreekt en hij kan tegelijk aan de Korintiërs schrijven: "wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen die Hem liefhebben". Het is "ja" en "nee" tegelijk maar het "nee" klinkt toch duidelijker uit de Bijbel op. Het komt verscheidene malen voor: gij aanbidt wat gij niet weet; de onwetendheid van de heidenen; nu hebt gij echter God leren kennen. Maar tegelijk blijven die moeilijke woorden van Paulus in Romeinen 1 overeind staan: hetgeen van God gekend kan worden, is in hen openbaar, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn onder de heidenen present.
J.H.Bavinck heeft in dit verband de woorden "verdringing en vervanging" gebruikt."
God openbaart zich wel maar de mens drukt het onmiddellijk weg, verdringt het en drukt het naar beneden".
Hij wordt als een kenner die niet kent en een ziener die niet ziet. Zo verdringt hij God en vervangt Hem door een afgod. Dat hoeft geen bewuste daad te zijn maar het is er niet minder werkelijk om. Kijk je naar die god, hoe hij wordt gepresenteerd en hoe hij functioneert, dan is het besliste antwoord op de vraag: is god God, "nee". Maar achter de ongerechtigheid, de goddeloosheid waarin Gods majesteit is weggedrukt en waardoor Gods toorn werd opgeroepen, ligt nog iets van het besef van Gods eeuwige kracht en goddelijkheid weggescholen.
Iets van een zeker besef dat God er is, hoe onzuiver ook. Men kan er niets mee doen. Men kan er niet meer mee bij de levende God uitkomen. Men wil het misschien wel kwijt. Maar het is er nog wel, het is niet vernietigd. In de praktijk van het zendingswerk in Afrika waar men dagelijks de Zoeloe-god uNkulunkulu tegenkomt, hoede men zich voor beide uitersten. Eén uiterste in Afrika vind je daar waar de overgang van uNkulunkulu naar de Vader van de Here Christus maar een klein stapje is, een stapje van het Oude naar het Nieuwe Testament; het andere radicale uiterste dat je in Afrika maar weinig aantreft is, zoals Karl Barth het formuleerde, dat elke religie die van god spreekt, totaal goddeloos is en God vóór wil zijn, een onmogelijk ondernemen. Het blijft "ja" en "nee". Ik voelde me altijd het meest aangesproken indertijd door de formulering van H.Bergema (De Boom des Levens in Schrift en Historie): antithetisch aanknopingspunt.

J.Vonkeman Richmond, Zuid-Afrika

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief