‘Gezondheidszorg doet steeds groter appèl op kerken’
2010-02-19
‘Het vijfde gebod wordt steeds actueler. En hoe meer de geestelijke gezondheidszorg wordt afgeknepen, hoe praktischer dat “eren” van je ouders wordt. Wanneer ik ergens preek, probeer ik de mensen te laten zien dat dat ook hun voorland is. De overheid legt steeds meer verantwoordelijkheid bij de familie, de mantelzorgers. En ook bij de kerk.’- Jaargang 54
- nummer 4
Job Smit (53) is na predikantschappen in Maastricht, Baarn en Apeldoorn sinds 2007 volgens artikel 11 door de gemeente van Apeldoorn afgestaan voor de geestelijke gezondheidszorg. In zijn geval is dat verpleeghuis Wendhorst in Heerde, onderdeel van Novel. Hij werkt daar drie dagen per week, vult tijdelijk een vacante plaats in Nijmegen (ds. Jonker uit Hoorn komt begin 2010 naar Nijmegen) en besteedt één dag aan studie. ‘Ik doe bij Ruard Ganzevoort promotieonderzoek naar de methodiek van de geestelijke verzorging. Ik hoop er in 2015 mee klaar te zijn.’ Verder is hij secretaris van een deelraad (verpleeg- en verzorgingshuizen) van de beroepsvereniging voor geestelijke verzorgers in de gezondheidszorg.
Minder Zwitserleven
Smit vindt de vergrijzing een belangrijk onderwerp. ‘Een meerderheid van de bevolking is boven de vijftig en de vragen die dat oproept worden belangrijker, ook in de gemeente. Ik vroeg me af of ik op mijn 53ste nog moest beginnen aan een promotieonderzoek, waarmee ik tegen m’n 60ste klaar ben. Maar goed, een vader van een kennis werd op zijn 55ste nog docent. Dus je moet zelf dat panorama opschuiven. De AOW-leeftijd gaat omhoog en wij moeten van dat genietende Zwitserleven-idee af. Mensen als eurocommissaris Neelie Kroes en oud-minister Ben Bot laten zien hoe lang je nog mee kunt.’
Maar die hogere levensverwachting heeft ook minder aangename kanten: psychogeriatrische aandoeningen als Alzheimer en vasculaire dementie. ‘Ziekten, waarbij je geest je ontglipt’, zegt Smit. ‘Dat is het mooie van dit werk; het doet een beroep op andere kanten van je persoon. Dementerenden kun je alleen maar nabij zijn, het is een opeenvolging van momenten die je even vasthoudt, maar die dan weer wegglippen. Voor sommigen ben je eerder een zoon dan een vaderfiguur en je relatie is veel lichamelijker.’
Een mens waardig
Hoe erg dat kan worden? ‘Sommigen weten niet meer hoe ze hun sokken moeten aantrekken. Hoe ze moeten eten. Zijn vergeten hoe slikken ook weer ging. Weten niet hoe ze moeten zitten.
‘Bij binnenkomst zijn ze vaak verward en mede daardoor soms agressief. De verhuizing naar een vreemde omgeving versterkt dat en daar ligt een belangrijke rol voor ons. Je biedt die mensen een houvast en zorgt dat ze hun menselijke waardigheid kunnen behouden. Ook al zijn ze zich daar zelf misschien niet meer van bewust. Als ik ooit in die situatie kom, dan zou ik graag als mens worden behandeld. In feite doet God dat ook voor ons.
‘Sommigen hebben moeite met het vinden van woorden. Je ziet dat ze iets zinnigs willen zeggen, maar dat het er gewoon niet uitkomt. In zo’n geval moet je je toon in de gaten houden en respect tonen…en misschien maar raden naar wat die ander bedoelt.
‘In een volgende fase van de ziekte hebben de meesten veel verdriet en raken in zichzelf gekeerd. Dan is rationele communicatie vaak niet meer mogelijk. Ze zien hun ouders voorbijkomen, praten tegen de muur, terwijl een bonte stoet mensen aan hun geestesoog voorbijtrekt. In dat geval reageer ik niet op wat ze zeggen, maar op de toon. Ik beantwoord hun emoties; lach, huil en mompel met ze mee. Zulk contact maakt mensen rustig en dat betekent dat hun welbevinden verbetert. Het is tegelijk veel en weinig. Wat je doet komt aan, maar beklijft niet. Die aaneenschakeling van contactmomenten vormt een bedje van zorg.’
Elke zondag zijn er diensten. Zelf gaat hij eenmaal per maand voor. ‘Voor de herkenning zingen we de oude berijming in die diensten.’
Leven op de kop
Het tehuis heeft tevens een somatische afdeling, waar cliënten bijvoorbeeld worden gereactiveerd na een beroerte en geestelijk goed zijn. ‘Voor zulke mensen staat binnen de kortste keren hun hele leven op de kop. Zo staan ze gras te maaien en zo liggen ze hier. Dan is het dus de vraag hoe ze zichzelf kunnen hervinden en wat met revalidatie nog mogelijk is.
‘En lijden ze aan een dodelijke spierziekte als ALS, dan is de vraag hoe zij hun leven zinvol kunnen vervolgen en op een goede manier kunnen afmaken. Op papier is zingeving goed ingebed in de zorg, maar in de praktijk is dat anders. Als geestelijk verzorgers trachten we verzorgenden te scholen in die spirituele kant van hun werk, maar door de druk op de zorg is dat heel lastig. Alle handen zijn aan het bed nodig.’
Gezien worden
In het verlengde daarvan wordt ook gekeken naar andere ‘zorgconcepten’. Zoals de ‘belevingsgerichte zorg’, waarin het belangrijk is of mensen het naar hun zin hebben. ‘Als je mensen vraagt wat zij echt belangrijk vinden, dan noemen ze vaak vriendelijkheid en gezien worden. Schaduwkanten van dat concept kunnen zijn, dat mensen medisch gezien worden onderbehandeld en dat hun echte pijn wordt veronachtzaamd.’
Ook kleinschalig wonen biedt oplossingen. ‘Wij hebben dat hier sinds kort ook voor de betere gedementeerden. Mensen wonen - 24 uur begeleid - samen, delen een huiskamer, koken zelf en doen samen dingen. Ze blijven in deze woonvorm langer alert, maar kunnen zich ook eerder opgesloten voelen of missen de levendigheid van het grote instituut. Ook daarom zullen er altijd grote instellingen blijven.’
Zeker voor die grote instelling vindt Smit het belangrijk dat betere banden ontstaan met de maatschappij. ‘Zo kun je bijvoorbeeld bij je buren mantelzorg uitlokken. In de toekomst verwacht ik ook een groter appèl op de kerken als het gaat om zorg voor mensen zonder kinderen of naaste familie. Zorginstituten gaan steeds meer vraag uitoefenen, let maar op.’
Oneindig teer
Gevraagd naar zijn band met de NG-kerken als totaal, is hij licht kritisch. ‘De kerken hebben meer aan mij dan ik aan hen. Voor echte ondersteuning heb je je eigen gemeente nodig, in mijn geval Heerde. We hebben een landelijke begeleidingscommissie, waarmee we jaarlijks samenkomen, maar het is nog zoeken. De commissie streeft naar een goede vorm, maar zonder duidelijk en gezamenlijk doel is dat lastig. Niet iedere categoriale werker denkt er ook hetzelfde over.’
Even later lopen we door het gebouw, waar het openen van deuren twee handelingen vereist (‘dat kunnen dementerenden niet’). In de stilteruimte mogen om veiligheidsredenen geen kaarsen worden gebrand. Jammer, vindt hij. Op een tafeltje ligt het gebedsboek. Op 16 april 2008 citeerde iemand het gedicht Herbst van Rainer Maria Rilke: ‘Toch is er Eén die al dit vallen vast in zijn handen houdt. Oneindig teer.’