Een eigen weg?

1999-09-17
  • Jaargang 43
  • nummer 19
Reaktie op het artikel van ds H. de Jong
Uit de vruchtbare pen van ds H. de Jong is weer eens een artikel gevloeid dat, ditmaal zelfs expliciet, om een reaktie vraagt. Ds. de Jong vraagt ruimte voor een vrijzinnige houding, niet voor een vrijzinnig geloof, maar een houding om hardop te vragen of het wel klopt wat we altijd geloofd hebben. Die ruimte is er binnen onze kerken, en dat is een groot goed. Het is een ruimte die er in de kerk van Christus hoort te zijn.
Maar dat wil niet zeggen dat alle antwoorden ook aanvaardbaar zijn. Dat spreekt vanzelf, zou je denken. Maar ik ben er toch niet gerust op. Zo gebruikt ds de Jong het voorbeeld van de uitroeiing van de volkeren van Kanaän. Hij constateert dat we ons bij zulke woorden niet erg gelukkig voelen, en dat is inderdaad zo. Niet voor niets is er in Den Haag een oorlogstribunaal om criminelen uit het voor- malig Joegoslavië te berechten. Het valt ons dus hard te moeten horen, dat God volgens Mozes in Deuteronomium 7:2 opdraagt een aantal met name genoemde volkeren volkomen met de ban te slaan, dat is dus uit te roeien, inclusief vrouwen, kinderen en beesten.
Wat is daarop het antwoord van ds de Jong?
"Men heeft dat toen zo gedacht. Dat moet je niet zomaar rechtstreeks aan God toeschrijven".
Weliswaar voegt hij er een wat speculatieve overweging bij Jozua 5:14 aan toe, maar dat maakt het probleem alleen maar scherper, omdat God zich elders wel degelijk "vierkant achter Jozua schaart" om het met de woorden van ds de Jong zelf te zeggen. Maar in dergelijke woorden kunnen wij God niet zo goed herkennen. We moeten ons wel realiseren wat hier gebeurt. Volgens deze redenering wordt er in bepaalde gedeelten van de Schrift niet recht van God gesproken. De vrienden van Job werden om deze zonde ernstig bedreigd (Job 42:7,8). Het valt te vrezen dat de schrijver van het boek Deuteronomium, wanneer ds de Jong gelijk heeft, zwaar heeft moeten boeten.
Bovendien: hoe kennen wij God? We kunnen Hem pas echt goed kennen uit zijn Woord. Wie gaat nu beoordelen welke woorden over Hem wel of niet passen? De paus? Ds de Jong? Of ieder voor zich? Laten we ons ook realiseren, dat het spreken van de Schrift over God zozeer een eenheid is, dat het lostrekken van dit draadje niet zonder gevolgen kan blijven voor vele andere bijbelgedeelten, ja voor het hele Evangelie. Het is de vraag of het zelfgetuigenis van de Schrift zulke forse onderscheidingen verdraagt.
Door de Heilige Geest gedreven hebben mensen .... af en toe niet van Godswege gesproken?
Elk Schriftwoord is van God ingegeven behalve Deuteronomium 7:2 en nog een aantal door bekwame theologen vast te stellen? Mijns inziens gaan we hier grenzen over en dreigen we ver van huis te raken.

Maar, zegt ds de Jong, zulke kritiek is te gemakkelijk.
Want het voorbeeld dat ik geef is toch duidelijk.
Zeker; maar de oplossing voor het probleem is onaanvaardbaar. Dit is toch niet anders dan schriftkritiek?
Ingaan op voorbeelden heeft als nadeel dat het eind zoek is. Het ene voorbeeld kan opgevolgd worden door het andere.
Bovendien wordt de suggestie gewekt dat een voorbeeld een bewijs is.
Tenslotte is het ook nog zo, dat mensen als de schrijver dezes ook niet alles weten. Maar laat ik ds de Jong terwille zijn. Ik wil de hond wel wezen, die op zijn voorbeeld ingaat.

Het is te begrijpen dat catechisanten, gewend als ze zijn zwart-wit te denken, God niet kunnen zien als een soort Milosevic, die Kanaän ethnisch zuivert.
Merkwaardiger wordt het, wanneer de catecheet, die zoals bekend doorkneed is in de Schriften en met vele artikelen en preken de verbanden het Woord van God heeft laten zien, zich in zo'n beeld laat meeslepen en daar dan terecht niet mee uit de voeten kan.
Want het is uiteraard niet waar, dat God een tiran is, die willekeurig links en rechts volkeren uitroeit en niet op een mensje meer of minder kijkt. Wanneer er in de Schrift gesproken wordt over Gods woorden en daden moeten die in het geheel van Gods Woord worden gelezen.
Een platte karikatuur is uit den Boze. Sterker nog, ik ontdek voortdurend dat ik mijn hemelse Vader nog lang niet goed ken, hoe meer ik lees en overdenk in Zijn Woord, hoe vaker ik verrast word.

Eén van de dingen waar je nooit op uitgekeken raakt is Gods wijsheid. In de wijsheid waarmee Hij de wereldgeschiedenis leidt zijn vele dingen om je te verwonderen. De raad van God is te vergelijken met een kabel, waarin vele draden vervlochten zijn. Hij doet alle dingen meewerken ten goede; Gods leiding en menselijke schuld blijken op wonderlijke wijze hetzelfde pad te gaan, zonder dat ze vermengd worden.
Soms kunnen we daar iets van zien, zoals in de geschiedenis van Jozef.
De zonde van de broers blijkt ook leiding van God te zijn. Twee parallelle rails, waarover de trein rijdt. Datzelfde zien we in de geschiedenis van Israël.
God had het land Kanaän aan Abrahams nageslacht beloofd, maar tegen Abraham is al gezegd dat éérst de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten vervuld moest zijn (Genesis 15:16). Die kant van de zaak is er ook. Het zijn geen onschuldigen die de dupe worden. Het waren volkeren die bekend stonden om hun goddeloosheid.
En dat probleem kon nog wel eens groter zijn, verder van onze belevingswereld af, dan dat van de uitroeiing. Want over 'zonde' en 'ongerechtigheid' horen we niet graag. Zo slecht zijn we niet, menen we. Toch ontkomen we er niet aan, willen de Gods genade en verzoening laten schitteren, de menselijke schuld in alle ernst te blijven verkondigen.
En ook de haat, die God niet alleen tegen de zonde, maar ook tegen de zondaar heeft!) (Psalm 5:6).
Hoe zit dat met het strenge gericht van God over de zonden?
Zijn onze zonden zo erg, dat ze uitroeiing rechtvaardigen?
En zo ja, is dat dan het noodlot niet alleen van de Kanaänieten, maar van alle volkeren, de Joden incluis?

Wat is de strekking van dit gericht van God (en in het verlengde daarvan: van alle andere gerichten, culminerend in het laatste oordeel)? Moeten we zo'n opdracht zien als een laatste bevel, een oordeel dat het noodlot voor de Kanaänieten inluidt? Of valt er over die harde opstelling van God meer te zeggen? Hoe zien we dat in de praktijk? Nota bene het allereerste huis waar Joden kwamen, het huis van Rachab in Jericho, bleef staan. Rachab en haar hele familie werd niet uitgeroeid. Waarom niet? God zelf liet het stuk van de muur, waarop haar huis stond, staan. Is het oordeel op haar niet van toepassing? Ze was als publieke vrouw boegbeeld van de Kanaänitische cultuur.
Door het geloof is Rachab, de hoer, niet met de ongehoorzamen (!! lgc) omgekomen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen.
Te denken valt aan de Gibeonieten, Jozua 9. Zij slaagden er met list en bedrog in een verbond met Jozua te sluiten.
Daarna leverden ze zich op genade en ongenade uit. Ze hadden gehoord wat God gezegd had over de uitroeiing (niet recht over God gesproken, ds de Jong??) en ze waren zo verstandig niet het gevecht met deze God en zijn volk aan te gaan.
Waar anderen in hun verharding de strijd aangingen zie je bij deze mensen een vorm van geloof.
Weer andere Kanaänieten sloegen op de vlucht.
Want het valt op, dat de term 'uitroeien' minder vaak voorkomt (voorzover ik in de gauwigheid heb kunnen zien) dan woorden als 'verdrijven' en 'verjagen'. Wanneer eeuwen en eeuwen later een nazaat van deze Kanaänieten een beroep op Jezus doet, in het gebied van Tyrus en Sidon, buiten Israël, weigert Hij haar te helpen (Mattheus 15:21-28). Het is opvallend dat Mattheus de antieke aanduiding Kananese gebruikt, waar Markus in zijn evangelie het in die tijd moderne Griekse (=niet-Joodse) heeft. Hij negeert haar, vertelt zijn discipelen en daarna haar zelf in niet mis te verstane bewoordingen dat Hij geen taak ten aanzien van haar heeft. Maar uiteindelijk wordt Hij overwonnen door deze vrouw. Hij kan niet anders dan uitroepen “O vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wenst!” Hoe hard is het gericht, dat God voor Ninevé in petto had! Nog veertig dagen en Ninevé wordt ondersteboven gekeerd.
Geen voorwaarden, geen uitweg. Dat is alles wat Jona te zeggen heeft.
Maar wat gebeurt? De inwoners van Ninevé buigen voor dit woord van God. Ze klagen niet dat ze God er niet in herkennen, maar ze gaan in zak en as.
En na veertig dagen constateert Jona, dat het "feest" (zoals hij het zag) niet doorgaat. De laatste woorden van dit boek zijn veelzeggend:” Zou Ik dan Ninevé niet sparen, de grote stad, waarin meer dan honderdtwintigduizend mensen zijn, die het onderscheid niet kennen tussen hun rechterhand en hun linkerhand, benevens veel vee?” Gods gerichtsaankondiging is geen noodlot. Er is een enorme kloof tussen profetie en toekomstvoorspelling, tussen gebod en 'befehl ist befehl'. Door het geloof is er de weg naar Gods hart, voor ieder die vervloekt is vanwege zijn zonden! Dat is altijd zo geweest! De reaktie van Jona laat dat ook zien. Jona heeft dat geweten! Hij loopt niet voor niets eerst de andere kant op. En na het uitblijven van de catastrofe zegt hij:”Ik wist dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig, groot van goedertierenheid en berouw hebbend over het kwaad.”

Er is nog iets. Wanneer ik de boodschap van het boek Job goed begrepen heb, wordt ons daar geleerd dat wij mensen God niet de maat moeten proberen te nemen. Job roept, zij het voorzichtig, God ter verantwoording.
Maar God antwoordt hem niet! Hij geeft geen inzage in zijn boeken en verklaart helemaal niets. Het enige, dat Job te horen krijgt is een uiteenzetting van Gods majesteit en macht in de schepping. En Job heeft zijn lesje geleerd. “Ik leg de hand op de mond. Eenmaal heb ik gesproken, maar ik doe het niet weer;......ik verkondigde, zonder inzicht, dingen, mij te wonderbaar en die ik niet begreep..... Daarom herroep ik en doe boete.” Het is deze houding, die ik, met alle respect en grote waardering voor wat ds de Jong in zijn lange carriëre heeft geschreven, in zijn opmer king bij Deuteronomium 7 mis. En dat moet toch maar gezegd worden.
Ds de Jong heeft meermalen bewezen diep inzicht in de Schrift te hebben.
Meermalen heeft hij verbanden laten zien en niet alleen als studiebegeleider, maar ook als scribent heeft hij voor mijn theologische inzichten èn, wat belangrijker is, voor mijn persoonlijk geloof veel mogen betekenen. Zijn boeken over Deuteronomium met hun accent op de verzoening bijvoorbeeld. Ik ben daar dankbaar voor. Daarom begrijp ik zijn houding ook niet helemaal. Zou ik het schertsend zeggen, dan zou ik Herman Finkers citeren "Dat heeft zo'n jongen toch niet nodig". Dat heeft zo'n De Jong toch niet nodig!
Alles wat ik hierboven geschreven heb, weet ds de Jong ook, en nog beter. Ik begrijp niet goed waarom de ene keer de Schrift in al zijn volheid opengaat en de andere keer kortweg de boodschap van een schriftgedeelte wordt afgekapt.

Het tweede dat in het artikel van ds de Jong aan de orde komt gaat me haast evenzeer aan het hart als het eerste. Dat zijn de contacten met de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, die ik voor het gemak respectievelijk als CGK en GKV zal aanduiden.
Schrijver dezes heeft het enorme voorrecht voorganger te zijn in een Samenwerkingsgemeente met de CGK.
Daarnaast zijn er uitstekende contacten met de GKV. Zo'n artikel als dat van ds de Jong (zijn zoveelste al hierover, echt iets nieuws stond er niet in) komt dan ook bij mij hard aan. Het doet pijn.

Het is me opgevallen (hoewel ik door langdurige ziekte niet alles heb bijgehouden moet ik erbij zeggen) dat in de landelijke pers nergens de hand in eigen boezem is gestoken naar aanleiding van de ontwikkelingen. We zijn door de CGK en de GKV, zeg maar rustig: uitgekotst, en het enige wat je tegen komt in gesprek en geschrift is een kalme zelfgenoegzaamheid.
Eigenlijk bedoel ik gewoon, het woord moet er maar uit, arrogantie!
Het lijkt wel, alsof wij er niet van geschrokken zijn.
Wij zijn blijkbaar zo geweldig, wij weten precies wat er niet deugt bij de anderen en waarom ze de te betreuren beslissing genomen hebben. Dat ligt niet aan ons, ben je gek.
Dat ligt geheel en al, voor 100%, aan hen! Blijkbaar is dat het lot van een kerk, die zoveel verder is.
Vergeef mij enige bitterheid.
Maar wanneer ik voor de zoveelste maal uiteenzettingen zie over de splinter in het oog van mijn GKV of CGKbroeder, vraag ik me af waar we mee bezig zijn. Ik vraag me ook af, of we vaak niet in het verleden leven.
Waar ds de Jong spreekt over "in allerlei bochten wringen om onze keurmeesters te behagen" rijst bij mij de vraag waarover hij het heeft. Dat was twintig jaar geleden nog aktueel, inmiddels is er zowel bij ons als bij hen zoveel veranderd dat dit niet meer speelt. Ik heb er geen enkele behoefte aan Vrijgemaakt of Christelijk Gereformeerd te worden.
De gesprekken die we met deze kerken gevoerd hebben en nog voeren staan ook niet in die toon.
We zijn een eigen kerk, en inderdaad kan men van ons wel wat leren.
Maar willen wij van hen ook leren? En dan niet op afstand, maar in gemeenschap van het geloof! We zoeken niet een opheffing van de NGK, maar wel een samengaan in eenheid van geloof. Alle gepraat over eenheid is gebakken lucht wanneer die niet beleefd kan worden aan de tafel van onze Here. Wanneer ik de situatie inschat - en ds de Jong weet daar alles van, hij heeft in Amsterdam gestaan - dan is het probleem van alle kerken, zeker in de Randstad: hoe geven we de schat van het geloof (daarmee bedoel ik nog niet eens de belijdenis en ook niet de dogmatiek, maar de kennis van Christus) door aan de volgende generatie?
In onze welvaartstijd wordt Jesurun vet. De kerk moet kerk zijn in deze tijd, op zoek naar vormen die in deze tijd dezelfde dienst bewijzen als de bestaande vormen vroeger. Dat is niet gemakkelijk.
We hebben elkaar hard nodig, en het kon wel eens zo zijn, dat wanneer we elkaar niet zoeken om eendrachtig te staan, we gescheiden zullen ondergaan.
Het is maar een kwestie van één generatie kwijtraken!
In dat verband onderschrijf ik de woorden van ds. de Jong, dat de afwijzing van onze kerken door GKV en CGK niet reeël is. We staan op de kerkelijke schaal zo dicht naast elkaar, dat het verschil alleen voor ingewijden nog een beetje uit te leggen valt. Maar het fundament van alles blijft het Woord van God. Want als we naar Mozes en de Profeten en de Apostelen niet meer luisteren, kan niets ons meer redden.
Dan valt ook te begrijpen dat broeders van hetzelfde huis ervoor kiezen maar niet met ons samen te wonen. Daarom zou ik ervoor willen pleiten dat Woord maar gewoon te laten staan. En ds de Jong kan de kerken een grote dienst blijven bewijzen door zijn grote inzicht in het Woord met ons te delen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief