Van Bunschoten naar Nqutu
1997-07-11
In 1990 vertrokken Ds. en mevrouw Baron met hun kinderen naar het zendingsterrein van de kerk van Bunschoten in het Nqutu-district in Zuid-Afrika. Dit jaar zijn ze 3 maanden met verlof in Nederland. Tijd voor een persoonlijk onderhoud.- Jaargang 41
- nummer 14
Destijds bent u eerst in Zuid-Afrika wezen kijken. Wat waren de eerste indrukken van het land?
Wat ons destijds overweldigde waren de natuur en de ruimte. Het was werkelijk bijzonder imposant: die grote schoonheid van het land. Onze eerste indruk van de mensen was dat ze vriendelijk en gastvrij zijn. Dat geldt zowel de Zulu's als de blanken. Het valt je op dat de mensen beleefd zijn en behulpzaam. Bij de blanken viel ons later op dat er toch wel afstand is, in die zin dat het eerste contact vriendelijk is, maar dat je er toch niet zo gemakkelijk echt tussen komt.
Heeft die beleefdheid ook met het schoolsysteem te maken?
Inderdaad; de scholen zijn meer gedisciplineerd dan in Nederland. De leerlingen dragen uniformen. Eén van de dingen die zorgen baart is dat er nu een generatie zwarte jongeren is opgegroeid die veel minder discipline heeft, als gevolg van de boycot van scholen gedurende de jaren van de Apartheid. Nelson Mandela zag dat heel goed in. Eén van de eerste dingen die hij tegen de zwarte jongeren zei toen hij was vrijgelaten in 1990 was: "Go back to school!" Hij vond dat de jongeren weer orde en regelmaat in hun leven moesten krijgen.
De voorzitters van de plaatselijke zendingscommissies moeten lang oefenen om de bijzondere 'klak' in het woord Nqutu goed uit te spreken. Ds. en mevrouw Baron spreken het woord uit alsof ze nooit anders gedaan hebben .... Het leren van zo'n (voor ons: vreemde) taal vraagt natuurlijk veel energie. Maar: als je de taal eenmaal kent, dient zich nog een ander probleem aan, Ds. M.R. van den Berg heeft destijds in zijn boekje 'Getuigen' (1975) over vertaalproblemen geschreven. Eén van de problemen waar hij op stuitte was dat bepaalde woorden in het Zulu een heel andere gevoelswaarde kunnen hebben dan in in de westerse cultuur (zoals de vertaling van het woord God). Een vraag aan ds. en mevrouw Baron: "Welke betekenis heeft de vader in de Zulucultuur?" Als wij het hebben over 'onze Vader': zit daar dan niet een andere gevoelswaarde bij dan in de Zulu-cultuur?
De vader is bij de Zulu een onbetwiste autoriteit. Hij beslist over de kraai. Bij de opvoeding van de kinderen is hij nauwelijks betrokken. De kinderen worden min of meer door elkaar opgevoed. Pas als een jongen opgroeit tot jongvolwassene wordt hij door zijn vader benaderd, omdat dan de tijd is aangebroken dat de jongen de Zulutradities van zijn vader over neemt. Als zendeling moet je de betekenis van onze hemelse Vader uitleggen. Dan wijs ik altijd op de Verbondsgeschiedenis: hoe geduldig en liefdevol God met al zijn kinderen wil omgaan. Ik vertel over Gods liefde. Om zo'n vader te vertrouwen en lief te hebben vraagt geduld in het zendingswerk.
Als we in Nederland mensen met het Evangelie willen bereiken lopen we op straat, we bellen ergens aan of we ontmoeten iemand en raken met hem of haar in gesprek. Hoe gaat dat bij de Zulu's?
Je komt in de buurt van een bepaalde kraal en dan roep je: "We groeten het huis'. Dan moet je wachten totdat de ander jou begroet. Daar zit een heel ritueel aan vast. 'Ik zie je.' 'Ik zie jou ook.' Het is ook ongepast om op een andere manier binnen te komen; de hutten staan in een bepaalde volgorde en dat is niet voor niets. Je mag dus ook nooit via een andere ingang om te kijken of er iemand is, zoals je in Nederland soms nog via de achterdeur of via de buren binnen zou kunnen komen. De vrouwen begroeten je ook op een andere manier dan de mannen. Een vrouw zal je op 4 of 5 meter afstand begroeten. Dat moet je allemaal goed weten, anders ben je niet meer welkom. Uiteraard moesten we op dat punt goed worden ingewerkt, oudere helpers hebben ons daar intensief in ingewerkt.
Tijdens een zendingsavond merkte u op dat u al in de eerste contacten met de Zulu vertelt over de Schepping. Wij beginnen vaak bij Jezus. Waarom sluit u aan bij het Scheppingsverhaal?
Veel geschiedenissen uit de Bijbel klinken de Zulu helemaal niet zo vreemd in de oren; ze staan niet zo ver van de beleving van de mensen in het Nqutu-District. De Zulu kent een eerste wezen, de grote voorvadergeest, die de Schepper van alles is (uNkulunkulu); de schepping is hen dus niet vreemd. Ook het offeren van dieren is heel bekend voor de Zulu.
Maar in het christelijk geloof weten we dat het offeren van bokken en stieren uiteindelijk geen verzoening brengt. Bij de Zulu heeft het offeren van dieren als betekenis dat de vooroudergeesten gunstig worden gestemd. Dat offeren heeft niet met liefde maar met angst te maken.
Kunt u iets meer vertellen over die angst bij de Zulu?
Een Zulu moet steeds op zijn hoede zijn voor de vooroudergeesten. Slachten is een manier om de angst af te kopen: je stemt de vooroudergeesten gunstig. Als er iets tegen zit, is een vooroudergeest boos, dus dan slacht je weer iets.
Hoe zitten angst en zonde met elkaar verweven?
Je hebt pas iets verkeerds gedaan als het gevolgen heeft. Zolang het niet gezien wordt of zolang het je niet tegen zit, is het niet verkeerd. Zonde en vergeving in de diepe christelijke betekenis van het woord zijn dan ook moeilijke begrippen voor de Zulu; zonde is voor hen alleen zichtbare zonde, vergeving is voor hen meer genoegdoening.
Heeft de zending met inmiddels persoonlijk met alle inwoners van het Nqutu-district contact kunnen hebben?
Nee; er zijn nog steeds mensen die niets van het Evangelie weten, die er hooguit iets over hebben gehoord via de radio. Ons deel het district is een ruig en moeilijk bereikbaar gebied. Die persoonlijke contacten zijn hard nodig.
Hoe ziet een dag voor een zendeling eruit?
In Zuid-Afrika staan de mensen vroeger op dan de meeste Nederlanders. We staan om 6 uur op. De kinderen zijn om half 8 op school. Ik ben meestal rond kwart voor 9 op de eerste plek op het zendingsterrein. Wat je daar doet is natuurlijk per dag verschillend. Je doet aan hutbezoeken, je geeft catechisatie, er zijn gebedssamenkomsten, soms eet je mee, op zondag heb je twee kerkdiensten. De gemeenteleden en catechisanten zijn onze voelsprieten; zij zeggen vaak: "U moet daar heen, want...." Zij weten wat er leeft, wat er aan de hand is. Meestal rijd ik aan het eind van de middag weer terug naar Vrijheid.
Wat houden die gebedssamenkomsten in?
Het is goed om met elkaar tijd te nemen voor het gebed. Daar kunnen we in Nederland ook nog wel iets van leren, al komt er hier ook wel meer aandacht voor. Soms spelen die gebedssamenkomsten een rol als er veel geweld is. Dat werkt heel ontwrichtend op een gemeente, kerkdiensten gaan soms niet door, men ziet elkaar minder, men durft 's nachts niet in het eigen huis te slapen, er heerst angst. Maar er zijn ook andere dingen, heel gewone zaken waar we voor danken, zieke mensen voor wie we bidden. Door samen te bidden leg je je noden aan de Here voor. Dat schept binnen een gemeente een grote band, als je samen kunt bidden. Ook gaat er van die samenkomsten een sterk evangeliserende werking uit, want we beperken ze niet tot de kring van gemeenteleden. Ieder die met zorgen, ziekte e.d. te maken heeft willen we op die manier bereiken.
U sprak over dat geweld, waar komt dat uit voort?
In het Nqutu-district gaat het vaak om oude vetes die tientallen jaren kunnen sluimeren. Daar zit dan dus geen vergeving tussen: er moet iets gewroken worden, bijvoorbeeld een veediefstal van jaren geleden. In tegenstelling tot het gebied waar de zendelingen van Kampen werken heeft het meeste geweld geen in het Nqutu-district geen politieke achtergrond.
Mevrouw Baron, u bent ook actief betrokken bij het zendingswerk. Waar bent u mee bezig?
Ik doe de vrouwenklas bij 2 gemeenten. Dan ben ik de hele dag op het zendingsterrein. We doen aan bijbelstudie, we bidden samen. We houden ons ook bezig met de verkoop van het Zulu-handwerk. En er zit verder van alles bij dat je niet precies kunt voor spellen; je moet iemand ophalen om naar het ziekenhuis te gaan, bijvoorbeeld. Het voordeel is dat ik als vrouw gemakkelijker een hut binnen kom en dat de vrouwen misschien ook eerder iets met mij delen. Verder ben ik, samen met mevrouw Keesenberg, betrokken bij de toerusting van vrouwen van evangelisten en zwarte predikanten. Ook zit ik in de commissie die de Levensschool begeleidt.
Er komt dus nogal wat organisatie bij kijken ... Heeft dat te maken met de situatie in dit gebied?
In ons gedeelte van het zendingsterrein bedraagt de werkloosheid rond de 75%. Voor de mensen is er eigenlijk weinig perspectief: wie iets wil bereiken trekt weg. Dat is heel slecht voor de kerken; want je bouwt geen kader op. We zijn daarom ook bezig met een onderzoek hoe we toch iets aan de situatie in dit gebied kunnen doen.
Hoe maak je mensen actiever, hoe creëer je banen, zodat de mensen in het eigen district kunnen werken en in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien? In een rapport over de problematiek in het gebied werd als grootste probleem genoemd: het tekort aan vaardigheden. De mensen hebben geen opleiding, maar ze hebben ook geen handvaardigheden geleerd die ze in de samenleving in kunnen zetten. Daarom wordt nu gestart met een opleiding waar mensen een basispakket aan vaardigheden kunnen leren, zoals voor de bouw (metselen, schilderen, loodgieterswerk), voor autobedrijven, in de landbouw. Wij willen graag meedenken met deze ontwikkeling, want dat komt de mensen en dus ook de kerken op het zendingsterrein ten goede.
Waar leven de mensen van?
De mijnen in de omgevingen zijn gedeeltelijk gesloten, er is nauwelijks industrie. De eerste inkomsten zijn die van de maïs, maar de oogst mislukt ook nogal eens. De Zul u's hebben een sterke familieband. Als er iemand is met een inkomen, onderhoudt hij de hele kraal: vader en moeder, zonen en dochters, kleinkinderen, een zwager.
Je kunt je voorstellen dat als zo iemand werkloos wordt, dit ook forse consequenties heeft voor een hele familie.
Zien de mensen nog wel perspectief in hun bestaan?
De mensen kijken niet zo ver vooruit. Wel begint men het belang van scholing in te zien. Over het algemeen hebben de mensen die naar de steden trekken wel werk, maar in ons district is het bijna niet voorhanden. Er zijn maar enkele plaatsen waar de jeugd blijft. In die gemeenten heb je een basis waar je verder op kunt bouwen.
Veelal in verstedelijkte gebieden kom je zwarte zelfbewuste mensen met een opleiding tegen. Die kant mis je in ons district. Je hoopt dat de mensen in ieder geval vaardigheden ontwikkelen zodat ze in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien en hier kunnen blijven wonen.
Uw taak is dus heel breed; het is Woord en daad.
Ds. Baron: Je leert het ABC van het leven en van het geloof. Dat maakt je eigen geloof ook weer rijker: terug naar de basis, waar gaat het nu eigenlijk om? Ik bedoel niet dat het simpel moet zijn, maar je moet wel steeds de kern raken.
Mevrouw Baron: We kunnen ons meer ontplooien. Ik had nooit gedacht dat ik me met inkoop en verkoop (namelijk: van Zulu-handwerk) bezig zou houden, je organiseert van alles, je stimuleert de toerusting van evangelisten en predikanten. In Nederland had ik me, denk ik, niet op die manier kunnen ontplooien. Daar heeft men meestal andere verwachtingen van de echtgenote van een predikant.
Mevrouw Baron: je bent samen heel breed bezig op het zendingsterrein. Je verzorgt materiaal voor de catechisaties, je repareert je auto, je helpt een ander die vast zit in de modder, je brengt acuut een jongetje naar het ziekenhuis en verleent ondertussen nog eerste hulp. Kortom: het is een heel praktische manier van christen-zijn.
Ds. Baron: wat ik wel mis is een kerkenraad. In Zuid-Afrika heb je veel minder en daarnaast minder ervaren ambtsdragers.
We hebben wel als zendelingen regelmatig contact met elkaar, maar een kerkenraad zoals in Nederland, in je eigen werkgebied, dat is in Zuid- Afrika veel minder. Daar staat tegenover dat je je in Zuid-Afrika gemakkelijker kunt geven. In Nederland word je soms van binnen en van buiten beoordeeld, men heeft - door de lange kerkgeschiedenis - veel verwachtingen ten opzichte van (het gezin van) de dominee.
Kunt u nog iets zeggen over de kerkenraad in het Nqutu-district?
Er zijn nu ongeveer 40 mannen; de meesten zitten in het Noorden, op het oudste zendingsterrein (van de kerk van Den Haag). Als zendeling ben je de coach van deze ambtsdragers. Er zijn ongeveer 20 preekplaatsen in het Nqutu-district, waar 3 zendende kerken werken (Bunschoten. Den Haag, Leerdam). Ik moet op 4 preekplaatsen preken, en word daarin gesteund door een ouderling en een evangelist. Op ons zendingsterrein (van Bunschoten) zijn bijvoorbeeld nog geen ouderlingen.
Het uiteindelijke doel als zendeling is: jezelf overbodig maken omdat de kerken op het zendingsterrein hun eigen kader hebben.
Er vinden in allerlei kerken discussies plaats over de vraag welke plaats de Gereformeerde belijdenisgeschriften in moeten nemen in de zending. Hoe kijkt u daar tegen aan?
Die Gereformeerde belijdenisgeschriften spelen wel degelijk een rol. De Dordtse Kerkenordening is bijvoorbeeld een kader van waar je uit denkt als je bezig bent met kerkopbouw. De catechismus gebruik ik voor de evangelisten en predikanten: ze moeten die wel kennen: het is het 100.000 Stratenboek bij de Bijbel. Wat de vormgeving van de eredienst betreft: die is qua vorm meer evangelisch dan in Nederland, maar de inhoud is gereformeerd.
Op video heb ik wel eens een stukje van een kerkdienst in Zuid-Afrika gezien. Het gaat er anders toe dan in Nederland. In Nederland zien we echter ook een verschuiving. Denk bijvoorbeeld maar eens aan de kerkdiensten in 'De Hoeksteen'. Zou u, met uw huidige zendingservaring, de kerkdiensten in Nederland ook anders in willen vullen?
Daar moet je natuurlijk wel voorzichtig mee zijn, het moet wel passen bij een bepaalde gemeente. Ik denk wel dat ik nu meer geneigd zou zijn om de gemeenteleden tijdens de kerkdienst in te schakelen.
Wat is er in de afgelopen tijd in de Nederlandse samenleving veranderd?
Dat kun je niet zo gemakkelijk beoordelen. Maar wat me wel opvalt is het hoge tempo van het leven. Dat baart me ook wel zorgen. Alles moet snel en efficiënt, zelfs de zondag en de kerkdienst. Is de zondag in Nederland nog wel een rustdag? De Here heeft die rustdag niet voor niets aan Zijn volk gegeven.
In 'Opbouw' is de afgelopen maanden veel gepubliceerd over de zending. Denk bijvoorbeeld aan de serie van de hand van Ds. J. Vonkeman. Hoe kijkt u aan tegen de toekomst van de zending?
Ik ben blij met het feit dat de zending goede aandacht krijgt in 'Opbouw'. De zendeling moet altijd proberen zichzelf overbodig te maken. Met die gedachte zijn we momenteel in Zuid-Afrika sterk bezig. Maar: zending als opdracht blijft. Daarom is die aandacht en bezinning goed. Waar we misschien als Nederlands Gereformeerde kerken te weinig aandacht aan hebben besteed is aan het vormen van een achterban uit de tweede en derde generatie in de zendende en steunbiedende kerken. Die nieuwe generaties hebben niet aan de wieg gestaan van het zendingswerk, maar onze jongeren moeten wel gemotiveerd worden om de fakkel hier over te nemen. Je hoort daar wel eens sombere geluiden over, maar ik ben niet pessimistisch.
De belangstelling is niet tanende, als we maar op een goede manier kunnen laten zien wat ons bezielt: het brengen van de blijde Boodschap aan mensen die die Boodschap nog niet kennen.