Noodgedwongen een eigen weg (1)
1999-10-15
(Antwoord aan ds L. G. Compagnie) - Jaargang 43
- nummer 21
Toen destijds de kerkenraad van Amsterdam- Centrum mij vroeg hoe het in verband met de vrouw in het ambt toch moest met de Schriftplaatsen die dat schijnen te verbieden heb ik in een rapport daarover geantwoord (ik geef het nu maar vrij weer) dat ik er nog wel kans toe zag om met enige pijn en moeite de vrouwelijke diaken uit de teksten van het Nieuwe Testament te wringen, maar dat het me ten aanzien van de vrouw in het ouderlingen-ambt voorkwam dat daar een wat andere manier van Schriftlezen voor nodig was. Dat met andere woorden bij de vrouwelijke diaken het probleem exegetisch en bij de vrouwelijke ouderling het vraagstuk hermeneutisch van aard is. (Exegese is de uitleg van teksten en hermeneutiek is, meer op afstand, de kunst van het uitleggen van teksten: welke regelsen vooronderstellingen er aan een goede uitleg van teksten ten grondslag moeten liggen.)
Een andere manier van Schriftlezen dus, die meer historisch zou zijn dan voorheen, zodat je vaker dan vroeger, ook bij voorschrijvende gedeeltes uit het Nieuwe Testament, zou moeten zeggen: dat was toen, (zonder dat dit trouwens betekent dat wij er niets van kunnen leren). Sindsdien heb ik het tot mijn taak gerekend om over die nieuwe methode van Schriftlezen na te denken en af en toe zelfs iets te schrijven. Dat leek me nodig, niet alleen voor mijzelf maar voor ons allemaal. Wanneer nu ds Compagnie schrijft dat hij niet begrijpt waarom bij mij de ene keer de Schrift in al haar volheid opengaat en er de andere keer meer aan teksten lijkt te worden gemorreld (om zo nu maar even zijn indruk onder woorden te brengen), dan hangt dat denk ik hiermee samen dat ik langs twee sporen werk. In mijn boeken zit meer dat eerste, in mijn artikelen af en toe dat laatste. Proberenderwijs (waar een artikel in een blad zich goed voor leent) begeef ik me daarin soms op het hermeneutische vlak. Waarom? Omdat ik dat meer historische lezen van de bijbel een moeilijke zaak vind en ik bang ben dat we daarmee gemakkelijk in de argeloosheid en de willekeur terecht komen. Is er methodisch iets vertrouwenwekkends over te zeggen? Theologie wordt er onder ons niet zo veel bedreven en toch is dat nodig, willen we niet aan die willekeur ten offer vallen. In dat hermeneutische kader past nu ook mijn opmerking over Jozua 5 (en 6). Maar voordat ik daar verder op inga wil ik eerst een paar andere aantekeningen bij Compagnie's artikel maken.
Tussendoor
In de eerste plaats iets over die vrijzinnigheid van mij. Een broeder die mij erop aansprak had wel gelijk toen hij zei dat ik de gevoelswaarde van het woord 'vrijzinnig' onderschat heb. Ik herhaal daarom nog maar eens dat ik inhoudelijk niets met de vrijzinnigheid heb. En dat geldt dan wel voornamelijk de mensbeschouwing, die ik veel te optimistisch vind.
Als ik iemand hoog hoor opgeven van de goedheid van de mens, heb ik altijd de neiging terug te zeggen: O vrouw/man, onzinnig groot is uw geloof! Geen inhoudelijke vrijzinnigheid dus. Blijft evenwel staan dat ik vind dat wij in onze tijd vrijheid en ruimte nodig hebben om bij het oude overgeleverde vragen te stellen.
Door in dit verband te verwijzen naar ds Telder wilde ik er aan herinneren dat wij die ruimte en vrijheid in onze nederlands gereformeerde geboortebrief hebben staan. Vervolgens schiet ds Compagnie wat uit zijn slof als hij het over onze arrogantie heeft. Wij zouden ons niets aantrekken van wat de VGK en de CGK over ons zeggen en alleen maar vinden dat zij van ons kunnen leren. Ik moet toegeven dat ik die arrogantie ook wel eens tegenkom. Maar om dat nu mij voor te houden is toch niet terecht. Want bij alles wat ik fout doe moet men toch toegeven dat ik niet zelden vrij kritisch naar binnen toe ben en onze mensen bepaald niet stijf in een houding van zelfvoldaanheid.
Ook uit mijn laatste artikel valt dat op te maken. En niets willen leren van de anderen?
Heb ik in dit eigenste artikel de vrijgemaakten niet geprezen om hun uitstekende theologie en heb ik ten aanzien van de christelijke gereformeerden niet gezegd dat zij ons herinneren aan de waarheid dat wij ook in het verbond de bekering van node hebben? Bepaald opvallend, dat laatste, want dat raakt het heikele punt van de toeëigening des heils, waar we nu al een halve eeuw over strijden. Dat wijst toch in andere richting? En dan het verwijt dat ik in het verleden leef omdat ik de VGK en de CGK onze keurmeesters genoemd heb. 'Inmiddels is er zowel bij ons als bij hen zoveel veranderd dat dit niet meer speelt.' Is het ds Compagnie ontgaan dat de aanleiding tot mijn artikel het synodale spreken en besluiten over ons van zowel de VGK als de CGK was? Daarin is toch ten opzichte van vroeger niets veranderd?
Sinds jaar en dag krijgen we van beide kerken eendikke onvoldoende en daar zie ik voor de eerstkomende tijd nog geen verandering in komen. En mijn boodschap naar binnen toe is: aanvaard dat nu eens en gebruik de tijd die daardoor vrij komt voor het aanpakken van zaken die nodig om aandacht en behandeling vragen. En daartoe reken ik inderdaad de kwestie van het Schriftlezen. Want, nog eens, de willekeur ligt op de loer. En tegelijk: bij het oude kan alles niet blijven, dat wijst de praktijk van echtscheiding, ongehuwd samenwonen, homofilie, de vrouw in het ambt en zo meer uit.
Ik spreek dan ook niet triomfantelijk van 'een eigen weg'. Veeleer zie ik ons die opgelegd. En misschien dat we de anderen die zichzelf minder ruimte en vrijheid toestaan op de duur met onze inspanningen kunnen dienen.
Natuurlijk zou het mooier zijn als zij ons bij dit werk hielpen. We hebben elkaar zeer nodig, dat zeg ik ds Compagnie graag na. 'Alle hens aan dek', zo ernstig schat ik onze situatie wel in. Maar als zij nu toch niet willen...?
Dat ik, tenslotte, met mijn artikel de groeiende toenadering tussen sommige kerken nadelig zou beïnvloeden, geloof ik niet.
Want wat die toenadering betreft, die vindt toch vooral plaats met gemeenten die ten opzichte van hun synodes een eigen koers volgen en dat bevestigt mij weer in mijn analyse dat er zowel bij de vrijgemaakten als bij de christelijke gereformeerden een kloof begint te gapen tussen 'kerkleiding' en gemeente. En ik verwacht dan ook dat degenen die iets in samenwerking met ons zien, het met mij in de dingen die ik over hun synodes gezegd heb, meer eens dan oneens zullen zijn.
Nog eens: Jozua
En nu dan de passage uit Jozua waar zoveel inzenders, dwars tegen mijn voorspelling in, op gereageerd hebben. Ik wil beginnen met aanmerking te maken op de wijze waarop een briefschrijver de inhoud van Jozua 5 : 13 - 15 weergaf. Dat ging als volgt: 'Jozua vraagt: Bent U Israëliet of Kanaäniet? Het antwoord is dan: 'Geen van beide, maar Ik ben de Overste van het leger des Heren.
Nu ben Ik gekomen om voor Israël te strijden'. Ja, als dit Jozua's vraag was: Israëliet of Kanaäniet?, dan had dat NEE als antwoord van de verschijning een simpele en doorzichtige zin, want inderdaad was de Vorst van het heer des Heren geen van beide.
De vraag was evenwel: Behoort u tot ons of tot onze tegenstanders? Dat wil zeggen: Aan welke kant staat u (wie u dan ook mag zijn)? En dat maakt het NEE raadselachtig, gezien de verdere steunbetuigingen van de Here aan Jozua, het prikkelt de aandacht en wekt de nieuwsgierigheid.
En wat dat laatste schuingedrukte betreft ('om voor IsraÎl te strijden'), dat staat er niet, dat komt van een verklaarder vandaan die de hoekigheden van de tekst wilde bijvijlen.
Nee, het blijft bij deze verschijning eigenaardig (en ook wel opzettelijk!) in het midden waarom de Vorst van het heer des Heren gekomen is. 'Nu ben Ik gekomen...', klinkt het raadselachtig en dat moeten we niet wegwerken. Ik zou zelfs die drie puntjes in de vertaling willen hebben, want inderdaad verwacht je na die woorden 'nu ben ik gekomen' iets meer.
Maar dat komt niet. Met opzet, denk ik, om aan de verschijning zelf als kritisch intermezzo alle aandacht te geven.
Een eenzame meteoriet
Nu zijn er verklaarders (ook onder mijn critici) die om aan dat raadselachtige te ontsnappen de verschijning van Jozua 5 :13-15 in Jozua 6 : 2 en volgende verzen willen laten doorlopen.
Wat de Here God tot Jozua te zeggen had komt dan in dat vervolg aan de orde. Zulke uitleggers vinden daarom dat ik wat in het boek Jozua een eenheid is (namelijk: Jozua 5 : 13 / 6 : 5) uit elkaar breek. Maar stel dat ze daarin gelijk hadden, dan is nog dat NEE aan het begin niet weggewerkt.
Zij hebben trouwens geen gelijk, Jozua 6 : 1 staat daarvoor te scheidingmakend tussen de twee passages in. En zo valt dus het bericht van de verschijning van de Vorst van het heer des Heren als een eenzame meteoriet het doorlopende verhaal van de eerste hoofdstukken van het boek Jozua binnen. Het steekt dwars de weg over die Israël daar gaat en het kruist ook het denkpad van ons die lezen. Ik voor mij vergelijk dit gedeelte graag met de passage in Exodus 4 : 24 - 26 over de besnijdenis van Mozes.
Dat bericht schicht daar ook zo eigenaardig dwars door de verhaalssamenhang heen. En ook daar, evenals in Jozua 5, met geen ander doel dan om de Here God van een andere kant te laten zien.
Dat Hij zich namelijk, behalve dat Hij zich achter het hele gebeuren van de exodus stelt, keert tegen Mozes, de menselijke hoofdrolspeler in dit hele gebeuren. Die staat Hij zelfs naar het leven.
Waarom? 'Mijn eer geef Ik aan geen ander' (Jes. 48 : 11), zoiets.
Anders
God wil laten zien dat Hij anders is dan de goden der volken. Van de goden der volken kun je zinnen verwachten als in Jozua 6 : 2: 'Zie, ik geef Jericho met zijn koning ... in uw macht'. Koning Mesa van Moab bijvoorbeeld (hij wordt ook in de bijbel genoemd: II Koningen 3 : 4 ) vertelt op zijn overwinningsstele die je nog in het Louvre in Parijs kunt bewonderen, dat zijn god Kamos tegen hem zegt: 'Ga, voer oorlog tegen Isra en neem (de stad) Nebo in...'. Wat hij ook met succes doet: 'Ik nam het in en doodde daarin alles: 7000 mannen (..), vrouwen (..) en slavinnen, want ik had de stad aan Asjtar-Kamos met de ban gewijd'. Dat lijkt sprekend op wat de Here God tegen Jozua zegt en wat Jozua vervolgens ook doet. Maar een bericht als in Jozua 5 : 13-15 zul je in Moab of waar dan ook buiten Israël niet tegenkomen.
Dat komt doordat de plannen van die goden der volken helemaal samenvielen met die van die volken en hun koningen zelf. De Here God wil evenwel Jozua en ons laten zien dat, hoezeer Hij zijn volk ook aan een plaatsje onder de zon wil helpen, Hij toch de God blijft die daarmee zijn eigen plannen nastreeft. 'Mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen', zoals bij Jesaja staat (55 : 8). Het gaat in Jozua 5 om een majesteitsopenbaring van de Here God, op het moment dat Jozua op het punt staat de oorlog tegen de Kanaänieten te beginnen.
Vandaar ook wat volgt: 'Doe de schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat is heilige grond'. Kennelijk wil de Here Jozua met de verschijning van de Vorst van het heer des Heren duidelijk maken dat wat Jozua gaat doen om Kanaän te veroveren, wel samenhangt, maar niet samenvalt met zijn plannen.
De beloofde rust
Het uitgetrokken zwaard in de hand suggereert dat het om een krijgsman op oorlogspad gaat. Dat klopt, maar de strijd is hier Gods verticale oorlog tegen de boze. Deze Vorst gaat het namelijk niet om al die dode Kanaänieten en hun land, Hij wil bij Sion, het geestelijke midden van het land, en via Sion bij Jezus Christus uitkomen als de Heiland der wereld. (Ook als de Heiland van de Kanaänitische vrouw, waaraan ds Compagnie zo terecht herinnert, zie Matt. 15 : 21-28!) Voor dat verderweg liggende doel is de landverovering slechts fase en slechts middel. Volgens Stefanus, in zijn weergave van de heilige geschiedenis, was niet eens het land Kanaän, maar het heiligdom op de Sion als de woonplaats voor het huis van Jakob bedoeld (Hand. 7 : 46 en 47). Iets wat zich pas in de dagen van David en Salomo gerealiseerd heeft. En daar, bij dat Sion, zou IsraÎl mogen wonen in de weldadige schaduw van het Immanuel-geheimenis: God met ons. 'Want de te laten'. Afschuwelijk! En dat vlak na dat prachtige hoofdstuk II Samuel 7 over de tempelbouw!
Tegen de achtergrond van zo'n bericht kun je ontzettend blij worden met die opmerking uit I Kronieken 22 van zoëven, hoeveel je ook van David houdt: 'Nee, David, jij bouwt voor Mij geen tempel!' Dus toch geen oorlogen des HEREN bij Israëls grootste koning? Dat zou ik niet willen zeggen. Dat de Here God Davids oorlogen zijn oorlogen noemt, is aanpassing van zijn kant. De Here heeft zich daarin aangesloten bij wat David en zijn tijdgenoten voor nodig vonden, nodig voor de zaak van waarheid en recht, voor het koninkrijk Gods of hoe je het verder ook noemen wilt. De koning zal voor zijn bloedige oorlogen best overwegenswaardige argumenten gehad hebben waar zijn tijdgenoten de bedoeling van God in hebben kunnen herkennen. Maar in dat woord van de afwijzing van Davids bloedvergieten zien we waar de Here God bij alle voorlopige aanpassing uiteindelijk op uit is: Niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest (zal het geschieden)' (Zach. 4 : 6).
In Gods verticale oorlog tegen de boze bezoekt Hij de zonde, niet alleen van de Kanaänieten of de Filistijnen, maar van het ganse menselijk geslacht, uiteindelijk aan zijn zoon, opdat er voor allen bevrijding van de toorn zou zijn. Zo ziet de werkelijke oorlog des Heren eruit en daar wordt bij David zoals bij Jozua al op gezinspeeld.
(wordt vervolgd)