De grondslag van onze zekerheid?
1997-07-25
- Jaargang 41
- nummer 15
Een brief van mij aan de redactie, eind vorig jaar, was voor drs. van Kampen aanleiding hierop met een viertal artikelen te reageren. Hij gaf deze serie de titel ‘De grondslag van onze zekerheid’. Dit was niet de strekking van de vraagstelling die in mijn brief aan de orde was. In mijn brief suggereerde ik, een discussie te entameren over een punt dat mij raakte in een artikel van Van Kampen, waarin hij een recensie gaf van de Bijbelbewerking van Nico ter Linden ‘Het verhaal gaat’. Of een dergelijke discussie past voor ‘Opbouw’ is ter beoordeling van de redactie, de uitvoerige reactie van Van Kampen geeft aanleiding te denken, dat in mijn brief in ieder geval een en ander naar voren kwam dat hém kennelijk raakte. Toch raakte hij niet het eigenlijke punt waarop mijn suggestie betrekking had. Wat ik niet en wat ik wel bedoelde wil ik in dit ‘ingezonden’ graag uiteenzetten.
'Klassiek christelijk'
Mijn brief (zie Opbouw van 16 mei 1997) kreeg van de redactie als titel mee 'Klassiek christelijk'. Ik had dat er niet boven staan, maar wil er, om te beginnen wel even op ingaan. De term kwam voor in het artikel waarin Van Kampen het boek van Nico ter Linden recenseerde. (Ik zal broeder Van Kampen eenvoudigheidshalve verder als V.K. aangeven.) Mijn commentaar was: 'klassiek christelijke opvatting over de Bijbel' - wat bedoelt u daarmee?
Ik kan me er wel iets bij voorstellen, ik denk dan aan de 'klassieke' tijd van de jongelingsvereniging, toen we de zaken netjes in systemen konden brengen. Tot de 'klassiek christelijke opvatting' behoort zeker het aanvaarden van de Bijbel als Gods Woord, geschreven door mensen die geïnspireerd waren door de Heilige Geest. Dus niet ontstaan zoals de Koran, die kennelijk (zie laatste artikel van V.K.) gedicteerd is, maar geschreven door mensen zoals wij, alleen levend in een andere tijd en in andere omstandigheden. Op deze opvatting wil ik niets afdingen. Ik denk dat tot die klassiek christelijke opvatting ook behoort (behoorde?) dat je de gebeurtenissen die in de Bijbel beschreven worden, beschouwt als letterlijk zo gebeurd.
Dus een schepping in zes dagen, Methusalem die 969 jaar oud werd, een zondvloed die de hele aarde omspoelde, Jona die drie dagen in de walvis zat enz. Ook op deze feitelijkheden mocht (mag?) je niets afdingen want dan tast je de 'grondslag van onze zekerheid' aan. En "wie afneemt van de woorden van het boek van deze profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad" (Openb. 22:19). Het aangaan van een discussie of bepaalde gebeurtenissen letterlijk zo hebben plaats gevonden roept dus zeker spanning op en V.K. brengt het in dit spanningsveld als hij hier de grondslag van onze zekerheid aan koppelt.
Historiciteit van het Oude Testament
Ook deze aanduiding ontleen ik aan V.K. (artikel drie, Opbouw van 30 mei). Ik veronderstel dat hij bedoelt: Het O.T. geeft een getrouwe weergave van werkelijke gebeurtenissen en hij koppelt hieraan de betrouwbaarheid van Oudtestamentische bronnen. Die bronnen liggen voor de volle 100% bij en in het volksbestaan van de Joden, het volk Israël. Het O.T.
heeft geleidelijk tijdens dit volksbestaan zijn vorm en inhoud gekregen. Ik las ergens dat het pas gecanoniseerd is in het begin van onze jaartelling, in een soort 'rabbijnen-synode'. Over de manier van ontstaan van de boeken van het O.T. is veel onzeker, authentieke handschriften bestaan niet meer. Het oudst zijn ongetwijfeld de vijf eerste boeken van het O.T., die aan Mozes worden toegeschreven, hoewel het niet erg waarschijnlijk is dat hij deze zelf zo geschreven heeft: voor mijn commentaar is dit hier overigens niet relevant. De tijd waarin Mozes leefde, dus de tijd van de uittocht uit Egypte, is goed af te leiden, dit moet ongeveer 1200 voor Christus geweest zijn. Denkend in 'historiciteit' kunnen we dan de lijn verder terug volgen zoals het O.T. die weergeeft: 40 jaar in de woestijn, 400 jaar in Egypte - de tijd van Jacob, van Izaäk, van Abraham - we zijn dan zo rond 1750 voor Christus. Volgen we de geslachtsregisters zoals deze in Genesis zijn opgenomen, van Abraham tot Noach en van Noach tot Adam, dan werd Abraham 1946 jaar na Adam geboren en leefde Adam dus ongeveer 3750 voor Christus, wat aardig overeenkomt met het jaar 0 volgens de Joodse jaartelling. De Joodse kalender is nog iets nauwkeuriger en heeft als 'het tijdstip der schepping' 7 oktober 3760 voor Christus. Voor mij ligt het boek 'The Sumerians, their history, culture and character', geschreven door Samuel Noah Kramer, uitgave The University of Chicago Press 1963. Door ontcijfering van vele duizenden kleitabletten, gevonden in het huidige Irak heeft men een vrij nauwkeurig beeld kunnen bepalen van het leven van de Sumeriërs, van de oorlogen die ze gevoerd hebben, hun koningen, hun godsdienst enz. Hun geschiedenis, gedocumenteerd aan de hand van authentieke geschreven tekst in spijkerschrift, gaat terug tot rond 4500 voor Christus en eindigt rond 1750 voor Christus. De stad Ur, de geboortestad van Abraham, speelt een belangrijke rol in deze geschiedenis. Het einde van de Sumerische beschaving was ongeveer ten tijde van het vertrek van Abraham uit deze stad. De Sumerische beschaving had verbindingen met volken verder in het Oosten, het huidige India, misschien China. In ieder geval was er een uitgebreide bewoning in het Midden- en verdere Oosten, ver vóór het jaar 3760, het tijdstip van de schepping volgens de jaartelling van de Joden en volgens de 'klassiek christelijke opvatting'.
Adam en de Sumeriërs
Omdat V.K. de 'historiciteit van het Oude Testament' in het geding bracht heb ik de hiervoor weergegeven 'historische lijnen' gevolgd. Ik had ook andere lijnen kunnen volgen die te maken hebben met de geschiedenis van de aarde, met die van de levensvormen, met die van 'het verschijnsel mens' om een uitdrukking van Teilhard de Chardin te citeren. Er vormt zich dan een beeld, waarbij de aarde een geschiedenis heeft van miljarden jaren, waar de mens als laatst ontstane soort verschijnt en het overgrote deel van die geschiedenis zich dus heeft afgespeeld zonder dat de mens aanwezig was. De vraag kan natuurlijk gesteld worden: moeten wij ons nu zo nodig bezig houden met die Sumeriërs, of met archeologie of met andere takken van onderzoek? Nee, dat hoeft niet, maar het is wel heel boeiend. Het heeft ook te maken met het verkennen van een schepping waarvan we de onvoorstelbare grootsheid en schoonheid beter leren kennen en waarin we de Schepper ervaren, een Schepper waarvan ik in de Bijbel gelezen heb dat Hij geëerd wil worden. Ik denk dat Hij niet bedoeld heeft dat ik mijn ogen moet sluiten als resultaten van onderzoek inzicht geven in dingen die tot dusver geheim waren, als ik iets meer kan begrijpen van wat 'leven' eigenlijk is, waardoor we ook dingen kunnen die mensen vóór ons nooit gekund hebben.
Terug naar af?
Ik kom bij mijn aanvankelijke vraagstelling en ik had echt bedoeld dat als aanzet voor een discussie te zien.
Evenmin als Van Kampen ben ik deskundig, niet op theologisch en niet op geschiedkundig of taalkundig gebied.
De vraagstelling voor mij is als volgt. De Bijbel, zeker het Oude Testament, is naar ons toe gekomen vanuit het Joodse volksbestaan, in een taal die niet de onze is, vanuit een historie die we niet of nauwelijks kennen, met een begrippenkader die niet verwant is aan onze cultuur. De Bijbel is ook geschreven door mensen die niet wisten wat wij nu weten. En de bijbelschrijvers schreven voor mensen in hun tijd, in een taal en met een kennisniveau die begrepen werd door mensen van die tijd.
Het kan niet anders of veel van de inhoud van het Oude Testament is, voordat het op schrift is gesteld, van generatie op generatie overgedragen in verhaalvorm, met gebruikmaking van beelden om duidelijk te maken wat werd bedoeld. De Bijbelboeken zijn, voor ze hun huidige inhoud hadden, zonder twijfel geschreven en bewerkt door een groot aantal mensen die tot de theologische en vaak ook de literaire elite van hun tijd behoorden.
Het taalgebruik, de stijl, de gebruikte beeldspraak illustreren dit overtuigend. De inhoud heeft in het algemeen grote diepgang en zit vol met symboliek. De 'historiciteit' was, afgezien van enkele situaties die duidelijk herkenbaar zijn, niet de inzet bij de schrijvers van de boeken van het Oude Testament, de inzet was: hoe vertel ik het volk Israël van de grote daden Gods. Daar gaat het over, ook in het scheppingsverhaal en dat wil ik door de Sumeriërs niet onderuit laten halen. De discussie, beter gezegd misschien - de gedachtenwisseling - die de moeite waard zou kunnen zijn, kan als inzet hebben: hoe wrik ik het omgaan met de Bijbel los van 'opvattingen' over de Bijbel en hoe plaats ik de Bijbel in de actualiteit van vandaag. Waarbij ik onbevangen naar de resultaten van onderzoek kan kijken die misschien een wereldbeeld oproepen dat afwijkt van het 'klassieke' bijbelse wereldbeeld zoals ik dat gewend was.
Ik weet niet, of het boek van Ter Linden zich verdraagt met de monumentaliteit die de Bijbel heeft, het is wel een poging iets weer te geven van de wordingsgeschiedenis van de Bijbel en dat is positief. Misschien, na de toch summiere recensie van Van Kampen een goede aanzet voor de verdere gedachtenwisseling?
Literatuurverwijzingen:
Samuel Noah Kramer 'The Sumerians',
Max I. Dimont 'Jeuis, God and History',
Dr. Th.C. Vriezen en Dr. A.S. van der Woude: 'Literatuur van Oud-Israël',
Philip Whiifteld: 'De evolutie van het leven'.