Ik word er zo moe van
1999-09-17
Vier jaar was broeder Stevens ouderling geweest.- Jaargang 43
- nummer 19
Hij was vol enthousiasme aan het ambt begonnen.
God had hem geroepen, dan moest het goed gaan.
Al spoedig kwam broeder Stevens er achter dat je als ouderling niet alleen positieve gesprekken voert. Hij dacht mensen te kunnen opbouwen in hun geloof. En natuurlijk: die gesprekken waren er ook.
Maar aan de andere kant bleven, in zijn beleving, veel gesprekken aan de oppervlakte steken.
Import
Het viel hem erg tegen.
Hij kwam uit een ander deel van het land. Veel kerkmensen zagen hem als import. Soms zag hij zichzelf ook wel zo. Hij was van huis uit gewend om toch anders met een aantal zaken om te gaan.
De gemeente waar hij was opgegroeid was een kleine gemeente in een grote stad. Je had elkaar er hard nodig, je vormde als christenen een minderheid in een onchristelijke omgeving.
Het dorp waar hij nu woonde stond bekend als orthodox-christelijk. Des te meer bevreemdde het hem hier als hij bemerkte hoeveel de gemeenteleden over elkaar roddelden.
"Daardoor kom ik er vaak niet aan toe om met hen te spreken over de relatie die de Here Jezus met hen heeft. En dat nog afgezien van de vraag hoe mensen persoonlijk beschadigd worden door al die onderlinge achterklap."
Kritiek op de dominee
Ook de dominee vormde vaak een thema in de gesprekken. In zijn eerste jaar had broeder Stevens bewust veel ruimte gelaten voor vragen over de gang van zaken in de gemeente. Hij had natuurlijk wel eens iets gehoord.
Maar nu bleek dat er van de predikant echt heel weinig deugde. Hij kon het bij sommige gemeenteleden nooit goed doen.
Hij sprak onduidelijk, hij kwam nooit op bezoek, zijn preken waren niet goed, hij hield zich niet aan de regels. Als broeder Stevens dóórvroeg waarom de preken niet goed waren was de reactie: "We hebben er niks aan."
Als doorgevraagd werd over de 'regels' bleek dat de dominee sommige dingen iets anders deed dan de vorige predikant. Hij las niet de wet, hij veranderde de liturgie, hij stel de vragen aan de kinderen.
"Is dat altijd zo?"
vroeg broeder Stevens argeloos. "Nee, maar één keer is al erg genoeg. Het is een teken aan de wand." En die aandacht voor de kinderen, is dat verkeerd?" Het antwoord luidde: "Dat deed de dominee vroeger ook niet en toch ga ik nog steeds naar de kerk."
Pastorale ruimte
In het tweede jaar hoopte broeder Stevens dat de gesprekken meer de diepte in zouden kunnen gaan. Maar alweer werden de huisbezoeken vooral bepaald door de roddel over andere gemeenteleden en over de dominee. Dan het derde jaar: nÿ zou hij toch kunnen oogsten?
Opnieuw kwam er uit de gesprekken geen geestelijke groei naar voren.
Broeder Stevens raakte erdoor ontmoedigd. "Ik word er zo moe van. Al die jaren zit ik in een klempositie. Bij sommige gemeenteleden ga ik met lood in de schoenen op bezoek. Je weet al van tevoren wat er gaat komen. De organist die niet goed speelt, de familie De Graaf die hen negeert en vooral de dominee die niets goed doet. Je wilt de mensen pastoraal de ruimte geven. Maar het enige wat je oogst is dat er niets deugt in de gemeente."
Ontmoedigd
"In het vierde jaar verwachtte ik niets meer. Er waren goede bezoeken, steevast bij dezelfde mensen.
Sommige gemeenteleden laadden mijn accu als ambtsdrager op. Maar een aantal anderen: ik luisterde nauwelijks meer.
Ik dacht: het is een vlucht van die mensen. Ze doen er alles aan om te denken dat het niet aan hen ligt, de schuld ligt altijd bij de ander. Maar het ergste vind ik de geestelijke leegte. Het lijkt wel of de mensen die kritiek gebruiken omdat je dan geen vragen meer kunt stellen over hun eigen geestelijk leven. Die bezoeken hebben me de afgelopen jaren uitgeput. Ik ben blij dat ik nu een rustpauze krijg.