Navolging (2)
1997-07-25
“Voor een kleine beloning maakt men zich druk; om één geldstuk ontstaan soms verfoeilijke ruzies; om een nietigheid en een schamel vooruitzicht schroomt men niet, zich dag en nacht uit te sloven. Maar – het is beschamend! – als het om het onbetaalbare goed gaat, om de onschatbare beloning, om de hoogste eer en de eindeloze heerlijkheid, dan is men te lui om zich zelf maar een beetje moe te maken.” (De navolging van Christus, III.3.14). Met die ene zin ben je weer helemaal bij Thomas a Kempis, die je met zijn uitspraken aanzet tot bezinning op het tijdelijke en het eeuwige van ons leven. - Jaargang 41
- nummer 15
Tegenslagen
In dit artikel zal het gaan over wat Thomas schrijft over de donkere kanten aan het aardse bestaan, over mensen die gebukt gaan onder tegenslag en lijden. "Wie is er die alles naar zijn zin heeft? Ik niet, gij niet, en geen mens op deze aarde. Er is geen mens op deze wereld zonder een of andere beproeving of benauwenis, al is hij koning of paus. Wie is degene die er het best aan toe is? Vast en zeker hij die in staat is voor God iets te verduren."
(1.22.3-7). Twee elementen, die hier opvallen, zijn karakteristiek voor de benadering van Thomas a Kempis. Om te beginnen word je geconfronteerd met de nuchtere constatering dat het aardse leven veel te wensen overlaat door onvermijdelijke tegenslagen, door eigen en andermans lijden en door een niet te ontkomen dood. Na die constatering komt Thomas vervolgens met een aansporing: zie, dat je zulk lijden 'voor God' en met zijn hulp doorkomt. In het tweede traktaat vind je dezelfde tweeslag in nog iets scherpere bewoordingen terug: "Bereid u voor om in dit ellendig leven veel tegenslag en allerlei ongemak te dragen, want dat zal overal uw deel zijn, waar gij ook vertoeft, en dat zult gij vast en zeker vinden, waar gij ook wegschuilt.
Het moet nu eenmaal zo zijn en er is geen ander middel om aan de kwelling en de pijn van de ellende te ontkomen dan berusting." (11.12.44,45). Ik noemde het scherper, vanwege de toch wel erg donkere opening, waarbij de slotsom 'geen ander middel dan berusting' het er voor ons gevoel niet beter op maakt. Ik herinner me tenminste uit een onder ons veel gelezen boek van W. ter Horst ('Over troosten en verdriet'), dat in zijn ogen 'opstandigheid' het meest en 'berusting' het minst christelijke antwoord op leed was. Mocht u de mening van Ter Horst op dit punt delen, dan biedt Thomas met zijn benadering toch enige stof tot heroverweging. Zeker als je de omlijsting van het citaat van zoëven er bij neemt, want daar stuit je op diepere lagen in Thomas' gebruik van het woord 'berusting' . Voorafgaand aan 11.12.44 lees je namelijk: "Leg er u dus, als een goede en trouwe dienaar van Christus, op toe om manmoedig het kruis van uw Heer te dragen, die voor u uit liefde gekruisigd is" (11.12.43). En na 11.12.45 volgt: "Drink de kelk van de Heer met liefde, als gij zijn vriend wenst te zijn en zijn deelgenoot" (11.12.46). Berusten in tegenslagen wil bij Thomas dus zeggen: volharden in de navolging van Christus. Juist in het lijden komt het er op aan om te gaan in de voetsporen, die onze Heer ons heeft nagelaten (vgl. 1 Petrus 2: 18-25). Het is een opvallende trek, waar ik in het vervolg van het artikel nog op terugkom.
Bereid u voor
De moeite waard vond ik ook het aspect van voorbereiding op tegenslagen en dood. We lazen het al in 11.12.44: "Bereid u voor om in dit ellendig leven veel tegenslag en allerlei ongemak te dragen ...". Voorbereiding op leed en dood? Hoe is dat eigenlijk bij ons in een tijd dat in de zorg rond ziekte en dood, kosten noch moeiten worden gespaard. Preventief krijgen we als kind al de nodige injecties toegediend. En mochten ziekte en ongemak vroeg of laat toeslaan, dan kan er met medicijnen en eventueel operaties veel gedaan worden om groter leed te voorkomen. En verder is er het brede scala aan instanties die begeleiden in de verwerking van rouwen trauma's. Er gebeurt dus genoeg zou je zeggen, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar het voorkomen, bestrijden en verwerken van leed. Thomas a Kempis komt evenwel met nog een aspect: bereid u voor op tegenslag en ongemak, ziekte en dood. Ik schat in dat zo'n aansporing in Thomas' tijd van nature meer weerklank zal hebben gevonden. Want in een opgroeiend gezin uit de 15e eeuw waren ziekte en dood zo 'gewoon', dat ze ook zonder pest en oorlogsgeweld niet onverwacht kwamen. Gemiddeld genomen is bij ons veel leed en dood verdreven uit de eerste decennia van ons leven en geconcentreerd in de laatste fase. Als het toch even eerder komt, dan treft het ons alleen al pijnlijk in zijn onverwachtheid. In een reactie als: 'Waarom moet ons dit nu overkomen' klinkt door, dat we in de eerste vijftig jaar van ons leven niet echt rekenen met ernstig lijden en dood. Terwijl een mens uit de 15e eeuw eerder zou denken: 'waarom zou het ons niet overkomen'?
Maar verwacht of onverwacht, onvoorbereid hoef je noch in het ene, noch in het andere geval te zijn. Bezie, om te beginnen, het aardse - met alles er op en er aan - eens met andere ogen. Preciezer gezegd: laat het licht van de eeuwigheid er maar over schijnen, zoals gebeurde in de spreuk waarmee ik dit artikel begon. Want de weging van tijd en eeuwigheid bepaalt in grote mate onze visie op lijden en dood (vgl. Romeinen 8:18vv). En bezin je verder van tijd tot tijd op toekomstig eigen lijden en sterven. Dat zou heel goed kunnen met de uitspraken en aansporingen, waarmee Thomas a Kempis in zijn boekje komt.
AI zal het soms wel wat te massief zijn, zoals de aanmaning: "In al uw doen en laten diende gij u te gedragen alsof gij vandaag moest sterven" (1.23.5), maar Iets daarvan zou geen kwaad kunnen. Of misschien herkent u zichzelf in de uitspraak: "Er zijn er velen die, als het niet naar hun wens gaat, meteen. ongeduldig worden of lusteloos" (111.7.5).Of deze, als een vrucht van bezinning op het pastorale werk: "Gij geeft goede raad en weet anderen door uw woorden kracht te schenken, maar als plotseling de beproeving aan uw eigen deur komt, weet gij er geen raad mee en ontbreekt u de kracht" (111.57.7). Voorkomen, bestrijden en verwerken van leed kenmerkt onze zorg rond ziekte en dood, maar Jezus zou misschien wel reageren met: 'doen ook de heidenen niet hetzelfde'. Met bereidt u voor' kom je dichter in de buurt van dat andere, dat Jezus typeert als 'meer dan het gewone' (vgl. Mattheüs 6:25-34).
Vader en Zoon
Opvallend vond ik ook dat de vraag 'wie de hand heeft in ons lijden' in 'De navolging' niet op de voorgrond staat. Vaak laat Thomas a Kempis het bij de constatering dàt ons moeilijkheden, tegenslagen en lijden overkomen. Soms is het explicieter, b.V. als het lijden meekomt in al het andere dat God geeft of toelaat: "AI geeft Hij ook pijn en slagen, dan moet het ons nog welkom zijn, want altijd doet Hij alles voor ons heil, wat Hij ook toelaat dat ons overkomt" (11.10.28). Met die laatste gedachte (van de toelating) wordt het beeld al complexer, maar vaak gaat zelfs die gedachte schuil achter alles wat een mens zichzelf berokkent of te lijden heeft onder medemens en wereld of door de negatieve inwerking van de boze en zijn rijk. Al lezend in het boek van Thomas a Kempis krijg je het lijden in die complexiteit voor ogen.
Maar het opvallende is, zoals ik al zei, dat de vragen die onder ons als eerste bij lijden en tegenslag gesteld worden - de vragen van het 'waarom' en 'Gods hand' - in het boek van Thomas a Kempis zelden naar voren komen. Eigenlijk zoals in het Nieuwe Testament, want na Jezus' schreeuw vanuit de godverlatenheid ('Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten') verstomt die vraag. Uit de mond van Paulus en al die anderen hoor je de waarom-vragen niet.
Bij Thomas a Kempis viel me op, dat hij lijden, tegenslagen en verzoeking steeds een plaats probeert te geven in de navolging van Christus. Het past bij de titel van zijn boek en ligt in de lijn van één van zijn eerste uitspraken: "Wie echter Christus' woorden ten volle en met smaak wil verstaan, dient zich er op toe te leggen zijn hele leven aan Hem gelijkvormig te makeri (1.1.6, cursief fg). Niet alleen is het dus zo, dat de navolging van de Heer lijden en sterven met zich mee kan brengen - we kennen de voorbeelden van Stefanus tot Watchman Nee - maar ook omgekeerd: zoek in alle lijden bewust de voetsporen van de Heer en lijd 'in Hem’. Thomas a Kempis zal bij tegenslagen dus veel eerder met een aansporing komen om in de navolging van de Zoon te lijden, dan met de vraag naar de hand van de Vader in het lijden. Misschien wel mede vanuit de (al eerder aangestipte) nuchtere gedachte dat voor de kinderen van Adam aan lijden en dood überhaupt niet te ontkomen is. Als de zaak er zo voorstaat, is het verreweg het beste om in het lijden de weg te gaan, waarop God je met zijn heerlijkheid tegemoet komt. En dat is geen andere weg dan die van de navolging van de Heer zelf. Je merkt ook hier hoe Thomas a Kempis in alle nuchterheid rekent met de lange lijnen van tijd en eeuwigheid.
AI houdt dat niet in dat lijden, tegenslag en beproeving voor het hier en nu geen enkele winst met zich meebrengt en dat het heil (waar het in 11.10.28 over ging) alleen maar toekomstig zou zijn.
Zo kun je lezen: "Het is goed voor ons bij tijd en wijle eens wat moeilijkheden en tegenslagen te ontmoeten, want dikwijls roepen die de mens tot zijn eigen hart terug; hij gaat dan weer beseffen dat hij in ballingschap leeft en zijn hoop niet moet stellen op iets van deze wereld" (1.12.1). Of iets verder: "Toch zijn beproevingen voor de mens zeer nuttig, al zijn ze hinderlijk en drukkend, omdat de mens daardoor nederig, gelouterd en gevormd wordt” (1.13.6).
Vertroosting
Met het oog op het pastoraat wil ik graag nog ingaan op Thomas' gedachten over lijden en vertroosting (consolatio). De belangrijkste onderscheiding, die door Thomas a Kempis wordt gemaakt, is die tussen de menselijke en de goddelijke troost, ook wel uiterlijke en innerlijke (of geestelijke) vertroosting genoemd. Het zal u niet verbazen na het voorgaande, dat het accent bij Thomas a Kempis geheel op het laatste valt. Direct in het begin van 'De navolging' lees je dan ook: "Daarom zou de mens zich zo in God moeten verankeren, dat hij er geen behoefte aan had veel vertroosting bij de mensen te zoeken" (1.12.5). En dat niet alleen omdat 'de mensen snel veranderen en gemakkelijk iemand in de steek laten' (11.1.14, vgl. Psalm 146), maar ook omdat iemand zich zo kan vastklampen aan de menselijke vertroosting, dat daardoor de weg naar de goddelijke vertroosting geblokkeerd raakt.
Beide elementen herken ik vanuit het pastorale werk. Ik denk aan de teleurstelling en verbittering bij degenen, die een zwaar verlies geleden hebben en klagen over het bezoek, dat al na korte tijd is ingezakt. Aan de andere kant leven bij ouderlingen en predikanten de schuldgevoelens, omdat ze in het pastoraat tekort zijn geschoten en 'te weinig bij die en die zijn geweest'.
Maar ook dat andere herken ik – dat het onderling pastoraat vaak zo in het sociale blijft hangen en dat het voor een ouderling en predikant ook moeilijk is om daar doorheen te breken. Je merkt soms in het pastoraat hoeveel verder je bent, wanneer die ander d.m.V. een soort 'zelfpastoraat' enig voorwerk heeft verricht. Zoals het in Psalm 42 gebeurt met die eigenaardige zelfaanspraak: 'Wat buigt ge u neer mijn ziel? Hoop op God en ik zal Hem weer loven'. Daarmee valt de psalmist zijn eigen klacht in de rede door zich te verankeren in God, om het met Thomas te zeggen. Goede kans dat zo'n aanpak iemand onafhankelijker maakt van de menselijke vertroosting en tegelijk opener in het gesprek over de goddelijke. Ten derde denk ik vanuit de onderscheiding van Thomas a Kempis ook aan al die keren, dat ik of een ander in het pastoraat vastloopt. In de psychische nood b.v., wanneer iemand zich volstrekt isoleert. Of ook bij huwelijksproblematiek waarin een ouderling of predikant vaak pas wordt betrokken, als het eigenlijk al te laat is. Het zijn de momenten waarop duidelijk wordt dat de menselijke vertroosting vastloopt en alleen de goddelijke nog iets kan uitrichten. Vragenderwijs zou ik er nog aan toe willen voegen, of zulke impasses in het onderling pastoraat misschien ook in de hand worden gewerkt, doordat we te veel leunen op die menselijke vertroosting en enigszins verlegen zijn met de goddelijke. Maar dat is voor mij meer een vraag dan een weet.
Troost als voorlaatste werkelijkheid
Thomas a Kempis gaat ook in op die momenten, dat een mens niet alleen de menselijke troost mist, maar ook de goddelijke moet ontberen. Hij komt dan met een volgende bemoediging: "Wanneer de vertroosting u wordt ontnomen, moet gij niet meteen de hoop verliezen, maar met nederigheid en geduld het hemels bezoek afwachten, omdat God de macht heeft u weer een overvloediger vertroosting te geven.
Voor hen die de weg met God vertrouwd zijn is zoiets niet nieuw en vreemd, want bij de grote heiligen en de oude profeten is dit soort wisseling vaak voorgekomen." (11.9.16,17). Er zit veel inlevingsvermogen achter dit citaat en soortgelijke. Maar ondanks zijn gevoeligheid voor de moeite van het moment zelf, blijft Thomas a Kempis er niet te lang bij stilstaan, maar wekt op om vooral de lange lijnen in het oog te houden. Dat merk je ook in die momenten, waarop wel een diepe goddelijke vertroosting ervaren wordt. Ook dat is niet het laatste, want zowel de menselijke vertroosting als de goddelijke behoren nadrukkelijk tot het domein van het voorlaatste'. Dat blijkt b.v. in het citaat, waarmee ik dit artikel over 'tegenslagen' afsluit: "Als ik aan die wonderlijke toekomst denk, wordt zelfs iedere geestelijke vertroosting voor mij een diep verdriet, want, zolang ik mijn Heer niet onomsluierd in zijn glorie zie, acht ik alle dingen, die ik in de wereld zie en hoor van nul en generlei waarde." (IV.11.11).
Noot
1 De onderscheiding laatste-voorlaatste is van BonhoeJfer, die niet alleen zelf een boek schreef met de titel 'Navolging', maar ook voor zichzelf tijdens de laatste gevangenisjaren 'De navolging' van Thomas a Kempis las.